DE INSTITUTIE VAN CALVIJN
EERSTE BOEK.
[Kort Overzicht].
OVER DE KENNIS VAN GOD, DEN SCHEPPER.
HOOFDSTUK IX.
De openbaringen der geestdrijvers, die zij stellen in de plaats van de Schrift.
1. Die de Schrift verwerpen en denken, dat zij langs een anderen weg tot God kunnen komen, worden meer door razernij dan door dwaling gedreven ; 't zijn dwazen en dwepers. Zij willen als echte warhoofden z.g.n. van de doode en doodende letter niet weten en beweren door den Geest daar verre boven verheven te zijn !
Maar welke geest is dat, door wiens aanblazing zij tot die hoogte worden opgevoerd, dat zij de leer der Schrift gering durven achten ? Is dat de Geest van Christus, welke dezelfde Geest is, die in de eerste Kerk, in de profeten en apostelen was ? Immers neen! Want niet één van die Godsmannen heeft geleerd de Schrift te minachten ; integendeel, hebben zij allen Gods Woord op 't hoogst geëerd. Jesaja 59 vers 21 leert ons, dat Gods Geest en Gods Woord op 't nauwst vereenigd zijn. „Mijn Geest, die op u is, en Mijne woorden, die Ik in uwen mond gelegd heb, die zullen van uwen mond niet wijken, noch van den mond uws zaads, tot in eeuwigheid". Zoo worden Geest en Woord ook voor de Nieuw-Testamentische Kerk onverbreekbaar saamgevoegd. 't Is niet alleen voor degenen, die pas beginnen, maar ook voor de verder gevorderden en voor de Kerk van alle eeuwen. Denk aan Paulus, die, schoon hij in den derden hemel was opgetrokken geweest, niet ophield in de leer van de Wet en de Profeten voort te gaan en aan Timotheüs, een leeraar van bijzondere voortreffelijkheid, houdt hij voor, in het lezen der Schriften niet te vertragen (1 Tim. 4 vers 13), terwijl hij van de Schrift getuigt, dat zij nuttig is tot leering, vermaning, bestraffing, opdat de dienaren Gods volmaakt mochten worden toegerust (2 Tim. 3 vers 14—17).
Hoedanigen Geest beloofde de Heere aan Zijne discipelen ? Toch Immers zoodanig een, die niet van zichzelven zou spreken (Joh. 16 vers 13) en dus niet nieuwe en ongehoorde openbaringen heeft te verdichten, maar te onderwijzen in de waarheid der Schriften en de leer des Evangelies aan de harten te verzegelen.
2. Men behoort zich dus op het lezen en hooren der Schrift vlijtig toe te leggen, zoo wij eenige nuttigheid en vrucht van den Geest Gods zullen verlangen en niet van de beginselen der godzaligheid zullen vervreemden (2 Petrus 1 : 19).
Een geest, die van het Woord afwijkt, is niet de ware. Het strekt den Heiligen Geest niet tot oneer, dat Hij zichzelven bindt aan de Heilige Schrift, omdat Hij toont hierin Zichzelven gelijk te blijven en nimmermeer te veranderen. Indien men den Geest wilde onderwerpen aan een Engel of aan een mensch, dan zou 't Hem tot oneer strekken, maar niet wanneer Hij in de goddelijke waarheid der Schriften inleidt. De Heilige Geest wil juist van den geest van Satan onderkend worden, hierdoor, dat Hij niet van het Woord losmaakt en afvoert, maar tot het Woord leidt en de Schriften verklaart.
3. Dat is volstrekt niet een hangen aan een doodende letter, als we zóó aan de Schrift gebonden worden. Want als Paulus (2 Cor. 3 : 6) over de doodende letter handelt, dan ziet dat op de valsche apostelen, die de Wet zonder Christus aanprijzen en het volk af tronen van de weldaden van het Nieuwe Testament. En de Wet is een doode letter en doodt, als zij van de genade van Christus gescheiden wordt; maar als ze op Christus wijst, is ze een woord des levens, bekeerende de ziel (Ps. 19).
