De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

12 minuten leestijd

Genesis 6 : 18. Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten ; en gij zult in de ark gaan, gij en uwe zonen en uwe huisvrouw en de vrouwen uwer zonen met u.

3 e Serie.
XXXIV.
Zoo wordt dus aan Noach voor het eerst een helder licht ontstoken over de verhouding, waarin God staat tot Zijn volk, over de levensbetrekking, die Hij met Zijne kinderen onderhoudt. God openbaart aan Noach het verbond. Hij laat het aan Zijn knecht zien als vrucht niet van den wil des menschen, maar als daad Gods. „Ik zal mijn verbond oprichten", zoo sprak Hij. En dit is geen twijfelachtige zaak, want al wordt dit nu in onze Statenvertaling als iets toekomstigs voorgesteld, als iets dat nog gebeuren zal, de zin is toch die eener volstrekte zekerheid, zoodat er eigenlijk sprake is van een verbond, dat al reede is, maar nu in de nooden en gevaren van den zondvloed zijne kracht zal toonen in de vervulling der belofte van redding, die God toezegt aan Noach. Er zijn dan ook andere vertalingen, die eenvoudig overzetten : „Ik richt mijn verbond op", waarbij dus het heden sterker nog belicht wordt. God heeft hier dus aan Noach een bijzonder licht doen opgaan over hetgeen God voor hem is en daarom zijn zal, want zoo is het met Gods belofte en ook met Zijn vloek. Zij zijn er als gegeven, verschijnen in Gods Woord in een eeuwig licht. En daarom zijn zij dan ook zoo onwrikbaar zeker en vast en is er slechts bij Gods ware kinderen het geduldig, rustig wachten op de vervulling. Dat wachten is een vrucht des geloofs, een wachten in het geloof. En voor dit geloof is §r alleen het eeuwig heden Gods, waarvan, zooals in Hebr. 11 geschreven staat, zij „getuigenis" bekomen in den tijd. Daardoor zijn ook Gods kinderen zeker van hunne zaligheid, dewijl zij door het geloof inwoners in het land der belofte zijn geworden. Zij ontvangen aldus een onbewegelijk Koninkrijk. Dat beteekent natuurlijk niet, dat Gods kinderen niet bestreden kunnen worden in hun geloof, dat zij niet een hangen strijd van twijfel en ongeloof kunnen kennen, doch dat zij ook dan hebben een anker der ziel, hetwelk zeker en vast is en ingaat in het binnenste van het voorhangsel. Dat anker houdt, en dat ervaren Gods kinderen, wanneer de storm der twijfeling wijkt. Dan zien zij, dat zij werden vastgehouden en beleven zij de vruchtgevolgen van de voorbede onzes Heeren als van onzen eenigen Hoogepriester, die bidt, dat ons geloof niet zal ophouden, al begeert ook de Satan ons te ziften als de tarwe.
