De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

VERWORPEN. (2)

12 minuten leestijd

Indien wij lid van de Synode waren geweest (wat een verbeelding ! zegt misschien iemand, en 't is zoo) zouden wij voor gestemd hebben, met nadrukkelijke verklaring, dat we tegen dit Voorstel zijn, zooals het daar ligt, maar met een tweede verklaring, dat wij de Kerk zelve in de gelegenheid zouden willen stellen om over dit Voorstel haar gedachten te zeggen en haar adviezen te geven. Nu is het in Den Haag weer bedisseld zonder de Kerk.
Met groote instemming lazen we dan ook het artikel van prof. dr. M. van Rhijn in „Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur". Was men in Den Haag maar zoo verstandig geweest!
Maar nu keeren we terug tot het Voorstel zelve, om er nog eenige opmerkingen over te maken.
't Ging allereerst over de belijdenisgrondslag. En dat is in den kring van „Kerkopbouw" misgeloopen. Men dweept daar te veel met het subjectieve, met eigen geloofservaring, met eigen religieuse gevoelens (de vrije, vrome mensch !) en men veronachtzaamt te veel het objectieve, het van God gegevene, de van God geopenbaarde Waarheid, het Woord van God, de Heilige Schriften. En met die dweeperij met het subjectieve, het eigene, het menschelijke, waarmee altijd gepaard gaat veronachtzaming van het objectieve, van de geopenbaarde waarheid Gods, van de Heilige Schriften (Rom. 1 vers 2), is men vastgeloopen en is alles mislukt. Men moet iets minder „eigen"-wijs zijn en dwepen met „zelf"vroomheid en wat meer zich leeren overgeven aan hetgeen God ons door Zijn Geest in Zijn Woord, in Jezus Christus, heeft geopenbaard en aan 't geen de Kerk nu eeuwen heeft beleden op grond van dat Woord.
Dat geliefhebber met het subjectieve is een historisch verschijnsel. De Ethischen en de Evangelischen en de Modernen moeten volstrekt niet denken, dat het iets nieuws is. Want het is een oude geschiedenis. Wie iets van dogmatiek, dogmenhistorie en Kerkgeschiedenis weet, weet ook, dat hier een oud probleem, een oud struikelblok ligt. Niets nieuws onder de zon.
De Socinianen, de Remonstranten, Kant, Schleiermacher, de moderne professor Scholten, de ethische hoogleeraar Chantepie de la Saussaye enz. enz., zijn ons een bewijs, dat de strijd tusschen den mensch en God, de vrome mensch en Gods Woord, de rede en de openbaring, het geweten en de Schrift, altijd.weer aan de orde was en nog steeds aan de orde blijft.
De vrome religieuse mensch wil zoo graag aan 't woord komen. En — zoo zegt men — als de waarheid objectief in de Schrift of in de Kerkleer gevonden moet worden, wordt aan de persoonlijkheid van den vromen, religieusen mensch geen recht gedaan. Dan komt de vrome, religiseuse mensch heelemaal niet aan 't woord ! En dat is zoo jammer. Want de vrome, religieuse mensch weet het toch zoo goed en kan het zoo mooi zeggen, krachtens zijn geloofservaring. Het is dan allemaal zoo echt en zoo waar, zoo juist en zoo mooi, zoo warm en zoo nieuw, omdat hij het zelf ervaren heeft! Men wil alle religieuse waarheid uit het subject, uit den vromen, modernen, wijzen, religieusen mensch afleiden. Wie kan het beter weten dan de vrome mensch, die het alles zelf ervaren heeft ? Waar lééft het frisscher en heerlijker en zuiverder ?
