KERKELIJKE RONDSCHOUW
VERWORPEN (4).
Maar dat verwerpen gaat zóó maar niet. Ook al staat het vast, dat het komt, zoo wil de Synode zelve daarover natuurlijk ook nog praten. En al de leden krijgen hun beurt, 19 in getal, benevens de prae-adviseurs zijnde de twee kerkelijk hoogleeraren (prof. Brouwer en prof. van Velhuizen) en de secretaris der Synode (ds. den Breems).
Laat ons van die discussie.hier iets overnemen.
De President dr. J. G. Weyland begint. Hij geeft een overzicht van de massa brochures enz. die in betrekking tot de zaak geschreven zijn, pro en contra, en spreekt groote waardeering uit voor het werk van „Kerkopbouw". De arbeid — zegt hij — is van zoodanigen aard, dat er groote liefde uit blijkt voor de Kerk welke wij dienen. Ook wanneer de Synode het voorstel niet ter overweging mocht geven aan de Class, vergaderingen en aan de Prov. Kerkbesturen, (de president spreekt hier dus niet van goedkeuren of afkeuren, maar van „ter overweging geven aan enz.") dan zou zulks niet mogen worden toegeschreven aan gebrek aan waardeering voor dezen nobelen arbeid.
Voorts herinnert hij aan de mededeeling van prof. dr. Wagenaar in „Kerkopbouw" van Mei 1934, dat het ontwerp één geheel is. Men kan en mag er geen onderdeelen uit naar voren schuiven of uit verwijderen. In zijn samenhang moet het onaangetast blijven.
Dit laatste wordt bevestigd door prof. Brouwer, die nu als prae-adviseur het woord verlangt en in een uitvoerige rede de verschillende hoogtepunten waarom het hier gaat in het licht stelt.
Evenals prof. Haitjema bij het voorstel van „Kerkherstel" prae-adviseur was en als verdediger kon optreden, zoo was nu door bijzondere omstandigheden prof. Brouwer in de gelegenheid het voorstel van „Kerkopbouw" toe te lichten en te verdedigen, waarbij hij telkens rekening hield met het rapport der Synode, dat te voren aan de leden ter hand gesteld was. Ingaande op de argumenten daarin neergelegd .
De tweede adviseur, prof. dr. A. van Veldhuizen, heeft ook lof voor het werk en bedoeling van het ontwerp. Hij heeft echter zeer groote bezwaren :
1e. de aanhef van het ontwerp in de Art. 1 en 2. De doelstelling is of men te doen heeft met statuten, die moeten opgesteld worden voor een aanvrage bij den Staat om rechtspersoonlijkheid. Dit is in een kerkenorde niet op zijn plaats.
2e. heeft hij groot bezwaar tegen de term en uitdrukking „huisgemeente". Men wil dit verdedigen met te wijzen op de huisgemeenten in het Nieuwe Testament. Dat waren gansch andere inrichtingen. Toen waren zij bewijs van nieuw leven, dat te midden van den dood en de duisternis van het heidendom ontstond. Nu zou het wezen een vastleggen van een toestand, waartegen de apostel Paulus toornt: Ik ben van Paulus, ik ben van Cefas en ik ben van Christus ;
3e. is zijn grief, dat het ontwerp zich noemt presbyteriaal, maar dat het ten slotte uitloopt op een moderator, die ten slotte een alregeerder wordt, 't is meer episcopaal dan presbyteriaal.
Hij wijst er op, dat Christus zich niet gewend heeft tot de massa, maar juist tot het individu.
Hij adviseert, dat Kerkherstel en Kerkopbouw nog eens deugdelijk en ernstig met elkaar spreken en overleggen om tot eenheid te komen, 'n Gunstig teeken ziet hij in de benoeming van den nieuwen hoogleeraar, die van beide vereenigingen lid is. Wie had het ook kunnen denken voor enkele jaren, dat beide vereenigingen al zoo dicht bij elkaar zouden staan.