En zoo is nu ook het verbond der genade een eeuwig verbond. Zoo staat het ook zoo treffend juist en schoon in ons Doopformulier, dat als wij gedoopt worden in den Naam des Vaders, ons betuigd en verzegeld wordt, dat God de Vader met ons „een eeuwig verbond der genade opricht", dat.de doop een ongetwijfeld getuigenis is, dat „wij een eeuwig verbond der genade met God hebben". En zoo worden dan ook de jonge kinderen, die geen onderscheid nog kennen tusschen linker-en rechterhand, reeds gedoopt, omdat God Zelve gezegd heeft tot Abraham, den vader der geloovigen : „En Ik zal mijn verbond oprichten tusschen Mij en.tusschen u en tusschen uwen zade na u in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uwen zade na u". Daarom nu, dat het een eeuwig verbond is, ligt het ook vast aan de verkiezing en is het Remonstrantsch en niet Gereformeerd, het verbond een algemeen karakter toe te kennen, waardoor het komt los te staan van de verkiezing. Dat blijkt ook hier uit de geschiedenis van Noach zoo duidelijk, want van te voren, voordat er nog van een verbond sprake was, wordt ons Noach geteekend als een man, die genade vond in de oogen des Heeren, als een rechtvaardig man, als een oprecht man, als een man, die met God wandelt. Deze groote geestelijke gave had hij en kon hij alleen hebben als een uitverkorene Gods. En tot dien man spreekt God nu : „Maar met u zal Ik mijn verbond oprichten". En verder wordt het nu uit de geschiedenis van dezen Noach duidelijk, dat hoewel zijne zonen allen deelen in de groote zegeningen van Gods verbond met Noach, dit nog volstrekt niet beteekent, dat zij nu ook allen de verbondsgenade zijn deelachtig geweest. Zoo wordt Kanaan, Cham's zoon, later vervloekt. Zoo blijkt het ook daaruit duidelijk, dat de verbondsgenade nimmer los staat van de verkiezing en dat genade geen erfgoed is. Maar ook wordt fj, in openbaar, dat dit genadeverbond met de uitverkorenen Gods ook nog, behalve het zaligmakend geloof, dat de uitverkoren bondeling deelachtig wordt, ook voor hen, die daaronder niet behooren, nog een grooten natuurlijken zegen in zich draagt. Alle zegen Gods daalt om der uitverkorenen wil af van den hemel over de gansche menschheid, opdat Gods Koninkrijk komen zal. En zoo is hier het verbond met den uitverkoren Noach de oorzaak der redding ook van die zonen Noach's, wier nageslacht afvalt, ja zelfs van de dieren, die in de ark worden ondergebracht.
In dit woord tot Noach openbaart dus de Heere het verbond, de verbondsbetrekking, waarin Hij tot Zijne kinderen staat. De uitgang is daarin niet bij Noach, want God richt het met hem op. Noach is daarin, om zoo te zeggen, volkomen passief. Het komt tot zijn bewustzijn als een daad .Gods. De sprake Gods verklaart het hem. Maar nu blijft het daarbij niet. Al is de uitgang des ver bonds bij den Heere, al richt God het vrijmachtig met Noach op, dan wil dit niet zeggen, dat er nu verder ook voor Noach zelven niet meer in gegeven is. Ook hier geldt, wat in ons Doopformulier staat, dat in alle verbonden twee deelen begrepen zijn. En nu is dit merkwaardig, dat wanneer God een verbond sluit, het van het wezen, waarmede Hij dit sluit, afhangt, welke verbondseischen Hij stelt. Daarop wordt de aandacht gevestigd, omdat er behalve van het genadeverbond, waarvan hier sprake is, in de Schrift ook nog genoemd wordt het natuurverbond. De Heere zelve spreekt daarvan als van een verbond, dat in vastheid en zekerheid als een voorbeeld wordt gesteld. Zoo zegt Hij, Jeremia 33 : 20 : „Alzoo zegt de Heere : indien gijlieden mijn verbond van den dag en mijn verbond van den nacht kondet vernietigen, zoodat dag en nacht niet zijn op hunnen tijd, zoo zal ook vernietigd kunnen worden mijn verbond met mijnen knecht David, dat hij geen zoon hebbe, die op zijn troon regeere." En zoo zegt hij in vers 25 : „Zoo zegt de Heere : indien mijn verbond niet is van dag en nacht, indien Ik