De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

9 minuten leestijd

Zie het Lam Gods, dat de zonde der der wereld wegneemt. Johannes 1 vers 29.

Het gevaar is verre van denkbeeldig, dat wij in dagen als de onze, waarin zooveel vreeselijke en ontzettende dingen gebeuren, onze aandacht geheel zouden geven aan de klanken, welke ons worden toegevoerd uit het kamp dezer wereld.
't Is lang niet onmogelijk dat onze aandacht daardoor momentelijk meer werd gespannen dan gewoonlijk geschiedt. En toch zal ik dit niet doen. Ik wensch liever gehoor te geven aan de stille bede, welke opklinkt uit het waarlijk zoekend gemaakte hart, van deze of gene zondaar, die uitziet naar eén woord van vertroosting en heil, in Christus Jezus gelegen. Aan deze wensch geef ik onmiddellijk gehoor. Onze sprake zal zijn van een Koning, en wel van Hem, van Wien de dichter zegt, dat Hij veel schooner is dan de menschenkinderen. Dat er genade is uitgestort op Zijne lippen.
Waarin deze schoonheid is gelegen en wat dat voor heerlijks in heeft, dat er genade drupt van Zijne lippen, kunt ge u nooit schooner zien toegelicht dan in wat ik eens heb gelezen.
Twee gezusters woonden tezamen. Zij hadden, zooals de volksmond vaak zegt, alles wat haar hart begeerde. Eén ding was er, dat schortte. Eén van haar diende de zonde, volop. Zy zocht haar ledig hart te lesschen aan de vuile bron dezer wereld. Hoe menige bede van de andere ook was opgezonden, het scheen alles te vergeefs.
Daarin kwam gelukkig een keer.
Wilt ge weten hoe, op welke wijze ? Luistert eens naar het gesprek, dat gevoerd werd tusschen die beide zusters.
De eene, in wier harte de Heere had gewerkt, begon ongeveer in deze woorden : „Ge moest eens met me meegaan. Daar komt een prediker, die zoo buitengewoon innemend spreekt, dat ge 't me straks zelve ziüt toegeven: zooiets hoorde ik tot nu nergens".
Het antwoord hierop kwam in deze vorm : het schoonste kleed werd aangetrokken, de meeste zorg aan haar uiterlijk besteed. Zij zou onder de hoorderessen ook haar plaats innemen. zy gaat.
Weet ge, wie de prediker was ? 't Was de Heere Zelf. 't Verhaal n.l. is ontleend aan de dagen van 's Heeren omwandeling op aarde.
Hij kwam. En hoe zij den Heere daar nu zag en aanschouwde, kan niet beter worden weergegeven dan met de woorden van het Hooglied : alles wat aan Hem is, is gansch begeerlijk. In minder dan geen tijd was haar hart en haar oor zoodanig in boeien gelegd, dat zij van heel 'hare omgeving zoo goed als niets meer merkte. Zij zag in waarheid niets meer dan den Heere alleen. Hij had haar ziel gevangen genomen.
Eén ding drong zich steeds meer aan haar op en dat was de begeerte : Och, dat ik Hem persoonlijk eens mocht ontmoeten ; dat ik mijn hart eens voor Hem mocht ontsluiten.
Wilt ge het nu weten, waarover Hij predikte ?
Over het verloren schaap, dat in de schaapskooi op sterke armen wordt ingedragen. De goede Herder, Die zijn leven stelt voor Zijn schapen. Onze tekst past geheel in deze omgeving: „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt".
Wien dit woord op de lippen werd gelegd door den Geest des Heeren, mag ik als bekend veronderstellend. Dit was de wegbereider des Heeren, Johannes de Dooper.