Ook de secretaris ds. den Breems heeft waardeering voor het werk van Kerkopbouw, alsmede voor dat van de commissie van rapport. Ook hij heeft bezwaren tegen art. 1 en 2, die niet thuishooren in een Kerkorde ; verder gaat zijn bezwaar tegen het instituut huisgemeenten, dat een reglementeering is van den richtingsstrijd. Welk een verzet zal het werken bij de kerkeraden, maar ook bij de „minderheden", als zij gedwongen worden bij den predikant van de „cultusgemeente" hun kinderen te moeten laten doopen.
Hij hoopt ook, dat de beide vereenigingen tot elkaar zullen komen en daaruit zal geboren worden een voorstel dat tot heil der Kerk zal wezen.
Als de Kerk zelve niet bij machte is een aannemelijk voorstel te concipieeren vermag ook de Synode niet iets te geven dat voldoening zal schenken. Daarom hebben „Kerkopbouw" en „Kerkherstel" hier een bijzondere taak, om tot overeenstemming te komen en daarin de Kerk te dienen.
Van de vier conclusies van het rapport kon ds. den Breems geen enkele aanvaarden.
De vice-president dr. P. Smit van Heumen, die zelve lid was van de commissie van rapport, was van oordeel, dat het voorstel in z'n geheel aan 't oordeel der Kerk moest onderworpen worden.
Vervolgens is het woord aan de leden der Synode. De eerste spreker is de heer Sneep, ouderling te Numansdorp. Deze heeft reeds viermaal moeten beslissen over reorganisatie-bedoelende voorstellen. Hij heeft tegen dit voorstel ernstige bezwaren, maar, omdat hij vurig voorstander is van reorganisatie en hij wenscht, dat dit ontwerp ook komt in de classicale vergadering, wil hij sommige bezwaren in deze vergadering niet behandelen. Hij kan echter onmogelijk medegaan met het instituut huisgemeenten, dat zou leiden tot grenzelooze verwarring en dat op felle tegenstand in de Kerk zal stuiten.
Spreker dient in dien geest een amendement in. Ds. V. d. Kieboom van Bergen (N.-H.) speurt in 't ontwerp een apostolischen geest. Hij zou gerust zijn als de Kerk zoo velen telde als prof. Brouwer is. Spreker wil, wat er in staat over leertucht er uit hebben. Hij vindt veel waardevols in het ontwerp dat ook bedoelt het individualisme te breken en naar eenheid te streven.
Hij is voorstander van huisgemeenten. De Duinoordkerk heeft velen, die van de Kerk vervreemd waren weer tot haar teruggebracht. Spreker vindt de tegenstand daartegen klein. Hij wil breeder zien. Hij wil ook de „Walen" gehandhaafd zien in hun tegenwoordige toestand. Hij is geen enthousiast voorstander van het ontwerp, maar wil gaarne het oordeel van de Kerk hooren. In beginsel is hij een voorstander van reorganisatie, omdat hij deze noodig vindt bij de huidige bestuursinrichting.
Ook ds. Addink heeft vooral bezwaar tegen de huisgemeenten. Ook de „Moderator" is allesbehalve Nederlandsch. De geheele opzet van dit ontwerp strijdt met onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis en Catechismus.
Ds. Den Hollander, van Amersfoort en lid van de rapporteerende Commissie, zet in een uitvoerige rede zijn standpunt uiteen. Ook hij zou de artikelen 1 en 2 en het instituut der huisgemeenten willen wijzigen. De beide artikelen, welke naar de belijdenis verwijzen, behooren in dit reglement niet thuis. Hierdoor zal veel verwarring en strijd ontstaan. En wat de huisgemeenten betreft, dit instituut tast de eenheid der gemeente deerlijk aan en behoort niet thuis in een presbyteriaal-Synodale Kerkorde. Ook heeft spreker weinig sympathie voor het inschakelen van allerlei buitenkerkelijken arbeid. Met het oog op deze bezwaren stelt spreker eenige amendementen voor, terwijl hij zich tenslotte ook verklaart tegen opheffing van het z.g.n. „veto-recht". In elk geval zou spreker het destijds verworpen reglement van Kerkherstel niet willen enten op dit ontwerp.
Daarna is het woord aan den heer J. Boonstra, wiens advies gedeeltelijk aan het ontwerp ten goede komt. Hij vindt n.l. de „huisgemeenten" een gelukkige gedachte, welke plaats laat voor de verwachting van groote mogelijkheden. Vooral intellectueelen en arbeiders zullen daardoor weer aan de Kerk verbonden worden. Maar zijn groot bezwaar is gericht tegen de „leertucht"bepalingen van het ontwerp. En ook hij wil het veto-recht behouden.
