De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

9 minuten leestijd

II.
Eenige jaren geleden — het jaar van uitgave staat niet vermeld — is bij Koning's Uitgeverij te Baarn een boekje verschenen van de hand van ds. H. J. van Schuppen, te Lunteren, getiteld Sterven en Leven, een zestal predikatiën.
Dit werkje is een klaar getuigenis van den ommekeer op allerlei gebied, ook op theologisch en kerkelijk terrein, van welke wij in ons vorig artikel spraken en waarbij men het subjectivisme, te voren verheerlijkt als het inbegrip van alle wijsheid, zijn afscheid wenscht te geven.
Blijkens de voorrede bedoelt het zelfs van dien ommekeer een getuigenis te zijn in dien zin, dat ds. Van Schuppen behoefte gevoeld heeft om in het openbaar uit te spreken, hoezeer hij de dingen thans in een ander licht ziet dan voorheen. Het eert ds. Van Schuppen, dat hij zoo in het openbaar belijdenis doet van de dwalingen, waarin hij verstrikt zat, en allen wenscht bekend te maken met het licht, dat hem in de duisternis is opgegaan. Velen missen helaas deze eerlijkheid en aarzelen voor hun overtuiging uit te komen.
Wij mogen namelijk niet vergeten, dat het verschijnsel, dat ons bezig houdt, van algemeenen aard is, zoodat allerwegen de vertegenwoordigers van het subjectivisme den vasten grond onder hun voeten voelen wegzinken. Maar als de gemeente nu in dit proces nog niet zoover is gekomen als de leeraar, dan behoort er een zekere mate van moed toe om nochtans zijn overtuiging niet onder stoelen en banken te steken en openlijk meer of minder, naardat men klaarheid in deze dingen verkreeg, den subjectivistischen weg te verlaten. De practijk leert echter, dat velen dezen moed missen en geen kracht hebben om desnoods tegen den stroom op te roeien. Men heeft te zeer de goedkeuring van menschen en de toejuiching der schare gezocht, zoodat alleen het gevaar reeds om deze te verliezen, velen doet zwijgen, waar zij naar hun innerlijke overtuiging moesten spreken.
Daarom eert het ds. Van Schuppen als een eerlijk man, dat hij openlijk voor zijn verandering van zienswijze is uitgekomen.
Het werkje getuigt echter tevens van een geweldige eenzijdigheid, die dezen prediker eigen is, waardoor hij in meer dan één opzicht gelijkt op de spelers, die alles op één worp zetten.
In de voorrede verklaart hij een vroegere bundel preeken, wat de inhoud betreft, niet meer voor zijn rekening te nemen. Prof. Van Leeuwen had bij de eerste uitgave in 1920 hem reeds geschreven, dat zij niet vrij waren van piëtisme. Dat is in dit geval een andere benaming voor wat wij subjectivisme hebben genoemd. Het is volkomen te begrijpen, dat ds. Van Schuppen, nu hij de dingen in een ander licht heeft gezien, zich met de daar gegeven voorstellingswijze niet meer vereenigen kan. Maar hij gaat zoover, dat hij de eenzijdigheid, waaraan zijn vroegere prediking leed, als een dwaling beschouwt van zoó grooten omvang, dat hij het verschil van de eerste bundel met deze een verschil van leugen en waarheid noemt.
Hoezeer ik ook meen een subjectivistische prediking te moeten veroordeelen, toch zou ik niet graag een dergelijke prediking als leugen-prediking kwalificeeren. Hoeveel dwalingen aan een dergelijke prediking ook ten grondslag liggen, daardoor is het ware evangelie in de prediking nog niet te niet gedaan. Ik denk nu b.v. alleen maar aan de erkenning van Gods vrije genade als de eenige grond des behouds.
Ongetwijfeld worden bij een subjectivistische prediking de zielen verkeerd geleid, maar als een baker het kind verkeerd behandelt, daardoor sterft dat kind nog niet. Een dergelijke prediking doet groote schade aan den wasdom en de blijdschap des geloofs, maar het geloof wordt niet onmogelijk. Zij geeft een weinig voedzame kost, maar er is nog eenige spijze en drank onder.
