De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

EEN GEBONDEN JAARGANG.
Wie de band voor De Waarheidsvriend, jaargang 1934, besteld heeft en de 52 nos. nu als een gebonden jaargang voor zich ziet liggen, zal zeer zeker getuigen, dat het boek van 416 bladz., groot formaat, in drie kolommen gedrukt, met inhoudregister voorzien, van de grootste waarde is.
Wij willen dan ook nog eens de aandacht der lezers er bij bepalen, dat voor de luttele prijs van 50 cent een keurige band te verkrijgen is en wij hopen, dat nog velen zoo'n band bestellen zullen.
Men zal er zeer zeker geen spijt van hebben.
Maar dan moet het nu ook aanstonds gebeuren : Adres : Administratie, Maassluis.

VERWORPEN. (3)
In het Rapport, dat vóór de bespreking aan de leden der Synode was uitgereikt, wordt natuurlijk eerst melding gemaakt van Art. 1 en 2. Deze artikelen lulden :
Art. 1. „De Ned. Herv. Kerk, als deel van de Eene Algemeene Christelijke Kerk, gebouwd op Jezus Christus als eenig fundament, heeft tot doel, in aansluiting aan hare historische belijdenis, het Woord Gods te verkondigen".
Art. 2. „De verkondiging van het Woord Gods sluit voor al haar lidmaten, inzonderheid voor allen, die een ambt bekleeden, en voor al haar uitvoerende organen als taak in : 1. de zorg voor: e prediking van het heilig Evangelie, de bediening der heilige Sacramenten en wat verder tot den openbaren eeredienst behoort; 2. de herderlijke zorg voor hare leden tot opbouw in kennisse Gods en christelijken levenswandel; 3. de zorg voor de opleiding van de dienaren des Woords ; 4. de zorg voor de belijdenis, opdat het geloof der Kerk in hare symbolische en liturgische geschriften steeds zuiverder tot uitdrukking kome ; 5. de Zending, in het bijzonder in het Koninkrijk der Nederlanden binnen en buiten Europa ; 6. het onderhouden van betrekkingen met andere deelen van de Eene Algemeene Christelijke Kerk ; 7. het getuigen van den eisch, dien Gods gebod stelt ten aanzien van het leven van enkeling en maatschappij.
Bij allen arbeid, die namens haar verricht wordt, heeft de Kerk tot plicht te waken voor de eerbiediging van haar karakter als Kerk van Christus".
Over die artikelen 1 en 2 handelt het Rapport eerst.
Twee leden meenden, dat een belijdenisverklaring in een reglement of Kerkorde niet huis hoort. Maar dat was niet het eenige bezwaar. Men had tegen die artikelen als zoodanig, als belijdenis, ernstige bedenking. Eenerzijds vreesde men, dat er zou komen een belijdenis-Kerk. Men vond daarbij de uitdrukking „Gods Woord" vaag. Wat is hieronder te verstaan ? Wij hebben niet (aldus het Rapport) als de Roomschen, een gezaghebbende vergadering. De eene subjectieve gedachte zal tegenover de andere subjectieve meening komen staan. En wat in artikel 2 staat over „de zorg voor de belijdenis", doet weer vreezen voor een belijdenis-Kerk, leertucht enz.
Anderzijds kon een lid der Commissie de beide artikelen, althans in de tegenwoordige formuleering, ook niet aanvaarden ! „D oei der Kerk is : de verheerlijking van God. Middel is : de verkondiging van Gods Woord in overeenstemming met de Formulieren van Eenigheid, zoo noodig later door de gereorganiseerde Kerk, naar Gods Woord te herzien".
Zoo had men rechts en links bezwaren tegen deze belijdenisgrondslag en er was er niet één, die als verdediger optrad.
Dan komen de Huisgemeenten. De leden van de rapporteerende Commissie voelen wel voor huisgemeenten, behalve één lid, dat er niets van wil weten en hij wil niet meewerken tot het sanctioneeren van een gemeente in de gemeente, van een Kerk in de Kerk. De voorstanders redeneeren : „de Kerk verliest terrein en moet de kansen grijpen, die ze nog heeft, en daartoe kan van de huisgemeenten veel goeds verwacht worden. Ook kan de huisgemeente het terrein zijn voor wederaanknooping van vergane banden en voor kennismaking en waardeering". Het bezwaar, van het straffe presbyteriale standpunt uit opgebouwd, is niet erg belangrijk, vindt men. Christus boog zich óók over het formalistische kerkelijke heen naar wat buiten de kerkelijke ritus lag. Men vindt, dat in het voorgestelde aangaande de huisgemeenten de apostolische geest werkt! Maar dat de Sacramenten zullen ontbreken in de huisgemeenten, is een radicale fout. Het zal immers verscheiden huisgemeentenkringen juist om eigen bediening van de Sacramenten begonnen zijn.