Ds. Van Zwet, van Almelo, wil het voorstel aan de Kerk voorleggen, om haar oordeel te hooren.
De heer Van Capellen, van Walsum, ouderling te Velp, vindt veel goeds in dit ontwerp, maar is tegen de huisgemeenten. Als er weer een Christus-belijdende Kerk is, vervalt toch de hulsgemeente.
Een pleidooi voor de Waalsche gemeenten wordt gehouden door de afgevaardigden mr. Tijssens en ds. Brandligt. Kerkopbouw wil n.l. weder, ouder gewoonte, deze gemeenten vereenigen tot een enkele Classis onder het provinciaal ressort van Utrecht. Zij protesteeren met een beroep op de geschiedenis tegen deze verkrachting van de rechten der Waalsche Kerken in Nederland.
In verband hiermede stelt de president in het licht, dat indeeling van die gemeenten onder provinciaal ressort kerkrechtelijk en practisch tot de onmogelijkheden behoort, hoezeer zulks door prof. Brouwer wordt ontkend.
Ds. Van Krevelen aan de Kerk voorleggen. wil ook het ontwerp
Ds. Tammens; onder den indruk zijnde van het woord van prof. Brouwer, blijft toch bij zijn gevoelen, in het rapport uitgesproken. Hij kan niet toegeven, dat de tegenwoordige organisatie gefaald heeft en de oorzaak is van de onkerkelijkheid. Het komt niet aan op den vorm, maar op den geest, die in de Kerk heerscht. Wij hebben noodig een andere geest, een geest van afhankelijkheid en gehoorzaamheid aan God. Hij is tegen groote vergaderingen. Het blijkt telkens, dat kleine goed en degelijk en vruchtbaar werk leveren. Hij is tegen het opheffen van het vetorecht der Provinciale Kerkbesturen, de Synodus contracta en de cassatie. Bovendien blijven brandende kwesties, zooals die van de regeling van het beheer, schier onaangeroerd.
De President is het in vele opzichten 'eens met den heer Tammens. Wat heeft de Synode niet dikwijls getoond midden in het volle leven te staan! Hij wijst op Kinderzorg, Schippersraad, op allerlei stichtingen, welke van de Kerk uitgaan, als Valkenheide, Zon en Schild, Zonnegloren en andere. Velen spreken anderen smalend na over de Synode en minachten, wat zij doet en zijn blind voor den zegen, dien velen nog in de Kerk genieten. Zulk afbreken van het werk der Kerk maakt geen goeden indruk op de buitenwereld. Bovendien wijst hij op enkele, naar zijn meening ondoordachte bepalingen, in het ontwerp. Daartoe behoort de instelling van een Synode in het tweede zittingsjaar, welke niet het gewone werk zal verrichten. Ook komt de arbeid der Algemeene Synodale Commissie in 't gedrang. Wat de regeling van de tucht betreft, heeft men slechts enkele veranderingen aan kunnen brengen, en deze zijn, naar zijn gevoelen, geenszins verbeteringen. Ook wijst spreker op den z.g.n, „moderator". Zulk een man moet als een „rara avis" worden beschouwd. Hoe hem te vinden ? En hoe hem te vervangen ?
Prof. Brouwer dankt voor den goeden toon, die ook bij de bestrijders van het ontwerp gehoord werd. Hij vindt een moderator niet een soort bisschop, maar een element van samenbinding. Hij verdedigt de tucht en alles wat daarmede samenhangt. Spreker vindt dat door het instellen van vele commissies de belangstelling in de Kerk en haar leven zal toenemen. Wat het beheer betreft, daarop heeft Kerkopbouw wel degelijk gelet, maar de groote kwestie van het beheer is opzettelijk buiten dit ontwerp gehouden. Spreker deelt ook mede, dat er steeds contact Is gezocht met Kerkherstel, dat men vele wenschen opgegeven heeft en veel van Kerkherstel heeft overgenomen, om tot reorganisatie te komen.
Men kan nu niet verder gaan.