de ordeningen des hemels en der aarde niet gesteld heb." Hier wordt dus de orde Gods in de natuur als in een verbondsdaad Gods gegrond, voorgesteld. Daarbij is nu echter van een eenzijdig vastgelegd verbond sprake, waarbij de Heere aan den mensch toezegt, dat zoo vast als de orde is, die Hij in de natuur stelde, zoo vast ook Zijne beloften der genade zijn. Dit natuurverbond is dus de waarborg, dat de natuurorde blijft, zoolang er een volk Gods op aarde is. Daarvan zong ook de Psalmist : „o Heere, God der heirscharen ! Wie is als Gij grootmachtig, o Heere ! en Uwe getrouwheid is rondom U". Dan wijst hij op den hemel en op de aarde, die des Heeren zijn, op de wereld en hare volheid, „die Gij hebt gegrond". In dat natuurverbond heeft de natuur slechts een zuiver, volstrekt lijdelijke taak. Het gaat al van den Heere alleen uit, die als met een heiligen eed bij eigen Goddelijk Wezen hare vastheid waarborgt. Dagen en nachten zijn Zijns. Hij heeft het licht en de zon bereid. En zij zijn alle, zooals zij zijn, krachtens Zijnen souvereinen, goddelijken wil. Zij zijn in hunne onwankelbare orde het exempel, waarop de Heere Zijn volk wijst om het met de zekerheid van het genadeverbond te troosten. Zoo vast als die orde is voor hunne oogen, zoo vast is ook de belofte des verbonds. Die eenzijdigheid van dat natuurverbond ligt nu daarin, dat de natuur, hoe schoon en heerlijk, hoe machtig en grootsch, zij óok moge verschijnen voor onze oogen, toch maar onredelijk is. De zon en de maan en de sterren, de bergen en de heuvelen, zij zijn natuurwezens, die niet hooren noch zien, noch opmerken kunnen. Zij leven niet, maar bestaan, en zij weten niet, maar zijn. Daarom : zij kunnen geen verbondspartij zijn, want zij verkeeren in den toestand van het noodwendig worden en vergaan, dat over deze komt en over deze is, zonder dat zij daarvan beseffen kunnen.
Doch hoe geheel anders is het nu met den mensch, die als een redelijk wezen, naar Gods beeld geschapen werd, opdat hij God zijnen Schepper recht kennen en van harte liefhebben zou. Hij heeft bewustzijn niet alleen, maar ook zelfbewustzijn. Hij is geschapen als een wezen, dat zich zedelijk verantwoordelijk weten kan, dat daden doet, waarvan zijn eigen bewustzijn hem leert, dat hij ze ook niet kan doen en dat hij met de keuze zijner daden ook al de gevolgen aanvaardt, die in zijne daden liggen opgesloten. Zoo bestaat de mensch als een zedelijk wezen voor des Heeren aangezicht met een geweten, dat in hem spreekt, dat getuigt voordat de daad geschiedt, dat waarschuwt en dat daarna de stem des verwijts kan doen hooren, zoodat hij zondaar en schuldenaar wordt zelfs voor het eigen recht der consciëntie, en bij het hooger goddelijk licht des Geestes, schuldenaar ook voor des Heeren aangezicht. Welnu, omdat de mensch zulk een edel, zulk een hoog geestelijk-zedelijk wezen is, dat het leven, dat in het eeuwig Woord Gods is, Joh. 1 : 4, ook het licht der menschen is, daarom is het verbond, dat God met den mensch sluit, zoo geheel anders. Als redelijk, zedelijk wezen, staat hij met zijn ik tegenover het Ik des Almachtigen, aan Wien hij alles schuldig is, wat de Heere van hem eischt. De mensch ontvangt in het verbond, dat God met hem sluit, een verbondsplicht, dien hij te vervullen heeft. Tegenover Gods verbondsmatige toezegging staat de roeping des menschen, tegenover de verbondsbelofte staat de verbondseisch. Daarom staat er dan ook in ons Doopformulier : zoo worden wij ook wederom van God door den doop vermaand en verplicht tot eene nieuwe gehoorzaamheid, die eigenlijk bestaat in waarachtig geloof. Daarom luidt het aldus: dat wij dezen eenigen God, Vader, Zoon en Heilige Geest, aanhangen, betrouwen en liefhebben van ganscher harte, van ganschen gemoede en met alle krachten. En de keerzijde daarvan is : het verlaten der wereld, het dooden onzer oude natuur en de wandel in een nieuw godzalig leven.