De Heilige Geest is zóó nauw aan de waarheid, welke Hij Zelf in de Schrift heeft neergelegd, verbonden, dat Hij dan eerst Zijn kracht bewijst en uitoefent, als het Woord naar behooren geëerbiedigd wordt. Paulus noemt zijn prediking daarom een bediening des Geestes (2 Cor. 3:8). Gods Woord komt dan eerst recht tot ons als Gods Geest ons bestraalt en de Geest leidt ons en leert ons eerst recht, als het Woord des Heeren bij ons is. God heeft Zijn Woord onder de menschen niet te voorschijn gebracht, om het slechts voor een oogenblik te laten zien, om het daarna, door de komst, van Zijn Geest, terstond te doen ophouden; maar denzelfden Geest, door Wiens invloed Hij het Woord had toegediend, heeft Hij gezonden om Zijn werk, door een krachtige bevestiging des Woords te volbrengen. Daarom opende de Heiland de Emmaüsgangers ook het verstand, opdat zij de Schriften verstonden (Luc. 24 : 27). En Paulus zegt: Bluscht den Geest niet uit, veracht de profetieën niet" (1 Thess. 5 : 19, 20). Woord en Geest zijn op 't nauwst verbonden en het licht van Gods Geest wordt gebluscht, zoodra het Woord in minachting komt. Het Woord is een werktuig, waardoor de Heere de verlichting van Zijn Geest aan de geloovigen uitdeelt.
HOOFDSTUK X.
De Schrift kent maar één God, ook al zijn er velen, die goden genaamd worden.
1. De Heere openbaart Zich in Zijn Woord evenzoo als in de schepping en in al Zijn werken,
echter is Zijn Zelfopenbaring in Zijn Woord veel duidelijker. Daarom moeten we daaraan onze bijzondere aandacht schenken. (Art. 2 Ned. Gel. bel.). En dan spreekt de Schrift klaarder nog dan de schepping, van de onderscheidene deugden of Wezenseigenschappen des Heeren.
2. 't Gaat nu nog niet over God en Zijn genadeverbond ; maar over de deugden van den Schepper en Onderhouder aller dingen, waarvan de Schrift op onderscheidene plaatsen uitvoerig spreekt. Men zie Ex. 34 : 6, maar vooral Psalm 145, waar de hoofdsom Zijner deugden beschreven is. Genadig en barmhartig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid. Geslacht aan geslacht zal Zijne werken roemen en zij zullen Zijne mogendheden verkondigen.
Want dat is het doel van onze Godskennis zoowel uit de Schrift als uit de natuur, dat we 1. Hem zullen vreezen en 2. op Hem zullen vertrouwen. Jeremia zegt dat onze hoogste roem moet zijn om God te kennen en te weten dat Hij de Heere is (Jer. 9 : 23, 24), en noemt dan de deugden Gods „die barmhartig is, en oordeel en gerechtigheid doet op aarde." Zijn barmhartigheid, in welke alleen onze zaligheid is; Zijn oordeel, welke Hij uitoefent tegen de goddeloozen ; en Zijn gerechtigheid, waardoor de geloovigen bewaard worden. Deze kennisse Gods uit de Schrift dient tot hetzelfde doel als onze Godskennis uit de natuur.
3. Om ons nu te brengen tot de kennis van den waren God verwerpt Gods Woord overal al de afgoden der volkeren. Want wel is de éénheid Gods in aller harten ingedrukt (Justinus Martyr), omdat het begrip God zich met veelheid van goden ook niet laat vereenigen („Hoor, Israël, de Heere uw God, is een éénig God", Deut. 6:4) — maar toch laten de menschen zich verleiden, om vele goden te maken en op het gedichtsel hunner ijdelheid te vertrouwen. Zelfs de verstandigsten stelden zich een veelvoudige natuur van God voor en riepen hunne twijfelachtige goden aan : Jupiter, Mercurius, Venus, Minerva enz. De religie wordt bijna ten allen tijde overal vervalscht en de waarheid Gods wordt door allen telkens geschonden. Daarom beveelt Habakuk, als hij alle afgoden heeft veroordeeld, den Heere in Zijn tempel te zoeken, opdat de geloovigen geen andere goden zouden toelaten en dulden, dan Hem die Zich in Zijn Woord heeft geopenbaard. (Hab. 2 : 20). En niemand is hierin te verontschuldigen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's