Dezelfde eenzijdigheid, door welke hij zijn vroegere prediking als leugen verwerpt, doet ds. Van Schuppen zijn nieuwe standpunt als de waarheid bij uitnemendheid voorstellen. Wie zijn inzicht niet volkomen deelt, weet er niets van. Van de mogelijkheid om over deze dingen nog eens van gedachten te wisselen, heb ik in het werkje geen spoor kunnen ontdekken. En wijl zijn inzicht volstrekt niet genoemd kan worden als het gevoelen, dat algemeen onder onze menschen leeft, heeft eigenlijk de gereformeerde richting voor hem afgedaan. Zoowel de gereformeerde richting als het gereformeerde volk krijgt van hem het epithteton zoogenaamd. Zijn overtuiging schijnt geen vrucht te zijn van biddend nadenken en onderzoek van Gods Woord, maar veeleer vrucht van bizondere hemelsche openbaring, waardoor geen tittel of jota mag worden toegedaan of afgedaan aan wat thans werd neergeschreven.
Voor hen, die eenigszins in onze kerkelijke wereld thuis zijn, is deze eenzijdigheid, op zichzelf genomen, geen onbekende grootheid. Zij is in het kamp, dat ds. Van Schuppen verlaten heeft, schering en inslag. Onder de vertegenwoordigers van het subjectivisme zijn er verschillende, die gedurende den diep gezonken toestand van Kerk en volk demonstreeren door de opmerking, dat er haast geen predikers meer zijn, die de waarheid nog brengen. Drie, vier, nu ja, zeg vijf, maar dan is men er toch wel. De eerbied voor eigen rechtzinnigheid is echter zoó groot, dat hun aanwezigheid aan het dreigende tekort groote afbreuk doet, want hun eigen persoon is wel ongeveer een bataljon waard. Onwillekeurig moet men glimlachen, als men af en toe hoort van de wijze waarop sommige subjectivisten reclame maken voor den uitnemenden reuk hunner rechtzinnigheid.
Waar evenwel een dergelijke eenzijdigheid nauw aan het subjectivisme verbonden is, kan het niet uitblijven of de botsing tusschen de vertegenwoordigers van de vroegere richting en ds. Van Schuppen, die bij zijn ommekeer zijn eenzijdigheid niet heeft afgelegd, moet wel groot zijn en schokkend. En van weerszijden moet het gezien worden als een heilige krijg, waarin iedere aarzeling een verraad aan de goddelijke waarheid beteekent.
Wij kunnen onmogelijk het subjectivisme in prediking en leven als schriftuurlijk zien, maar met de ommekeer van ds. Van Schuppen kunnen we evenmin meegaan. We hopen af en toe onze bezwaren tegen zijn voorstelling der dingen naar voren te brengen. Een van onze voornaamste bezwaren is, dat hij het subjectivisme niet heeft afgezworen, maar zelfs toegespitst. Hij wenscht op te komen voor de rechtvaardigmaking, maar reeds de titel van dezen bundel geeft aan, dat niet het oordeel Gods over ons, zooals dat in de rechtvaardigmaking naar schriftuurlijk inzicht overweegt, het voornaamste voor hem is, maar de feitelijke toestand van het subject. Niet, dat God ons, goddeloozen, rechtvaardig wil spreken en voor rechtvaardigen wil houden en als rechtvaardigen wil behandelen, is voor hem het een en het al, maar de vraag, of wij gestorven zijn en levend gemaakt En het absolute, dat aan Gods oordeel eigen is, waardoor het eeuwig stand houdt en grond kan zijn van hope voor de eeuwigheid, brengt hij over op de feitelijke toestand van den mensch, zoodat vóór een bepaalde bevinding, die er eene is van een ondeelbaar oogenblik, de mensch absoluut dood is, maar in dat oogenblik wordt hij levend gemaakt en heerscht het leven m hem met absolute kracht en zekerheid. Het onderwerpelijke overheerscht nog. Rechtvaardigmaking en heiligmaking worden niet in levensverband met elkander gezet, maar de eerste vloeit in de laatste over. De rechtvaardigmaking krijgt beteekenis van uit de levendmaking.
