MEDITATIE
JACOB IN PNIëL.
Eenzaam wandelde een man, nog in de kracht van het leven aan den oever van de beek Jabbok. Naar het scheen, was hij innerlijk onrustig. Hoe zou het ook anders kunnen ? Hij dacht aan de ontmoeting, die hem te wachten stond. Hij zou zijn broeder, dien hij jaren geleden schromelijk had bedrogen weer onder het oog moeten komen. Daarvoor huiverde hij.
Plotseling kwam er een man naar hem toe, die hem aangreep. Waarschijnlijk heeft Jacob niet direct begrepen, met wien hij te doen had. Maar al spoedig zal het hem duidelijk geworden zijn, dat hij door een bovennatuurlijke kracht werd aangegrepen. De worsteling nam ten slotte zulk een geestelijk karakter aan, dat hij begreep met den Allerhoogste zelf te doen te hebben. Hij werd aangegrepen door den Engel des Heeren, door God zelf dus.
God was hier Jacobs tegenpartij der. En dat nog wel juist in dien tijd, dat hij zoozeer noodig had de gunst des Heeren. Maar God had er een heerlijk doel mede : Hij wilde er Jacob mede oefenen in het geloofsleven. Hij wilde hem er mede leeren, dat hij zich niet blind moest staren op Ezau en op diens vijandige houding. Jacob moest leeren verstaan, dat niet Ezau met zijn mannen de toekomst in handen heeft, maar God alleen. En nu moest Jacob op God overwinningen behalen.
Een merkwaardige worsteling ontstond nu tusschen den Engel des Heeren en Jacob. Een worsteling, waarover Calvijn zoo eigenaardig opmerkt, dat God hierin eigenlijk twee dingen doet. Hij werpt Jacob neer en Hij ondersteunt hem tevens. Hij werkt tegen Jacob in en tegelijkertijd weer met hem mede. Hij valt Jacob aan en is tevens het schild boven hem. En dan verklaart Calvijn nader : Dewijl wij met onze rechterhand meer kracht hebben dan met onze linkerhand, kunnen we zeggen, dat de Heere met Zijn linkerhand tegen Jacob strijdt en met de rechterhand hem ondersteunt.
Zoo is het te verstaan, dat de aartsvader den geheimzinnigen Man nog juist kan overwinnen. Maar tevens liet de Engel des Heeren zien, dat Hij toch de Almachtige was. Met een enkele aanraking ontnam Hij aan Jacob zijn kracht, zoodat het gewricht van zijn heup verwrongen werd. Jacob mocht wel overwinnen maar niet in eigen kracht. Die moet zwakheid worden. Alleen als een machtelooze zou hij overwinningen op den Almachtige mogen behalen.
Zoo kan de Kerk des Heeren in den levensstrijd alleen overwinnen. We moeten leeren, dat wij zwak zijn, want in onze zwakheid wil God Zijn kracht volbrengen.
Meen nu niet, dat Jacob viel, toen hem eigen kracht ontnomen werd. Neen, hij klemde zich nu aan zijn Bestrijder blijkbaar vast. Nu hing hij als een machtelooze aan de hals van den geheimzinnigen Man. Dat is een getrouw beeld van de houding, die ons betaamt tegenover den Christus, waarvan de Engel des Heeren de voorafschaduwing is. Afhangen als een machtelooze van Gods genade alleen, is het geheim van de overwinning van de geestelijke worstelaars.
Maar nu ging de Heere voort om met de linkerhand tegen Jacob te strijden. „Laat mij gaan, want de dageraad is opgegaan" zoo zeide de Engel des Heeren.
De dageraad was ook in geestelijken zin over Jacob reeds opgegaan. Immers, als we als een machtelooze geleerd hebben af te hangen van genade, kan het niet geheel donker meer in ons leven zijn !
Met de rechterhand ondersteunde de Heere nu echter Jacob. Want Jacob riep uit: „Ik zal u niet laten gaan, tenzij gij mij zegent". Hij dwong God. Dit was echter een dwingen in den Geest, waarvan eens iemand zeide : „Zij dwongen God en bleven vrienden". Dat is dan geen dwingen op grond van eigen verdiensten, om onze eigen wil door te drijven. Integendeel, dat is een aanhoudend pleiten op Gods genade.
