De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

PERSSTEMMEN.
— De verwerping van het Reorganisatie-Ontwerp 2)

In „Evangelisch Zondagsb1ad" (20 Jan. '35) schrijft prof. Wagenaar, van Leeuwarden, ongeveer als volgt:
»De Synode heeft besloten, dat het Ontwerp, zelfs niet met amendementen, aan het oordeel der Kerk niet zal worden onderworpen. Of nu ons werk tevergeefs is geweest ? Tegen de meening van velen in, blijf ik ook na deze — niet geheel onverwachte — teleurstelling zeggen, dat de arbeid door „Kerkopbouw" verricht, geenszins als verloren tijd; , verspilde kracht en vergeefsche inspanning mag worden beschouwd. Het is alleen gebleken, dat dit nog niet de laatste beslissende stap was. In het groote proces, dat tot reorganisatie moet lelden, behoort ook deze verwerping, evenals de eerdere van: het Ontwerp „Kerkherstel", tot de blijkbaar onmisbare phasen. Zooals het nu is, kan het in elk geval niet blijven. De zaak zelve is dan ook niet van de baan ! Jammer genoeg zijn er nog altijd menschen, ook in de Synode is het gebleken, die denken, dat ze leven in de beste wereld, die denkbaar is. Dat de Kerk, mee door eigen schuld, gestadig terrein verliest, zien ze niet of verklaren dit op heel eigenaardige wijze. Ze zijn doof voor de roepstemmen van alle kanten, dat de Kerk toch beter zal worden ingericht tot het vervullen van haar taak. De President zei, dat men niet mocht denken, dat de Synode, wanneer zij het voorstel verwierp, dit deed uit zelfbehoud. Men wil niet de verantwoordelijkheid op zich laden van groote veranderingen, maar daarnaast staat de groote verantwoordelijkheid, die men evenzeer op zich laadt door het bestendigen van den huldigen toestand. Breed gezien, zijn deze remmende factoren evengoed noodig als de voortstuwende krachten. Op Gods tijd zal het zeker komen wat dit werk bedoelt. De waarheid wint veld.
Er is beweerd, maar niet bewezen, dat 'de tegenwoordige organisatie niet door een andere vervangen behoeft te worden. Maar men vergete niet, dat er nog veel verricht wordt ondanks de organisatie. Geeft de Kerk zelve voldoende steun aan hetgeen verricht wordt ? Of is haar stramme 'organisatie niet dikwijls de oorzaak dat veel niet kan worden gedaan door de Kerk ? Natuurlijk kan het betwijfeld worden of een bepaalde reorganisatie daarin de gewenschte verbetering zal brengen. Maar het zou het meest starre conservatisme verraden, indien men alles afwees en bleef afwijzen, omdat er nog vragen over blijven. Toch moeten de argumenten der tegenstanders heel ernstig worden overwogen. In een Kerk moet een meerderheid zoo maar niet aan de minderheid z'n wil opleggen. In een Kerk komt het vóór alles aan op de geestelijke overtuiging, ook van de tegenstanders. Ook al zal uiteindelijk zelfs in, een Kerk een stemming moeten beslissen, zoo moet daaraan voorafgaan een ernstig pogen om de tegenstanders te overtuigen en daardoor te behouden. De voorbereiding blijkt nu nog niet voldoende te zijn doorgewerkt. We moeten ons vertrouwen op God stellen en voortgaan met de groote beginselen, die aan ons Ontwerp ten grondslag liggen, verder propageeren. Onze vóórarbeid heeft in elk geval weer medegewerkt om het onszelf en anderen bewust te maken, wat hier noodig en bereikbaar schijnt; wij mogen daarvoor dankbaar zijn en daaruit den moed putten om in vertrouwen voort te gaan«.