Dat de Heilige Schrift den mensch — ook den vromen mensch — nooit, zegge nooit naar zichzelf verwijst als kenbron en maatstaf, als uitvinder en zegsman der godsdienstige, religieuse waarheid voor den individu persoonlijk en voor de Kerk als gemeenschap, kan men weten. De mensch wordt door de Heilige Schrift nooit zoo genadig behandeld, dat de mensch het „mannetje" kan worden. Want èn in z'n verstand en in z'n hart, en in z'n wil èn in z'n geweten, wordt de mensch beschreven als te zijn verduisterd en verdorven. „Arglistig is het hart, meer dan eenig ding, ja, doodelijk is het, wie zal het kennen ? " (Jer. 17 vers 9). En als de Heere een nieuw hart komt geven, dan krijgen we een hart, dat naar Gods inzettingen vraagt, dat Gods Woord leert kennen als een licht op ons pad en een lamp voor onzen voet, dat naar Gods wet en getuigenis vraagt, enz. (Ezech. 36 vers 26). Dan komen we tot de onderzoeking van de Heilige Schriften, die wijs kunnen maken tot zaligheid, die brengen tot de eenigheid des waren geloofs en die ons leeren te waken en te strijden tegen allerlei ketterijen en leugens. Als we bekeerd worden en vroom worden en godsdienstig worden en nieuwe menschen worden, komen we bij de objectieve waarheid Gods, ons in Zijn Woord geopenbaard. En in en bij en door de Heilige Schriften is de heerlijkste Christuservaring, de heerlijkste geloofservaring, de heerlijkste geloofsbelijdenis, gelijk de geschiedenis van de Emmaüsgangers ons leert.
't Is heerlijk, wanneer de Heilige Geest ons waarachtig komt maken tot nieuwe menschen, maar dan worden wij nooit gemaakt tot een fontein, waaruit de waarheid voortkomt, dan blijft Gods Woord, dat het Boek des Heiligen Geestes is, de fontein, en de Heilige Geest heeft er lust in Zijn eigen Waarheid, Zijn eigen Boek, aan de harten der Zijnen lieflijk te maken, door „het getuigenis des Heiligen Geestes". Want dat „testimonium Spiritus Sancti", dat „getuigenis des Heiligen Geestes" in onze harten, brengt niet iets nieuws, dat los staat van Gods Woord, of apart naast Gods Woord staat, als een vroom bezit van den religieusen mensch, want de Heilige Geest verloochent nooit Zijn eigen Woord, maakt zich nooit los van Zijn eigen getuigenis, maar hunkert er naar om de volkeren te winnen voor Zijn Woord en de natiën te bekeeren door de Heilige Schriften (Rom. 1 vers 2).
Men is bezig, in meerdere of mindere mate, de objectieve waarheid te krenken, te besnoeien, te kleineeren, weg te redeneeren, om er dan eigen vroom getuigenis voor in de plaats te stellen.
Neem b.v. de Evangelischen. Ze willen vrome, bij uitstek vrome, religieuse menschen zijn. Maar heel die Schrift is hun te machtig. En daarom hebben ze zich, zuiver subjectief, teruggetrokken op den persoon van den Heiland. En over dien persoon van Jezus willen ze dan praten en ze willen een eigen „Christelijk getuigenis" geven. De Ethischen zijn weer anders, maar zweren bij eigen geloofservaring, eigen geloofsgetuigenis; bij de subjectieve waarheid, die door de ziel gaat en die de mond spontaan uitspreekt — en dan moet men de menschen niet binden met „Gods Woord" (men wil „vrij" blijven) noch ook met „de belijdenis" (de subjectieve waarheid gaat boven de officieele Kerkleer !). En de Modernen redeneeren weer anders, maar komen tot een zelfde conclusie : de religieuse mensch van den modernen tijd, met de moderne wetenschap, laat zich niet binden door „de Heilige Schriften" en nog minder door „de Kerkleer" of de „kerkelijke belijdenisschriften". Dat „doode water" haten ze, en ze leven bij 't water, dat ze dagelijks putten uit eigen bron : de religieuse mensch zal het zeggen en niemand of niets anders ! Dan kunnen ze b.v. leven bij „de Bergrede" en allerlei vertellen aangaande Jezus' persoon en leer, naar hun welbehagen, naar hun christelijke beginselen. De belijdenis aangaande de Godheid van Christus komt er minder op aan, als men maar „Bergrede-christen" is. En de gelijkenis van den verloren zoon b.v. kan zoo heerlijk dienen om het Middelaarschap van Christus te loochenen. En dan is het toch bij hen een zoo heerlijke „Christusprediking" en „geloofsgetuigenis" !