Hoe deze stond ten opzichte van den Heere, is ook bekend. Als de Farizeën en de Schriftgeleerden hem de vraag voorleggen : „wie hij is", dan bant hij allen twijfel: „ik ben de Christus niet. Ik ben de stem des roependen in de woestijn. Ik ben de vriend des Bruidegoms. Ik doop met water, maar Hij staat midden onder ulieden. Dien ge niet kent, Die doopt met vuur en met den Heiligen Geest".
„In schijn komt Hij na mij, in werkelijkheid gaat Hij mij voor. Ik vorder dan ook voor mij geen hoogere eere dan de dienstknecht te mogen zijn, die de komst van zijn Heer komt melden. Ik ben niet waardig om Zijn schoenriem te ontbinden".
Is dat niet het allerschoonste kleed, waarin ooit een dienstknecht des Heeren kan verschijnen ? Hij vraagt voor zichzelf hoegenaamd geen eere ; deze komt alleen zijn Vorst, dat is den Christus, toe.
Degenen, die tot Johannes gekomen waren om van hem zelven te hooren, wie hij was, behoefden dus niet meer in dubio te zijn. De Christus Zelf staat op het punt te komen — zoo luidde de boodschap.
En hierin vergiste Johannes zich niet. Nauwelijks heeft de heraut Zijn komst gemeld, ternauwernood is het over zijn lippen: „Hij komt,  of daar staat de Heere Zelf. Och, Hij laat zich geen oogenblik wachten.
Ge leest het dan ook : „des anderen daags zag Johannes Hem".
De Heere laat Zijn dienstknechten die zoo van Hem spreken, die zich zelf zoo geheel op den achtergrond houden, geen moment op Hem wachten. Dan treedt Hij Zelf uit.
Nu mag de wijsvinger zich richten : „zie, daar is Hij. Daar staat Hij. Dien gij te voet moogt vallen, van Wien al uw heil mag worden ingewacht, de Verlosser, in eigen persoon. Zie het Lam Gods".
Uit de woorden, waarmede Johannes, en met dezen, elke dienstknecht des Heeren den Heere Christus aan Zijn volk voorstelt, wordt ons in teekening gebracht wie de hoorders zyn, tot wie deze blijde boodschap wordt uitgedragen.
Hier wordt niet gezegd : zie uw Koning Israël, ziet den man, die u zal vrijmaken, want dan rees onmiddellijk de gedachte van het vrijmaken van het gehate juk van den overheerscher.
De Christus Gods wordt hier voorgesteld onder den veelzeggenden titel „Lam Gods"
Welke gedachte hierin voorzit is duidelijk. Dat is de boodschap tot wie naar verzoening hebben leeren vragen.
Dat verstaat de heilbegeerige.
In heel het Woord staat dit op den voorgrond. Denkt maar eens aan Jesaja 53. Hier wordt Hij genoemd het Lam, dat om de zonde Zijns volks ter slachting wordt geleid. Daar ging toch geen één dag voorbij waarop niet een lam werd ten offer gebracht. Zou daar een Jood zijn en dit niet weten ? Elk lam wees heen naar den Christus.
Vandaar was deze prediking van Johannes zoo klaar.
De Christus heet hier het Lam.
Hier is geen misgrijpen mogelijk. Buiten Hem blijft er geen offerande over. Wie dit onrein acht, wie dit achteloos voorbijgaat, wie hierop de schuldige hand niet laat zinken — immers zoo deed ook elke priester wanneer hij het lam ten doode wijdde — voor dien is er geene verzoening.
Het Lam.
Daar gaat op zich zelf reeds eene prediking uit geweldig in aangrijpendheid van dit ééne woord : het Lam.
Laat het u nog sprakeloos, lezer ?