Een lid is niet principieel tegen de huisgemeenten, maar heeft practische bezwaren. Bij hem komt de vraag op : Zal het doel worden bereikt ? Er zijn te veel voorwaarden noodig. De classicale Vergadering moet worden gehoord voor de Provinciale Synode ze kan erkennen en van het besluit van erkenning hebben de Classicale Vergadering en Kerkeraad beroep bij de Algemeene Synode. Maar ook is in de voorwaarde voor erkenning weer zeer vaag : „ernstige gronden". Wat is daaronder te verstaan ? Ook nog andere vragen. Als de commissie, die optreedt als Kerkeraad, eens weigert aanwezig te zijn bij de aanneming en bevestiging van lidmaten of bijzondere voorwaarden stelt ? Of als de Kerkeraad der plaatselijke gemeente weigert getuigschrift van goed zedelijk gedrag af te geven, want hier is art. 40 Regl. Godsdienstonderwijs van kracht, of de aangenomen lidmaten weigert in te schrijven ? Hoe moet het gaan, als een adspirant-lidmaat niet gedoopt is ? Immers de huisgemeenten hebben geen recht tot Doopsbediening. Hier blijven de oude moeilijkheden bestaan en is er weer kans op strijd, die des te heviger zal kunnen worden, omdat hij gestreden wordt binnen den kring der zelfde gemeente.
Ook hier dus rechts en links allerlei bezwaren.
Vervolgens wordt in het Rapport dan gehandeld over de breede Kerkelijke Vergaderingen.
»Allereerst komen aan de orde de Classicale Vergaderingen. Men acht dit van belang, zij krijgen meer beteekenis en ook de instelling van commissies voor bepaalde doeleinden vindt wel bijval, al komen er wel wat veel commissies. Men kan zeggen : er kunnen nu ook buitengewone Classicale Vergaderingen worden bijeengeroepen, maar daar komt niet veel van. Ook niet van het commissoriaal maken van allerlei zaken. Bovendien is de breede Classicale Vergadering nog wel iets anders dan de thans mogelijke buitengewone Classicale Vergadering. Hierin is te zien een krachtig pogen tot doelmatige aansluiting op het moderne leven. Toch waren er ook bezwaren tegen die breede vergaderingen, n.l. dat er allerlei niet direct kerkelijke arbeid werd ingeschakeld (Zending, Diaconie, Beheer, enz.). We hebben waarlijk al genoeg en er zijn menschen, die slechts voor één ding hoofd en hart hebben. Ook zijn de Classicale Vergaderingen te groot en over 't algemeen niet competent om tucht uit te oefenen. Een ander lid stemt daarmede in, maar acht ze ook te groot om allerlei andere opgedragen zaken uit te oefenen, als goedkeuring van reglementen en bepalingen, door Kerkeraden of ringen in het ressort gemaakt, de eventueele erkenning van nieuwe gemeenten enz.; de vestiging en opheffing van nieuwe predikantsplaatsen. Over 't algemeen genomen, gevoelt hij niet veel voor de regeermacht van groote vergaderingen, waar het bezonnen oordeel dikwijls wordt overstemd door hen, die door de macht van hun woord of persoon velen weten mee te sleepen in een bepaalde richting*.
Ook over de positie der Walen is gesproken.
»Zij worden teruggebracht tot ééne Classis, wat te begrijpen is in het ontwerp, maar worden weer als Classis gevoegd bij het Provinciaal ressort van Utrecht. Waarom bij Utrecht ? De toelichting zegt : om de centrale ligging van Utrecht. Dat is naar het oordeel van twee leden der commissie geen voldoende reden, want in den tegenwoordigen tijd met zijn verkeersmiddelen kan Amsterdam b.v. even gemakkelijk bereikt worden als Utrecht, en ook in de vergadering van de Synode, waar enkele jaren geleden de zaak der Walen besproken werd, werd op de samenvoeging met Noord-Holland aangedrongen, omdat daar de meeste Walen wonen en dan de stem der Walen nog eenige waarde heeft, meer dan in Utrecht. Bovendien is voor deze regeling nog iets te zeggen, dat Utrecht slechts 3 afgevaardigden zendt naar de Synode, waarvan één een Waal moet zijn, terwijl Noord-Holland er vijf zendt en dus nog 4 Ned. Hervormden overhoudt*.
