De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE REFORMATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE REFORMATIE

IN DE CLASSIS NEDER-VELUWE VAN 1592—1620

7 minuten leestijd

10. Doornspijk.
Toen in den tijd der Zendelingen de Christenen alhier een bedehuis wilden bouwen, stuitte dat op den tegenstand der heidenen, die het gereedliggende bouwmateriaal naar de zeekant droegen, waarin de Christenen een aanwijzing Gods zagen, om. aldaar de kapel te stichten. Zoo stond de oude kerk van Doornspijk, die in 1825 afgebrand is en aan den H. Nicolaas gewijd was, dicht bij de zee. De tegenwoordige kerk dateert van 1831 en staat aan den grooten straatweg. (Men zie Ned. Arch. V. Kerkg. 1912 bl. 96. Voorts jaarg. 1852).
In 1592 treffen we hier als pastoor aan Johannes Uitslach. Hij is 4 Juli te Harderwijk op het examen tegenwoordig, en gaat voor 't grootste gedeelte met de Reformatie mee, doch op voorwaarde, dat hij evenals de pastoors van Vaassen, Oene en Heerde zich beraden mag op het stuk van de leer van den Catechismus en kerkelijke tucht. Dit wordt hem toegestaan, en den 11 September daaraanvolgende laat hij op de Synodale vergadering te Nijbroek het bezwaar tegen den Catechismus vallen, doch blijft volharden bij zijn bezwaar tegen de gereformeerde kerkelijke tucht.
Dit bezwaar heeft hij niet kunnen overwinnen, en zoo is hij in 1593 vertrokken, althans buiten dienst gesteld, daar in September van dat jaar als predikant van Doornspijk wordt genoemd ds. Wesselus Joannis Groeningensis, die de Synodale vergadering te Arnhem bijwoont.
Wij ontmoeten hem voor 't eerst in de Classicale Acta van 13 April 1594, waar hem wordt opgedragen in de vacature te Oldebroek, ontstaan door het vertrek van T. Elberti, om de veertien dagen te voorzien, hetgeen die van Doornspijk danig gaat vervelen, daar dit al te lang aanhoudt.
In deze dagen was te Doornspijk geen ordentelijk kerkgebouw, doch waar men een aanzienlijke som gelds verzameld had, drong de Classis er bij den Schout op aan om een huis (waarschijnlijk pastorie) naast den toren te timmeren, alsook een kerk op te bouwen, daar men tegenwoordig godsdienstoefening hield in een herberg. Om al deze redenen was ds. W. Groeningensis (Wessel van Groningen) ook nog niet bevestigd. Zelfs was dit in Mei 1595 nog niet geschied om dezelfde redenen : „Die confirmatie Wesseli Groningensis wordt opgeschurt aen naestvolgende Classe, dewijle men verhoopt dat die kercke toe Dornspyck tegens die tyt sal onder dak syn".
In 1596 wordt medegedeeld, dat hij des Heeren H. Avondmaal te Elburg had gebruikt, waartoe de dienaars van het platte land opdracht was gegeven, en tevens werd hem een veertiendaagsche predikdienst te Oosterwolde in het vooruitzicht gesteld, daar de voormalige pastoor Johs. Nuche onbekwaam werd geacht. Zoover is het echter niet gekomen.
In 1597 droeg de Classis aan ds. Winandus Johannis van Elburg op, om met een ouderling naar Doornspijk te gaan, ten einde den Schout vriendelijk te verzoeken, of deze erin bewilligde, dat voortaan in de kerk de Psalmen Davids gezongen werden, en dat er een collecte werd ingesteld tot onderhoud der armen. Tevens kregen die beide opdracht om met den Schout en kerkmeesters te spreken, datse Wesselum haeren Dinaer voer een stedigen predigher wolden accepteren" en zijn tractement wilden verbeteren, en zoo dit niet geschiedde, dat dan de predikant genoopt werd om te vertrekken.
In 1600 verklaart de predikant dat zijn gehoor bevredigend is. Na dezen vernemen wij niet eerder iets van hem dan in 1607, toen hij wegens ziekte de vergadering niet kon bijwonen. Dit is dan ook het laatste, want dan dient zich een ander predikant aan, terwijl ons later blijkt, dat ds. W. Groningensis gestorven is.
Deze nieuwe predikant waS Laurentius Borcholonius „studiosus theologiae tot Leyden". Hij werd in een buitengewone Classicale vergadering den 29 October 1607 te Harderwijk gehouden, geëxamineerd en toegelaten.