Men wil niet „gebonden" zijn door de objectieve Waarheid Gods (Openb. 19 vers 10, laatste woorden), door de Heilige Schriften (wat kwamen de Emmaüsgangers aan den verkeerden kant terecht !)
Men wil als „vrije, vrome menschen" praten en de Kerk „opbouwen".
Zoo is men, in een gemengd gezelschap, waar de vrije, vrome mensch opgeld doet, aan 't passen en meten gegaan, toen het ging om een geloofsgetuigenis en geloofsgrondslag voor de Nederlandsche Hervormde Kerk, die in haar belijdenis zegt, dat heel de Kerkedienst moet worden ingericht, opgebouwd en gehandhaafd, naar uitwijzen van de Heilige Schriften.
En toen liep het mis, al meent men zelf, dat men „den steen der wijzen" gevonden heeft.
Artikel 1 van het Ontwerp tot reorganisatie van de Vereeniging „Kerkopbouw" is onaannemelijk, omdat we veel meer eerbied hebben voor Gods Woord en onze kerkelijke belijdenis, dan voor het zelfgetuigenis van vrome, brave menschen, die altijd goed willen laten voelen dat ze de Heilige Schriften niet voor 100 procent vertrouwen en de kerkelijke belijdenisschriften liefst op nonactiviteit willen zetten.
Zulke menschen vertrouwen wij niet voor 100 procent, omdat zij Gods Woord niet voor 100 procent nemen, en met zulke menschen willen wij dan ook liever niet in zee gaan tot reorganisatie van de Nederlandsche Hervormde Kerk, omdat zij er stichtelijk en vroom voor bedanken om met de belijdenis der Kerk te beginnen.
Willen ze samen een kerkje in elkaar zetten, waar de vrije, vrome mensch zich thuis voelt bij eigen geloofservaring en geloofsgetuigenis, dan moeten ze dat zelf weten. Maar het reformatorisch beginsel van onze echt Nederlandsche, Vaderlandsche Kerk, laten we niet los. Ook niet om de wille van de Vereeniging „Kerkopbouw".
Zoo is het „onaannemelijk" in de Synode te verklaren.
Maar er is méér.
We willen daartoe in een derde artikel het Rapport nagaan, door de Commissie in de Synode uitgebracht, welke Commissie bestond uit de h.h. prof. dr. M. van Rhijn, dr. P. Smit te Heumen, ds. J. Boonstra te Gieten, dr. K. den Hollander te Amersfoort en dr. P. Tammens te Oostwold (die rapporteur was).
(Wordt voortgezet).

ONZE BELIJDENISSTRIJD (4).
In 1837 werd het tijdschrift „Waarheid in Liefde" opgericht door de Groningsche hoogleeraren. 't Was een tijd, dat er in onze Hervormde Kerk twistvragen waren aangaande de leer of de belijdenis der Kerk. Velen voelden, dat men van zekere zijde op „leervrijheid" aanstuurde, hoewel ieder aan de leer gebonden was en instemming met de leer der Kerk moest betuigen. Ieder bestuurslid, iedere proponent, alle lidmaten. Maar — de Synodale besturenorganisatie was er juist op ingericht, om de knoeiers te begunstigen en de voorstanders der ware leer konden dan gepakt worden op grond van allerlei „reglements-overtredingen". 't Was een mooie boel in de Kerk!
De strijd tegen de besturenorganisatie was in volle gang, mee naar aanleiding en ten gevolge van de Afscheiding. En vooral bracht men van rechtzinnige zijde bezwaren in tegen de proponentsformule, die voor „leervrijheid" niet zoo ongunstig was. En in 1834, '35, '41, '42 werden telkens aan de Synode vragen gesteld in betrekking tot de leer der Kerk; men wilde nadere verklaring van de Synode b.v. in betrekking tot de woorden „de aangenomen leer" enz.
De Synode knoeide maar wat, zij speelde de onnoozele, liet graag de vrije hand aan de verwerpers van de oude belijdenis, maar moest toch ook zoo nu en dan wat zeggen. En zoo sprak zij b.v. in 1841 uit „dat de nieuwe proponentsformule in 't algemeen bedoelde de leer, diende formulieren van eenigheid voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk."