Het Rapport had de volgende conclusies :
a. twee leden stellen voor het ontwerp, gecorrigeerd in zijn artikelen als is aangegeven in de bijgevoegde lijst, voorloopig aan te nemen;
b. één lid wenscht insgelijks voorloopige aanneming als alles, wat op leertucht betrekking heeft, uit het ontwerp verwijderd wordt en de Algemeene Provinciale Commissies het „vetorecht" krijgen ;
c. één lid wenscht voorloopige aanneming als artikel len2worden verwijderd en in een nieuw artikel de belijdenisgrondslag in de Kerk in overeenstemming met de drie Formulieren van Eenigheid tot uitdrukking komt en de huis gemeenten worden geschrapt;
d. één lid stelt voor het ontwerp te verwerpen. Men voelt het aankomen : dat zal wel verwerpen worden !
(Wordt voortgezet).

ONZE BELIJDENISSTRIJD (5
De Groningers of Evangelischen willen hun pleit winnen, door te zeggen, dat mannen als Wessel Gansfoort en Erasmus de echt nationale richting in de Hervorming der 16e eeuw vertegenwoordigen. De Gereformeerden of Contra-Remonstranten waren vreemdelingen en vertegenoordigden een buitenlandschen geest en waren anti-nationaal. Het Nederlandsche volk voelde rminiaansch en de Nederlandsche Reformatie moet niet gezien worden in Calvinistisch licht, maar is geweest in Erasmiaanschen zin.
Daarom hebben de Evangelischen als geestverwanten van Wessel Gansfoort en Erasmus, ook de oudste brieven en zijn zij de echt-nationale, echt-Nederlandsche protestanten !
De Reglementen der Ned. Hervormde Kerk moet men dan ook bij dat licht zien — zeggen de Groningers of Evangelischen. 't Moet in onze Hervormde Kerk gaan in den geest van Wessel Gansfoort en Erasmus, en niet in den geest van Calvijn en Voetius ; niet in den zin van de Synode van Dordt, niet in den zin van de Drie Formulieren van Eenigheid.
Wanneer men zoo wonderlijk omspringt met de geschiedenis, komt men ook gemakkelijk tot de wonderlijkste conclusies en de vreemdste stellingen.
Gewoonlijk komt men uit de Reglementen der Kerk aandragen met het volgende : in de Reglementen wordt eigenlijk niets van een bepaalde Kerkleer gezegd ; de belijdenis der Kerk is niet omschreven, en als men de vragen bij de bevestiging van nieuwe lidmaten, of ook wel de proponentsformule nagaat, zal men zien, dat het alles in de vrijheid staat; en daaruit moet nu worden opgemaakt wat de leer, wat de belijdenis der Kerk is !
Dat men de artikelen uit het Reglement op het Godsdienstonderwijs en uit het Reglement op het Examen zoo goed weet, zijn we al lang gewoon van Vrijzinnigen en Evangelischen !
Op het punt van het Algemeen Reglement en het Reglement van Opzicht en Tucht zijn ze minder goed georiënteerd. En artikel 11 (vroeger art. 9) van het Algem. Reglement slaat men liever maar over — dat is ook wèl zoo gemakkelijk !
Als men nu eens moeite wilde doen om heel onze kerkelijke situatie, met name wat de belijdenis der Kerk aangaat, historisch, maar dan zoo zuiver mogelijk, te belichten ! De historie van de Reformatie der 16e eeuw en de gebeurtenissen van 1816, met de later gemaakte reglementsbepalingen, dan zouden we beter tot de waarheid der dingen kunnen komen !
Want de nationale, Nederlandsche Reformatie in de 16e eeuw is niet geweest de liberalistische, maar de Gereformeerde ; niet de Remonstrantsche, maar de Calvinistische.