Op den grooten verzoendag, op het feest, werd een lam geslacht, dat vooraf door den Hoogepriester was gewijd. Dan werd heel het volk opgeroepen : „zie toe, Israel, wat gij doet met dit lam. Zal het uwe zonden dekken ? "
Ziet op dit feest, worde het ieder lid van de Gemeente van Christus toegeroepen, in dit bloed alleen wordt uw schuld gedelgd. Evenzoo is de prediking van den weggaanden bok, van dat lam, , dat in de wildernis werd weggestoóten. Op het hoofd van dat dier was de zonde gelegd. In levende taal wordt hier uitgebeeld wat de Apostel Paulus zegt in een van zijn brieven : „want Hij, Die geen zonde heeft gekend, heeft God tot zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
Christus enkel zonde, opdat de gerechtigheid in Hem gevonden gelden zou voor wie niets overhield dan zonde en schuld.
Zie daarom heet Hij ook een Lam. Een lam toekent enkel schuldeloosheid. Een lam draagt het meest volkomen beeld van teederheid, zachtheid, weerloosheid.
De Profeet zegt: Hij zal Zijn mond zelfs niet opendoen.
Lezers, welk een aanlokkelijk beeld wordt ons hier van den Christus gegeven, 't Is enkel lokking. Dat zachte oog, dat niet verwijt. Die wegsmeltende stem, waardoor geen enkele bange en bloode zondaar zal verschrikken, 't Is in dit woord : „Lam Gods" reeds ingeweven „komt allen tot Mij, die vermoeid en beladen zijt, en Ik zal u ruste geven". Ik ben het Lam Gods. Nooit of te nimmer kwam over Mijne lippen één hard woord tegenover één zondaar, die verlegen was met zijn zonde. Wel heeft het „wee u" van Zijn lippen geklonken, doch dan gold het den Farizeër, nooit een zondaar, wiens ziele schreide o^m verlossing.
Lezer stel u eens voor, dat hier stond in plaats van „Lam Gods", de Leeuw Juda's, welk een totaal andere indruis zou hierdoor worden gewekt. Het Lam predikt onschuld en lijdzaamheid, overgave zonder het minste verzet.
Kan op dit Evangelie iets worden afgedongen ? Zoudt ge hierin één trek willen zien gewijzigd ?
Zoo neen, vindt gij het met mij onovertroffen schoon, zoo wil ik uw aandacht vestigen op wat tot het hoogste punt der volkomenheid u zal voeren. Wanneer ik het u zeg, zult ge het mij moeten toegeven, dit voert tot de hoogste top. Christus de Heere wordt hier genoemd het Lam Gods.
God heeft het gegeven.
Luistert maar. Wat ge u hier ziet voorstellen klopt precies met wat ge leest in Johannes 3:16: Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe."
In den regel bracht degene, die kwam om te offeren, het offerdier mee. Dan zou, naar ons zeggen de mensch de gelegenheid ontvangen Gode iets aan te bieden.
Doch nu heeft hier het omgekeerde plaats. God komt met het offer.
Hier treedt de Allerhoogste, de Heere Zelf naar voren met het offer in Zijn hand. Hij geeft een volmaakt offer. Van dit offer heeft Gods eigen mond getuigd : Ik heb in dit mijn welbehagen. God geeft in dezen Zijn Eengeboren Zichzelf voldoening.
Het Lam Gods.
O heerlijk getuigenis. Wie het met dit Lam waagt, wie niets en niemand overhoudt dan deze gave Gods, dezen Christus, die heeft de volle zekerheid van zijn behoud. God vraagt niet anders dan wat van Hem is. Hij vraagt niets van het schepsel. Vroeg Hij iets, zoo was het voor altijd afgesneden. Doch nu geldt: zie het Lam Gods.
Lezer, eene vraag wil ik nog doen. Hebt gé dat Lam Gods al eens gezien, gezien in Zijn schoonheid ?
Hij is schooner dan de menschenkinderen. Genade is uitgestort op Zijn lippen.
Hebt ge deze genade al eens geproefd ?
Zalig, driewerf zalig die het met den Dichter mag belijden :
In God is al mijn heil, mijn eer. Mijn sterke rots, mijn tegen weer.
(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's