Prof. Brouwer schrijft in „Kerkopbouw" (Jan. '35) :
»De Synode heeft in twee betrekkelijk korte zittingen een zoo uitvoerig ontwerp als dat van „Kerkopbouw", waaraan de opstellers jaren gewerkt hebben, afgedaan. De gevolgde procedure was deze. Het Ontwerp is in den zomer van '34 bij de Synode ingediend; daar is besloten tot de benoeming van een Commissie van Voorbereiding, waarvan ds. Tammens, de rapporteur, een fel tegenstander was, zooals uit het rapport wel blijkt. Dat rapport werd een maand te voren aan de leden toegezonden. Bij 'de oproep een week vóór de vergadering werd verzocht, dat ieder op schrift zou stellen, wat hij op de vergadering wenschte te zeggen. De prse-adviseur, die mede-opsteller van het Ontwerp was (prof. Brouwer) mocht dan aan het slot - de opmerkingen, die de leden gemaakt hadden, beantwoorden. Alles saam nam ongeveer vier uur in beslag : Dinsdagmiddag van 2 tot half 4, Woensdagmorgen van 10 tot kwart vóór 1. Des namiddags had daarop de stemming plaats ; eerst of het Ontwerp onveranderd aan de Kerk zou worden voorgelegd. Toen dit was afgestemd, werd ook de vraag, of het voorstel zou worden geamendeerd, ontkennend beantwoord. En hiermee was de zaak beëindigd. Een aantal leden hebben niets gezegd, doch alleen maar tegen gestemd.
De heer Sneep, de ouderling voor Zuid-Holland, liet in de notulen aanteekenen, dat hij het met de wijze van stemmen niet eens was geweest; naar zijn meening hadden de amendementen vóór moeten gaan en had eerst aan het einde de stemming over het geheele Ontwerp plaats moeten hebben.
Waarom nu is het Ontwerp niet aangenomen ?
Verschillende factoren hebben samen gewerkt. Daar was allereerst de echt-synodale mentaliteit. De Synode werkt zoo uitstekend! Wat heeft zij in deze eeuw al niet tot stand gebracht. Valkenheide, Kinderzorg, Stockholm enz. Men moest deze „hooge vergadering" geen verwijten maken ! Zal het Koninkrijk Gods vlugger komen met een betere organisatie ? Door al die voorstellen komt maar onrust. Onze tijd heeft niets zoozeer noodig als rust. Dit werd alles letterlijk zoo gezegd!
Hier is het volstrekte onvermogen, om zich in den eisch van dezen tijd in te denken, aan het woord. Men heeft van de dingen zelfs geen vermoeden !
De tweede factor was de oudmoderne mentaliteit. Wat zal men veranderen in een organisatie, waarbij ieder volkomen vrij is te preeken en te doen wat hij wil ? Wil men de vrijzinnige groepen maken tot kweekplaatsen van moderne orthodoxie ? Waarom zal men zich begeven op den weg van leertucht, waarvan men bij de meer rechts georiënteerden niets dan hatelijke procedures zal hebben te wachten ? De veiligste weg is : het oude te handhaven.
Hier is wel zucht tot zelfbehoud aan 't woord en ongeloof, niet alleen in de waarheid in het algemeen, maar ook in eigen beginsel. En hier werkt ook het ontoelaatbare kerkbegrip van onbeperkte vrijheid : ieder is vrij te preeken en te doen wat hij wil.
Ten derde : de Walen. De Walen brengen 2 leden op de 19 in de Synode, een zielental van 6300 Walen in een Kerk van meer dan 2'/2 millioen vertegenwoordigend. Dit is „een anomalie van de ergste soort. Terwijl meer dan 21/2 millioen leden 17 vertegenwoordigers hebben, hebben 6300 Walen er twee. Bovendien zijn deze Walen ten deele buitenlanders, die van de verhoudingen in Nederland niets afweten. Toch houden zij een reorganisatie mede tegen, omdat daarbij hun positie wordt aangetast, waarop zij meenen een onvervreemdbaar recht te hebben".
Ten vierde: de mentaliteit dier rechtsche leden der Synode, die liever „in het geheel niets hadden, dan dit Ontwerp".
„Zoo komen wij nooit tot eenige verandering" — besluit de voorzitter van „Kerkopbouw".

ONZE BELIJDENISSTRIJD. (7)
„Herziene Formulieren der Nederlandsche Hervormde Kerk" was de titel van het boek, dat prof. Hofstede de Groot in 1850 uitgaf. Dat zouden de Evangellschen eens even klaar spelen, om de kerkelijke belijdenisschriften te „herzien". En de Gereformeerden moesten dat dan maar goed vinden. Ja, 't zou blijken, dat de Evangelische formuleering veel beter was dan de Confessioneele omschrijving in onze kerkelijke symbolen.
Men gaf een „Groningsche Catechismus". En die moest dan doorgaan voor de „Heidelbergsche Catechismus", maar verduidelijkt, verbeterd en aangevuld !