Maar hoewel ik tal van bezwaren heb tegen de voorstelling van ds. Van Schuppen en van oordeel ben, dat hier tal van oude dwalingen in een eenigszins nieuw kleed worden gestoken, zoo zou ik toch niet gaarne zeggen, dat in het genoemde werkje een leugenleer wordt gepredikt. Er is nog immer plaats voor het evangelie der genade. Zelfs moet met blijdschap geconstateerd worden, dat van een ruim aanbod der genade mag worden gesproken, zoodat de toegang tot de troon der genade niet wordt afgesneden, zooals dat zoo dikwijls geschiedt bij een subjectivistische prediking, maar een iegelijk zondaar wordt opgewekt tot Christus te vlieden. Een enkel voorbeeld. Op pag. 34 leest men : Er is redding ! Een volkomen gerechtigheid ! Christus, het doel der wet, wordt u aangeboden, geheel om niet. Op pag. 41 : Wat een rijk evangelie ontsluit ons Paulus hier in Christus. De rechtvaardigheid was volkomen zoek. Maar God biedt ze aan, om niet, in Zijn Zoon. En nu is ze voor ieder, die ze in geloof wil aannemen. En zoo zouden gemakkelijk uit iedere preek meerdere voorbeelden kunnen worden aangehaald.
Daar is dus niets verwonderlijks in als deze prediking van een algenoegzamen Christus aan sommiger harten tot hun eeuwig heil is gezegend geworden, zooals ds. Van Schuppen in zijn inleidend woord dat vermeldt. Maar het getuigt weer van eenzijdigheid, als hij daaruit wil afleiden, dat zijn opvattingen van thans goddelijke bevestiging hebben ontvangen. God zegent niet ons woord en onze opvattingen, maar God zegent Zijn eigen Woord, het eeuwig evangelie. Hij zegent dat, onafhankelijk van ons en ons werk. Hij zegent het ook, niettegenstaande al de dwalende gedachten, waaraan wij dikwijls nog onderworpen zijn.
De prediker, die meent, dat zijn prediking alleen gezegend kan worden, als zij van alle dwalingen volkomen gezuiverd is, moet over zichzelf wel ongeveer denken als de Roomsche Kerk van haar paus, die geacht wordt onfeilbaar te zijn, als hij ex cathedra spreekt.
Wij kennen allen ten deele en al ons werk is gebrekkig. De toets van Gods Woord heeft een ieders werk noodig. Wie daarvan overtuigd is, ziet het als een wondere genade, dat hij in zijn gebrekkige korven voor Gods Kerk het brood des levens mag opdragen. Die korven kunnen straks weggeworpen worden, maar God, de Eeuwige, blijft en gaat voort weer anderen te gebruiken om door hun dienst Zijn Koninkrijk uit te breiden.
Evenwel, al behaagt het God niettegenstaande onze gebrekkige kennis en onze onzuivere wijze van uitdrukking het evangelie, dat dus door ons wordt uitgedragen, te zegenen, daarmede hecht Hij Zijn zegel niet aan onze dwalingen. Zelfs zijn wij geroepen ons steeds onder den toets van Zijn Woord te stellen, opdat het onkruid onzer dwalingen het goede zaad niet overwoekere. Eén dwalende gedachte is soms de moeder van tal van andere dwalingen. Met het oog daarop achten wij een waarschuwing tegen de dwalingen, die in het werkje van ds. Van Schuppen voorkomen, op haar plaats. Te meer wijl bleek, dat hij in dit opzicht niet alleen staat, maar zijn dwalingen reeds hier en daar ingang vonden, zelfs zoo, dat zij het evangelie gansch dreigen te verdringen. Het opkomen voor de gezonde leer is voor de gereformeerde richting geen luxe, geen ondergeschikte zaak, maar behoort tot de levensvoorwaarden, onder welke zij alleen bestaan en werken kan.
O. a/d IJ.
Woelderink.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's