De worsteling werd nu voortgezet, maar niet meer in het lichamelijke. Naar het woord van Hozea, overmocht Jacob den Engel des Heeren, omdat hij weende en Hem smeekte. Als een machtelooze, bedroefde, ellendige, weende Jacob. Als een behoeftige, heilbegeerige smeekte hij. Hij smeekte om den zegen des Heeren. Daaraan had Jacob bovenal behoefte. Zonder den zegen des Heeren kon Jacob zijn levensreis niet verder voortzetten. Weenen en smeeken, dat is nog voor ieder de weg, waarin de zegen des Heeren zijn deel wordt.
De geestelijke worsteling was nog echter niet ten einde. Weer ging God met de linkerhand tegen Jacob strijden. Immers de Engel des Heeren vroeg aan Jacob: „Hoe is uw naam ? " En nu moest de aartsvader belijden, dat zijn naam was: „Jacob". Wat zal het Jacob zwaar gevallen zijn, dien naam nu uit te spreken. In dien naam trad zijn gansche oude leven weer voor zijn geestesoog. Nu, op het hoogtepunt van zijn leven moest hij belijden, dat hij een Jacob, een hiellichter is ! Zoo scheurt God menigmaal juist op de hoogtepunten van het leven ons kleed van eigengerechtigheid aan flarden.
Jacob zou ook in dezen weer mogen overwinnen. Maar eerst moest hij er wel van doordrongen zijn, dat hij als zondaar alleen uit genade kon worden gered. Nu de Heere Jacob met de linkerhand had vernederd, zou Hij hem met de rechterhand weer verhoogen. „Uw naam zal voortaan niet Jacob heeten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de menschen en hebt overmocht". Welk een eer werd hier aan den zondaar Jacob bewezen ! Nu ontving hij een nieuwen naam en daarmede ook een nieuwe levensinhoud.
We kunnen begrijpen, dat Jacob nu nader wilde onderwezen worden in het geestelijk leven en meer van Gods gemeenschap ervaren. Hij wilde opwassen in de levende kennisse Gods. Want het geestelijk leven bestaat toch eigenlijk hierin, dat we meer van God leeren kennen. Vandaar, dat Jacob vroeg: „Geef mij toch Uw Naam te kennen"
Maar nu wees God met de linkerhand Jacobs verzoek weer af. „Waarom is het, dat gij mijn Naam vraagt" ? , zoo zeide de Engel des Heeren. Immers, de tijd, waarop de Naam „Jezus Christus" zou worden geopenbaard, was nog niet gekomen. Een ontijdige openbaring van dien Naam zou de heilsorde verbreken. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat de godvreezenden onder de oude bedeeling de gemeenschap met den Middelaar niet kenden. Integendeel, ze doorleefden die wellicht beter en inniger dan velen onder de Nieuw-Testamentische bedeeling, die steeds den mond vol hebben van Jezus.
Terwijl de Heere nu met de linkerhand Jacob afwees, strekte Hij de rechterhand over Jacob uit. We lezen immers : „En Hij zegende hem aldaar". Nu verkreeg Jacob datgene, waarnaar hij zoo vurig had verlangd. Nu kon Jacob getroost en gesterkt de toekomst tegengaan, Nu mocht hij weten, dat de Heere zijn God was, dat de Allerhoogste hem niet begeven en niet verlaten zou.
Als een nieuw mensch, die had leeren worstelen met zijn God en overwonnen had, mocht nu Jacob optrekken om zijn broeder tegemoet te reizen. De plaats, v/aar hij met den Allerhoogste had geworsteld, kon hij niet vergeten. „Pniël" noemde hij haar, want hij had God gezien van aangezicht tot aangezicht en zijn ziel was gered geweest. Nu ging de zon hem op, zoo staat er in het geschiedverhaal. De zon ging op in het rijk der natuur. Maar geestelijk was het licht hem nu ook opgegaan. In den stralenden morgen van Gods goedertierenheid, verliet hij de oever van den Jabbok. Nu was hij niet meer de krachtige, sterke man. ledere tred deed hem nu pijn. Iedere schrede herinnerde hem nu aan het woord : „Als ik zwak ben, dan ben ik machtig". Maar al was hij lichamelijk een verminkte, innerlijk had hij nu vrede. Nu jubelde het in zijn ziel, nu straalde het licht Gods over zijn levenspad. Nu kon hij gesterkt in den Heere de toekomst tegengaan.
Hebt gij ook reeds uw Pniël doorleefd, waarde lezer ? Gods weg is menigmaal wonderlijk. God strijdt met de linkerhand tegen u en met de rechterhand ondersteunt Hij u. Hij ontneemt u menigmaal veel, om nog meer u te geven. Hij ontneem.t u eigen kracht en eigen werk, om u met Zijn gunst te kronen.
Nijkerk
V. d. Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's