Geen wonder, dat de orthodoxen zich over dit boek ergerden èn wat de vorm èn wat de inhoud aangaat. Onder den schijn toch van het oude te aanvaarden en te handhaven, werd iets nieuws ingevoerd. De Catechismus is het monument der Gereformeerde reformatie, waaraan groote strijders der 16de eeuw hadden gearbeid, terwijl de brandstapels rookten en galg en rad waren opgericht en in werking gesteld. — En in dat monumentale geschrift, waarvan elke volzin was
overdacht en besproken, telkens door de Kerk aanvaard en nu voor talloos vele menschen bijna drie eeuwen lang (1560—1860) het troostboekje bij uitnemendheid — gaat nu een professor uit Groningen, die van een héél andere geestes-en geloofsrichting is dan die reformatoren Calvijn, de Bres, Datheen, Voetius enz., aan het snoeien en snijden, om er veel als „dood hout" uit te werpen, het overblijvende aankleedend in eigen gewaad, en dan met de bewering, dat het nog dezelfde Heidlelbergsche Catechismus is! Niet de „Groninger Catechismus", maar de „Heidelbergsche Catechismus". En ziet, daaraan ergerde men zich ; en terecht! Indien er ooit heiligschennis is gepleegd, dan zeker toen !
Want hoe men ook tegenover den inhoud mag staan, de Heidelbergsche Catechismus is een classiek belijdenisschrift van het Gereformeerd Protestantisme en daarom is het een zonde tegen kieschheid en goede smaak, den inhoud om te zetten naar eigen opvattingen (en welke opvattingen !) en dan te beweren, dat dit zou wezen een verbeterde en gezuiverde uitgave! „De boom is verjongd, maar is dezelfde boom gebleven" — is een verklaring die, ook al komt ze uit een professorale pen van een Evangelischen hoogleeraar, door en door valsch is.
Wij willen de waarheid van dit vernietigend oordeel over dan Groninger Catechismus bewijzen, door naast elkaar te zetten wat het Heidelberger Troostboek onzer Ned. Hervormde of Gereformeerde Kerk leert, en wat de Groningsche Catechismus der Evangelischen leert! 't Verschil is als van een olijfboom en een doornstruik. Waarbij de Evangelischen wel zeggen : 't is zoo ongeveer 't zelfde ; maar waarbij wij dan den olijfboom maar zullen kiezen, dan kunnen de Groningers de doornstruik houden !
Wanneer we nu enkele dingen gaan citeeren uit het boek van prof. Hofstede de Groot, doen we dat aan de hand van dr. I. M. J. de Hoog: „De voornaamste Rechtsche-en Middenrichtingen in het Nederl. Protestantisme van onzen tijd". Baam. Hollandla-drukkerij, 1914. blz. 45 e.v.
De Heidelb. Cat. vr. 6 luidt: „Heeft dan God den mensch alzoo boos en verkeerd geschapen ? "
En het antwoord is : „Neen Hij ; maar God heeft den mensch goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, recht kennen. Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen".
De Groninger Catechismus vraagt: „Heeft God den mensch zoo zondig en verkeerd geschapen ? "
En het antwoord luidt: „Neen, maar God heeft de eerste menschen goed geschapen, dat is in onschuld en reinheid en naar Zijn beeld, dat is, met den aanleg en het vermogen om God hunnen Schepper recht te kennen en van harte lief te hebben, opdat zij aan Hem in wijsheid, liefde, heiligheid en zaligheid meer en meer zouden gelijken".
En als de Heidelberger dat korte en krachtige getuigenis geeft: „ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten", zegt de Groninger Catechismus : „het beeld van God bezitten de menschen ook nu nog, hoewel de heerlijkheid er van door de zonde is verdonkerd".
De Heidelb. Catechismus vraag 7 luidt: „Vanwaar komt dan zulk een verdorven aard des menschen ? "
En het antwoord is : „Uit den val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders Adam en Eva, in het Paradijs, waar onze natuur alzóó verdorven is geworden, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden".
De Groninger Catech. vraagt: „Vanwaar komt deze zonde der menschen ? "
En antwoordt: „Daarom, dat de menschen, met vrijheid begaafd, zich door hunne zinnelijkheid laten overheerschen, en dus, in plaats van bij God te blijven en God lief te hebben, zich van God losscheuren om hun eigen zin te doen. Die zonde openbaarde zich reeds bij Adam en Eva in het Paradijs en wordt, in gelijkheid aan hen, gevonden bij al hun nakomelingen".