Wat nu hier van den Doop geldt, is uit den aard der zaak in beginsel op te merken in Gods verbondsluiting met Noach. God sluit Zijn verbond met Noach en voegt er Noach's plicht bij in deze woorden : „en gij zult in de ark gaan". Dat was de geloofsdaad, waarmede Noach de verbondsluiting heeft te beantwoorden. Tegenover Gods belofte staat Noach's geloofsdaad. Hij moest in de ark gaan, dus op gezag van Gods Woord moest hij de ark betreden. Zooals de toebereiding der ark, gelijk in Hebreen 11 : 7 staat, een geloofsdaad was, zoo is dit ook het geval met het gaan in de ark. De wereld kon niet anders oordeelen, dan dat het een daad van waanzin was, deze ark eerst te bouwen en daarna er in te gaan. Zij wist niet van de komende oordeelen Gods, bleef opgaan in hare materialistische, sexueele vermaken, want er was in haar oogen geen enkel symptoom, dat sprak van de groote catastrophe, die toch naderde. En ook als Noach zijn blik liet weiden over de aarde of ophief naar den hemel, was er ook voor hem niets te speuren, dat heenwees naar dreigend gevaar. Integendeel, geen enkel teeken verried de naderende oordeelen. Dit alleen onderscheidde hem van alle andere tijdgenooten, dat God tot hem sprak. Van nature zag ook Noach, als alle anderen, aan wat voor oogen was, kon hij evenmin iets ontdekken, maar in onderscheiding van alle anderen wandelde hij in het licht van Gods Woord. En dat Woord geloofde hij, nam hij niet slechts aan, maar het had zulk een macht over zijn ziel, dat hij er in opging, zoodat het voor hem onwankelbare zekerheid was geworden. Zijne ziel was vervuld van de vreeze Gods, Wiens woorden met een alle hoogte nederwerpend gezag over hem kwamen. En gelijk de Hebreënbrief zegt, dat hij „vermaand werd van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, hij de ark heeft toebereid", dan geschiedde dit alleen, omdat hij door het geloof in het woord, dat de Heere tot hem sprak, de oordeelen zag. Zij waren voor hem nabij, zoodat hij met alle kracht, die in hem was, den bouw der ark voortzette. Zooals wij de donderbui zien naderen, de windhoos zien komen en ons haasten om schuiling te zoeken, zoo spande Noach zich in om het Godswoord te gehoorzamen.
De Heere had hem in de bondssluiting de redding door genade gewaarborgd, maar daaraan toegevoegd : „gij zult gaan in de ark". Als het gevaarte gereed was en het oogenblik der ontknooping naderde, dan zou hij in de ark gaan op Gods bevel. Omdat de Heere het gezegd had, dacht hij aan geene aarzeling. En daarom is deze Noach door de eeuwen heen met de ark het tegenbeeld van den doop, van dien waren doop, waardoor de Heilige Geest Gods kinderen in Christus inlijft, zoodat zij, die ééne plante met Hem geworden zyn in de gelijkmaking Zijns doods, ook ééne plante met Hem worden in de gelijkmaking Zijner opstanding. De apostel trekt dus eene vergelijking tusschen Noach's geloovig ingaan in de ark, die hem over de wateren dragen en uit den algemeenen ondergang redden zou, met de éénwording van Gods kinderen met den Heere Jezus Christus door het geloof. Noach's ingang in de ark werd alzoo een schaduwbeeld, dat in de komende eeuwen Gods volk zou leeren, hoe het met den Heere Jezus Christus gekruisigd worden moet en sterven en begraven worden, om het behoud hunner zielen te verkrijgen. Zij worden met Hem begraven in den doop en dus ook met Hem opgewekt. Van dat wonder der wederbaring des volks was Noach mede door zijn ingang in de ark, het blijvend exempel, dat al Gods kinderen roept tot een alles verliezen, om niets te behouden en Christus te gewinnen, in Wien alleen het leven en de gerechtigheid is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's