Men kan het goed vinden of niet, maar de historie zegt en leert ons, dat hier in Nederland, in de Vaderlandsche of Gereformeerde Kerk, de Dordtsche Synode van 1619/'19 de Gereformeerde Kerkleer heeft bevestigd (ze was er reeds en is toen bevestigd) en nader vastgesteld. En de Nederlandsche Hervormde of Gereformeerde Kerk heeft zich gebonden geweten in heel het kerkelijk leven, in belijdenis, Kerkorde, liturgie, leerboek. Sacramentsbediening enz. enz., aan de Gereformeerde Kerkleer.
Niemand, die voor de geschiedenis eerbied heeft, zal dit kunnen, durven en willen tegenspreken. Feiten zijn feiten, zoowel voor den rechtzinnige als voor den vrijzinnige. Niet de Remonstrantsche, maar de Gereformeerde Kerkleer is hier de nationale leer geweest.
Maar dan komt de 19e eeuw met de wonderlijke gebeurtenissen van 1816. En dan zegt men zonder eenig bewijs : de Synode van 1816 heeft alles omgezet en heeft de echte nationale leer van Wessel Gansfoort en Erasmus bedoeld en voorgeschreven. En ja, als dat waar is, dan is men klaar ! Dan kan men met een gerust geweten zeggen : „Goed, sinds 1816 heeft de Ned. Hervormde Kerk een bepaalde belijdenis en Kerkleer ; — maar de Kerkleer van 1816 is een heel andere dan de Kerkleer van 1618 ; nu hebben wij niets meer te maken met de Synode van Dordt; we leven nu onder de Synode van 1816 en daaronder leven v/e i n de vrijheid!" Maar (en dat weet men heel goed) in de Synode van Dordt sprak de Nederlandsche Gereformeerde Kerk, in samenstemming met het Gereformeerd Protestantisme van Europa en in de Synode van 1816 (welke geen Synode was en nooit Synode is geworden) sprak de Overheid. De Synode van 1816 is een Staatscreatuur, dat in strijd was (en is gebleven) met het wezen, met het leven, met het recht der Kerk.
En sinds zijn allerlei reglementsbepalingen gemaakt, maar niemand kan en mag
beweren, dat er toen een Kerkleer, een belijdenis der Kerk is gemaakt! Geen Vrijzinnige, geen Evangelische, noch iemand anders mag dat zoo voorstellen ; want men weet beter. Men moet niet spelen met de historie en moet de waarheid en de werkelijkheid niet loochenen.
In 1816 hebben we het Staatscreatuur, dat men valschelijk Synode noemde, gekregen ; we hebben gekregen tal van reglementen en reglementsbepalingen ; maar we hebben in 1816 niet een belijdenis der Kerk gekregen. Want die was er, en die heeft men als zoodanig onaangeroerd gelaten. Statig en plechtig is dat een-en andermaal, zelfs van Staatswege, namens den Koning, verklaard. De Kerkleer bleef ; de belijdenis der Kerk bleef onaangetast; men kon gerust zijn ! En de Synode was volstrekt niet ingesteld om de belijdenis der Kerk te veranderen. Integendeel, elk bestuurslid moest een voorstander van die belijdenis zijn en die leer der Kerk bewaren en verdedigen, zorg dragende dat die Kerkleer niet geschonden werd, nooit, nergens, door niemand !
Wat wèl gebeurd is ?
In de laatste honderd jaren zijn allerlei bepalingen gemaakt, die klaarlijk de bedoeling hebben om knoeiers den weg te wijzen. Zij, die zelf eigenlijk geen voorstanders van de leer der Kerk waren (en dikwijls huichelen moesten) hebben niet stil gezeten om hun geestverwanten tegemoet te komen en te helpen en bij te staan, om, onder den schijn van de leer te eerbiedigen, met de leer der Kerk te kunnen knoeien ! Met knoeiers moet men knoeiers helpen, zooals men dieven met dieven vangen kan en stroopers met stroopers. Die kennen zelf de streken, die worden uitgehaald en kunnen prachtig dienst doen op dit terrein.
Voor knoeiers zijn die reglementsbepalingen.
Laat ons een voorbeeld noemen. Bij het doen van belijdenis moeten drie vragen gesteld worden in trinitarischen zin, met de belijdenis van een Drieëenig God, Vader, Zoon en Heiligen Geest ten grondslag, wat heelemaal naar den geest en den aard en het wezen en de hoofdzaak is van de Kerkleer, van de belijdenis onzer Hervormde Kerk.