De Classis was echter tot voorzichtigheid gemaand, en zoodoende staat zijn examen uitvoerig in de Acta beschreven. Hij was het met de Ned. Geloofsbelijdenis en Catechismus goed eens, hield deze conform den Woorde Gods „jae dat meer is, was daervan genoechsaem in syn gemoet overtuycht." Maar aangezien hij eens een boekje vertaald had, dat aanleiding geven kon om de menschen terug te roepen tot het Pausdom, hadden sommige broeders in Holland hem opgelegd, het Pausdom openlijk af te zweren. Dit moest hij schriftelijk doen, en aan de Classis voorleggen. Zijn examen liep over de volgende punten : De H. Schrift, de R. K. Kerk, Paus en pausdom, predestinatie, voorzienigheid, vrije wil, algemeene genade, erfzonde, rechtvaardiging, volmaaktheid der wet, volharding der heiligen, en staat der ziel buiten het lichaam.
„Is neffens desen veerder opgeleit, testimonium Gomari te verthonen, zoo al niet van zijn geleerdheid, dan toch in elk geval van zijn wandel. Indien hij dit kon bijbrengen, zou hij in den dienst te Doornspijk worden geduld tot de eerstvolgende Classis, waarna men verder met hem zou handelen.
Het volgende jaar, April 1608 is hij niet ter vergadering, ja heeft reeds gedurende tien weken zonder kennisgeving aan de Classicale Deputaten Doornspijk verlaten, zoodat ook de kerkdienst al dien tijd had stilgestaan. De Classis was hierover hoogst verontwaardigd, doch wilde hem evenwel handhaven, mits hij binnen vier maanden na zijn terugkomst aan de gestelde eischen voldeed, bij gebreke waarvan hij geacht werd van den dienst ontslagen te zijn. Tevens moest hij zijn stukken van het Hof binnen den zelfden tijd toonen, en ten slotte „dewyl hy seer ohnordentlick met opspraeck end ohnstichtinge seiner gemeinten vertrocken is" en men over zijn terugkomst in het onzekere verkeert, hij voor Pinksteren (1608) terug moest zijn, daar anders de Classicale Deputaten zouden omzien naar een anderen dienaar. Dit geschiedde, want Borcholonius kwam niet terug, en in 1609 vervulden de predikanten van Harderwijk, Elburg en Garderen de plaats. De Schout werd gevraagd deze predikanten te halen en te brengen.
De vacature duurde tot 1610, en werd vervuld door ds. Joachimus Straetmannus, die reeds mogelijk in 1609 daar arbeidzaam was. Een en ander was geschied tegen de gewone orde van zaken in. De Classis was hierover ontstemd, zoodat ds. Straatman hierover werd berispt. Hij gaf echter te kennen, dat een en ander zonder zijn wil en weten was geschied, weshalve hij zijn excuses aanbood, waarop de Classis hem tot een lid aannam, na zich van zijn goede getuigschriften overtuigd te hebben. Hij zou ten spoedigste worden bevestigd. Dit was echter, ondanks de approbatie van het Hof, in April 1611 nog niet geschied, doch werd aan den predikant van Elburg alsnog opgedragen, terwijl ds. Straatman het H. Avondmaal te Oldebroek moest gaan gebruiken. Waar nu alles weer op een ordelijk verloop van zaken, vroeg de weduwe van ds. Wessel van Groningen aan de Classis om haar behulpzaam te zijn tot het verkrijgen van een weduwe-pensioen.
Tot 1618 heeft alles een rustig verloop, doch hij had zich gelijk zijn collega van Oldebroek op de laatste vergadering vergaloppeerd. De acta luidt als volgt:
„Edoch betreffende ds. Joachim Straetman heeft de Classis bevonden de sake anders geschapen te zyn, als dewelcke door den dranck was overrompelt geweest, ende also seker mis-use begaen, doch niet in alle deelen, also gelyck als de geruchten wydt ende sydt liepen. Waerover hy ditselvige voor den Classe ende oogen Gods bekent hebbende uyt menschelycke swackheydt geschiedt ende sulcks hertelyck leedt te zyn, versocht dat de vergaderinge hem sulcks ten besten wilde houden ende vergeven, met belofte van voortan sich so te dragen, dat diergelycke noyt van hem soude worden gehoort.
De Classis in de H. vrese Gods dese sake rypelyck overwegende, heeft tot wechneminge van de gegevene ergenissen, hem seer serieuselyck hyer over bestraft ende tot een amende opgeleyt tot drie verscheyden reysen, maendt op maendt aen malcander volgende tot Harderwyck aen d' armen der kercken (alwaer d' ergernisse gegeven is) te betalen telkens een pont groot, [zes gulden] daervan het eerste betaelt sal worden van nu over een maendt ende so volgens, welcke censura ende straffe Ds. Straetmannus voorsz. in de vrese Gods heeft aengenomen ende belooft nae te komen, ende voortan sich also te gedragen en voegen te voren uytgedruckt". (Wordt vervolgd).

Vaassen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE REFORMATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's