In 1842 hebben de zeven Haagsche heeren de Synode nog eens weer om inlichtingen gevraagd (mr. Groen van Prinsterer was de motor bij deze beweging) en zoo is het aldoor een strijd om de belijdenis geweest en gebleven, nu meer dan 100 jaar !
De Groningers voelden, dat het mee op hen gemunt was. Zij waren toen degenen, die „leervrijheid" voorstonden en intusschen zeiden, dat zij het met de leer der Kerk zoo roerend eens waren.
Mr. Groen van Prinsterer c.s. wisten wel beter en staken het niet onder stoelen of banken, dat zij de Groningers of Evangelischen niet vertrouwden. Zij zeiden eerlijk en ronduit: zulke menschen als de Groningers of Evangelischen zijn, hooren in de Hervormde Kerk niet thuis, omdat ze niet „in eenigheid des waren geloofs" met ons leven ; omdat ze in „aard en geest" met de belijdenis der Kerk verschillen en „het wezen en de hoofdzaak" van de belijdenis der Kerk verwerpen.
De Groningers lieten het er niet bij zitten en beweerden, dat hun richting eigenlijk de echt nationale richting in de Hervorming was geweest en dat de nationale, Nederlandsche hervormers als Wessel Gansfoort en Erasmus, de wegbereiders der Groningsche denkbeelden zijn geweest. De drie formulieren van eenigheid werden daarbij voorgesteld als de vruchten van een vreemde, van buiten ingevoerde, richting der Reformatie !
De Nederlandsche Reformatie — zoo zeiden de Groningers — is van een andere richting geweest dan de Calvinistische, die in de tweede helft der 16de eeuw van buiten ingevoerd is.
Maar de Kerkleer dan ? Was die in Nederland, in de Nederlandsche Hervormde Kerk, op de leest van Erasmus of van de Remonstranten geschoeid ? Konden en mochten de Groningers in 1837 zeggen : de leer der Hervormde Kerk is Erasmiaansch of Arminiaansch, en dus zijn wij in „aard en geest" en in „wezen en hoofdzaak" de geestverwanten van de belijdenis der Kerk ?
Of — was het misschien net andersom, dat de Kerkleer, de belijdenis der Kerk, èn in de Ned. Geloofsbelijdenis in 37 Artikelen èn in den Heidelbergschen Catechismus in 52 Zondagsafdeelingen èn in de Vijf Leerregels van Dordt tegen de Remonstranten, in Calvinistischen of Gereformeerden geest was ? En dat de Groningers het wel in aard en geest met het wezen en de hoofdzaak van de verworpen Remonstrantsche leer eens waren en dus niet met de gehandhaafde en vastgestelde Gereformeerde belijdenis?
Voor ieder kan het antwoord gemakkelijk vallen. De fout van de Groningers was en is, dat zij geen rekening hielden met de geschiedenis en gebruik maakten van de ongelukkige bepalingen der reglementen (die echter altijd „de leer der Kerk" veronderstellen en zeggen, dat die leer in geest en hoofdzaak moet worden aanvaard, overeenkomstig aard en wezen van de kerkelijke belijdenisschriften).
Maar de geschiedenis moet hier spreken.
Wat is in den loop der historie hier in Nederland in de Hervormde Kerk als belijdenis der Kerk, als Kerkleer vastgesteld ?
Want de Kerkleer is toch niet anders dan wat de Kerk leert. En dan moet de geschiedenis van de Dordtsche Synode spreken en dan moet 1816 ons zeggen, of toen de leer der Kerk naar de drie formulieren van eenigheid afgeschaft is of niet.
Er zijn nieuwe reglementen gemaakt, maar is de leer der Kerk toen afgeschaft of niet ?
De zaken zouden voortaan anders geregeld worden, maar is „de leer der Kerk" afgeschaft of niet ?
Hierop moet eerlijk, onomwonden, duidelijk geantwoord worden. En kort en krachtig moet het antwoord zijn : de leer der Kerk, de belijdenis der Hervormde Kerk, de kerkelijke formulieren van eenigheid zijn in 1816 niet afgeschaft en vormen nog altijd de grondslag van ons Hervormd kerkelijk leven.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's