Nu behoeft men waarlijk „geen theologie gestudeerd te hebben" (dat was van de zijde der Groningers het bezwaar tegen de Haagsche heeren als mr. Groen van Prinsterer c.s., n.l. dat zij „geen theologie gestudeerd hadden") om hier verschil en wel groot verschil, principieel verschil, te gevoelen en te zien.
Want de Helielberger vraagt naar den verdorven aard van het gansche menschengeslacht en de Groninger naar de zonde van de verschillende menschen als afzonderlijke individuen, zonder te beslissen of die allen samen één geslacht vormen ; daar blijft dus ruimte voor een uitzondering onder de menschen, die het slechte voorbeeld van Adam volgen, wat in den Heidelberger principieel anders staat.
Hier is een principieel verschil in de leer over den menschen in de leer over de zonde. Leer staat hier tegenover leer, belijdenis tegenover belijdenis. Bij de Groningers heeft de zonde, als verkeerde daad van Adam, het beeld Gods in den mensch bezoedeld en verduisterd, in den Heidelberger wordt geleerd, dat het beeld Gods in den mensch vernietigd is : onbekwaam tot eenig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad.
En zooals onze anthropologie of menschbeschouwing is, zooals onze hamartiologie of leer over de zonde is, zóó zal ook onze soteriologie en Christologie of leer der verlossing en leer aangaande den Christus zijn ! 't Eene hangt altijd ten nauwste samen met het andere.
Over de opvatting der verlossing wordt gehandeld in de vijfde Zondags afdeeling van onzen Heidielberger Catechismus. Men kan het daar uitvoerig lezen. Er wordt daar gesproken van het rechtvaardig oordeel Gods, waarnaar wij tijdelijke en eeuwige straffen verdiend hebben. En dan staat er : „God wil, dat aan Zijne gerechtigheid genoeg geschiede enz." De menschelijke natuur heeft den dood verdiend en zij kan alleen worden verlost als een mensch, die tegelijk God is, als Middelaar optreedt, om de schuld en de straf te dragen, onder den last van den eeuwigen toorn Gods tegen de zonde. Het bekende antwoord luidt: „Zulk een, die een waarachtig en rechtvaardig mensch is en nochtans sterker dan alle schepselen, dat is, die tegelijk waarachtig God is" (15de vraag en antw.).
En wat leert hier nu de Groninger Catechismus ? Op de vraag : „Welk een Verlosser hebben wij noodig ? " wordt ten antwoord gegeven: „Om „geheel van de zonde bevrijd te worden, hadden wy een zoodanigen Verlosser noodig, als God ons in zijnen Zoon gegeven heeft, een waarachtig en wijs, een rechtvaardig en heilig mensch ; die vol goddelijke liefde uit den hemel tot ons' is nedergedaald om ons op den weg der heiligheid en zaligheid voor te gaan, te lelden, te helpen en eeuwig te bewaren".
Men ziet hier wel, dat de Evangelischen „het dorre hout en de doode takken" uit den Heidelberger hebben uitgesneden, om „het levende hout en nieuwe takken" nu te bezitten !
Is het niet treurig ?
Men behoeft waarlijk geen „theologie gestudeerd" te hebben, om te zien dat hier, al wordt de term Gods Zoon bewaard, heel wat anders wordt geleerd dan het Gereformeerd Protestantisme altijd geleerd heeft en nog leert. De Godheid van den Christus is wèg gevallen en de beteekenis van Zijn lijden en sterven, van Zyn dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid in het werk der verlossing, is zoek geraakt. De verlossing is „voorgaan op den weg der zaligheid".
Hier dus de loochening van de Godheid van Christus, een loochening van het heilig recht Gods, een heel andere verlossingsleer en een Christologie, die principieel anders is dan van den Heidelberger Catechismus.
Neen, dat is niet meer de Heidelberger, dat is de Groninger Catechismus. Dat zijn Arius en Pelagius; dat zijn de Socinianen en de Remonstranten, die hier aan het woord zijn. En dat is in aard en wezen, In geest en hoofdzaak In strijd met den Heidelberger Catechismus, met de leer onzer Hervormde of Gereformeerde Kerk in Nederland.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's