Maar omdat er knoeiers zonder tal zijn in onze Kerk, wat deze fundamenteele belijdenis van een Drieëenig God betreft, hebben de knoeiers de knoeiers geholpen en is men komen aandragen met de woorden : „althans wat den geest en de hoofdzaak betreft". Voor een klein kind is het duidelijk, dat dus de geest en de hoofdzaak bewaard moet blijven, maar de knoeiers hebben die woorden er in gebracht om den geest en de hoofdzaak behendig over boord te kunnen werpen. Van een Drieëenig Goddelijk Wezen in den zin van, naar den geest van, naar den aard van onze kerkelijke belijdenis, moeten ze immers niets hebben !
En dat is nu het onwaarachtige in de geschiedenis van de laatste honderd jaar van onze Ned. Hervormde Kerk, dat men met een schijnheilig gezicht zegt: de Hervormde Kerk heeft een belijdenis en die Kerkleer moet bewaard blijven en geëerbiedigd worden — terwijl men aan den anderen kant zegt: onze Hervormde Kerk heeft geen belijdenis, want ieder is vrij naar z'n eigen overtuiging te gelooven en te handelen, waarbij men zich dan beroept op de reglementsbepalingen, welke we zooeven noemden.
Wil men echter een beroep doen op de geschiedenis der Ned. Hervormde Kerk, dan is het boven alle twijfel verheven, dat haar leer, dat de kerkelijke belijdenis, begrepen is In de Drie Formulieren van Eenigheid. Of wil men een boom opzetten over de Vijf Leerregels van Dordt, met gebruik te maken van de politieke omstandigheden dier dagen — goed, dan willen wij voor 't oogenblik die Vijf Leerregels van Dordt buiten beschouwing laten ; maar dan wascht ook het water van de zee niet af, dat de historische, eenig wettige belijdenis der Ned. Hervormde Kerk is : de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en de Heidelbergsche Catechismus, waarbij de kerkelijke liturgie komt in de formulieren van Doop en Avondmaal ; waarvan geest en hoofdzaak bewaard moet worden, ook door de knoeiers; waarvan ook de knoeiers, na 1816, aard en wezen niet mogen loochenen of schenden.
Wil men lid van de Hervormde Kerk zijn, dan moet men met haar belijdenis instemmen en mag men de fundamenteele stukken der Kerkleer geenszins loochenen of krachteloos maken
Over dat loochenen en krachteloos maken der fundamenteele stukken onzer Hervormde belijdenis een volgend maal nog een en ander.
(Wordt voortgezet).

MET TEKSTEN GOOIEN.
Zoo juist krijgen we een circulaire toegezonden, onderteekend en wel, als een gedrukt stuk in enveloppe, handelend over het leven en het nietsterven van degenen, die in Christus gelooven.
Deze circulaire staat vol teksten, ongeveer 40 in getal, de Schriftuurplaatsen nauwkeurig aangegeven.
En toch is deze circulaire zoo onschriftuurlijk mogelijk.
Dat doet ons de verzuchting slaken : och, laat men toch niet met teksten gooien ! Want zoo verkoopt men de grootste onzin. Wat moeten menschen, die niets van de Schrift willen weten, van zoo'n betoog nu denken ? Wat moeten degenen, die de Schrift liefhebben, nu voor conclusies trekken ?
Laat men toch Schrift met Schrift vergelijken en er naar staan om met een geheiligd hart, onder de voorlichting des Heiligen Geestes, Gods Woord recht te verstaan. Dan gaat er een heerlijk licht op. Dan kunnen de eenvoudigen Gods Waarheid verstaan, om er leering en troost uit te putten. Terwijl het anders een warwinkel wordt, waar allerlei dwaasheden verkocht worden. Men spreekt zoo dikwijls over „Gods Woord" — terwijl men bezig is er zelf maar wat van té maken.
Het is de worsteling van de Kerk van Christus om het Woord recht te mogen verstaan en recht te verkondigen, waarbij telkens oude en nieuwe schatten zullen voortgebracht worden, uit het oude en nieuwe Verbond tesaam.
En het middelpunt en hoogtepunt zal altijd dan weer zijn: Jezus Christus en die gekruisigd, dwaasheid voor degenen die verloren gaan, wijsheid en vrede voor degenen, die van God geroepen, in Hem mogen gelooven als hun Heiland en Zaligmaker, „naar de Schriften".
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's