Naar sprekers gevoelen moeten wij ons wèl bezinnen, alvorens het ontwerp af te wijzen in dezen tegenwoordigen tijd.
Het voorstel in stemming.
Na de pauze wordt tot stemming overgegaan. De President brengt eerst in stemming het Ontwerp, zooals het is ingediend. Het wordt verworpen met 14 stemmen tegen en 5 voor. Daarna wordt gestemd over de vraag of men een geamendeerd Ontwerp aan de Kerk zal voorleggen. Met 10 tegen 9 stemmen wordt deze vraag ontkennend beantwoord.
De stemmingen waren geen partij-stemmingen, maar gemengd. De president en ds. Tammens b.v. hielden samen de voet strak ! Niet te vergeten ook de beide Walen ! Het Ontwerp komt dus niet in de Classicale Vergaderingen.
Vóór het in zijn geheel brengen van het Ontwerp onder het oordeel der Kerk, hebben gestemd de heeren prof. Brouwer, dr. P. Smit, v. d. Kieboom, Van Krevelen, Van Zwet en Jakobs. De vraag, of het Ontwerp met amendementen aan het oordeel der Kerk zal worden onderworpen, werd ontkennend beantwoord door 10 leden. Er vóór verklaarden zich de heeren Van Capellen, Van Walsum, Sneep, Van den Kieboom, Mulder, Den Hollander, Van Krevelen, Van Zwet, Boonstra en Jakobs.
Een schrijven van mej. A. Kromsigt, in verband met de noodzakelijkheid van reorganisatie der Ned. Hervormde Kerk, wordt, met waardeering van de goede bedoeling, voor kennisgeving aangenomen.
Is nu de zaak van de reorganisatie der Kerk van de baan ?
Natuurlijk niet. Dat kan niet.
Opnieuw zal de hand aan de ploeg moeten worden geslagen.
HET VERSCHIL TUSSCHEN DE OPENBARE EN DE CHRISTELIJKE SCHOOL.
Een mensch is nooit te oud om te leeren. Daarom willen we hier even iets uit „de oude doos" halen, wat misschien ieder nog niet weet. Men kan ook niet alles weten ! In 1866 bracht een der oudste liberale Leden der Staten van Friesland bij het debat over schoolgeldheffing op de Openbare School, het volgende ten gehoore :
»Wanneer ik de aanvallen hoor van de voorstanders der secte-scholen op de openbare lagere school, dan doemen altijd voor mijn gezicht twee beelden op. Dan zie ik de levenslustige dagvlinder, die haar wiekjes vroolijk uitslaat en zich verheugt in het licht, dat van Gods hemel straalt. En dan zie ik tegelijk de sombere nachtkapel, die de schemering liefheeft en onvermoeid bezig is met kleine wolkjes te blazen, in de hoop dat die zich zullen zamenvoegen en als een grote wolk onder de zon drijven, om de dagvlinder het licht te benemen. Ik zie dan in deze beide beelden de openbare lagere school en de bijzondere secte-school, de openbare school, waarin alles licht en leven is, en waar het onderwijs wordt dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling der verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne opleiding tot alle christelijke en maatschappelijke deugden, zonder iemand, van welke godsdienstige gezindheid hij zijn moge, aanstoot te geven ; en de bijzondere secteschool, waarin een sombere en droefgeestige stemming heerscht, en waarin niet zelden wantrouwen, verachting en haat tegen belijders van andere godsdienstige gezindheden worden aangekweekt«.
Toen „de geachte afgevaardigde" zoover was, riep de Voorzitter hem tot de orde, met de nuchtere opmerking, dat „de schoolgeldheffing" aan de orde was
't Hart was intusschen gelucht. En omdat de speech op papier stond en het lied nog niet uit was, ging „de geachte afgevaardigde" na een oogenblik rust weer verder. Want als men zooiets moois gemaakt heeft en op papier gezet, dan steek je zooiets moois maar niet dadelijk weer in je zak.
We geven dit maar even door — zooals wij het vonden in het „Correspondentieblad van de Vereeniging van Chr. Onderwijzers en Onderwijzeressen (10 Jan. '35). We maken zelf liefst maar geen toepassing, 't Hoeft ook niet. Ieder die het leest kan en zal het zelf wel doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's