DE RECHTVAARDIGMAKING
Ons woord rechtvaardlgmaking is de letterlijke vertaling van het Latijnsche woord iustificatio.
Voor de Roomsche Kerk is dit een zeer aantrekkelijk woord, wijl zij daarmede haar onschriftuurlijke voorstellingen aangaande dit stuk zoekt te dekken. In de rechtvaardigmaking maakt volgens haar God den mensch rechtvaardig. Hij maakt hem rechtvaardig, door hem een beginsel van rechtvaardigheid in te storten.
Het Hebreeuwsche en Grieksche woord, dat in Oud en Nieuw Testament wordt gebruikt, weten van een dergelijke voorstelling niets af. Deze woorden beduiden nimmer een rechtvaardig maken van wat onrechtvaardig is. Daarom beteekende de terugkeer van de Hervorming tot den eenvoudigen zin der Schrift ook in dit stuk een algeheele revolutie. De rechtvaardigmaking uit het geloof alleen werd weer in de Schrift ontdekt en met het opheffen van deze banier kwam de groote klove, die de Hervorming van de Roomsche Kerk scheidde, met den dag meer aan het licht.
Wijl de meeste van onze lezers geen Hebreeuwsch en Grieksch kennen, zullen wij ze niet vermoeien met een ontleding en verklaring van deze woorden. We kunnen volstaan met te constateeren, dat vrijwel alle uitleggers het er over eens zijn, dat deze woorden nimmer iets anders beduiden kunnen dan rechtvaardig verklaren. Als zoodanig staat het werkwoord rechtvaardigen tegenover veroordeelen of verdoemen.
In Spreuken 17 vers 15 lezen we : „Wie den goddelooze rechtvaardigt en den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heere een gruwel, ja die beiden". Hier hebben we niet alleen de tegenstelling uitgedrukt, maar hier wordt juist door de tegenstelling de beteekenis van rechtvaardigen des te duidelijker. Zooals verdoemen, in het bizonder den rechtvaardige verdoemen, niet beteekent dien rechtvaardige goddeloos maken, maar hem tot een goddelooze verklaren en hem op dien grond als een goddelooze veroordeelen, zoo beteekent den goddelooze rechtvaardigen hier niet dien goddelooze bekeeren of rechtvaardig maken, maar dien goddelooze rechtvaardig verklaren en hem op dien grond vrijspreken in het gericht. Bn we verstaan, waarom zulk doen gruwelijk is in Gods oogen, wijl daardoor het recht, over hetwelk de Heere op bizondere wijze waakt, wordt geschonden.
Op dezelfde wijze wordt Israël telkens tegen de schending van het recht in de rechtsgedingen gewaarschuwd. Zoo lezen we in Exodus 23 vers 7 : Zijt verre van valsche zaken en den onschuldige en gerechtige zult gij niet dooden, want Ik zal den goddelooze niet rechtvaardigen.
In het Nieuwe Testament is het niet anders. Ook daar beteekent het gebruikte woord immer rechtvaardig verklaren. Het verband zou dat trouwens overduidielijk maken, wanneer aan de beteekenis van het woord als zoodanig moest getwijfeld worden. Zelfs vinden we ook in het Nieuwe Testament weer diezelfde tegenstelling tusschen rechtvaardigen en verdoemen. In Rom. 8 vers 33 zegt de apostel: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? God is het, die rechtvaardig maakt! Wie is het, die verdoemt ? De zin is duidelijk. Als God veroordeelt, dan mag er vreeze zijn. Maar van deze vreeze zijn de geloovigen ontslagen, wijl God hen niet veroordeeld heeft, maar juist hen rechtvaardig heeft verklaard. Wie zal hen dan nu nog verdoemen ? Wie zou het oordeel Gods kunnen te niet doen ? Immers niemand.
De rechtvaardigmaking is dus een oordeel, dat God óver den mensch uitspreekt en waarbij Hij dien mensch rechtvaardig verklaart. En wijl Gods oordeel bestaat, gaat die mensch, die van God rechtvaardig gesproken wordt, vrij uit. Er is voor hem geen gericht, geen verdoemenis meer.
Onze vaderen zijn in dit opzicht eenparig in hun oordeel, dat de rechtvaardigmaking een actio forensis is, d.w.z. men denke maar aan de forenzen in de groote steden, de menschen, die buiten de stad wonen, dat de rechtvaardigmaking niet spreekt van een daad Gods in den mensch, hem veranderende of iets in hem wijzigende, maar van zulk een daad, waarbij God een oordeel over den mensch uitspreekt. Natuurlijk gaat dit oordeel den mensch aan. Hij is er ten nauwste in betrokken. Maar van hoeveel beteekenis deze daad van God voor den mensch ook is, zij heeft geen betrekking op zijn innerlijk en bedoelt van een vernieuwing van dat innerlijk niet te spreken ; deze daad heeft veeleer betrekking op wat wij gewoon zijn zij n staat te noemen. Als God den mensch rechtvaardig verklaart, dan behandelt Hij dien mensch als een rechtvaardige en heeft zulkeen een vrijmoedigen toegang voor Gods aangezicht. Ook al is hij in zijn binnenste nog immer een zondaar.
Wanneer wij de rechtvaardigmaking een daad van God noemen, dan — het volgt uit de beteekenis van het woord reeds — kan dat alleen in een betrekkelijken zin, en wel in dien zin, waarin zijn Woord immer een daad is. De Roomsche opvatting van dit stuk spreekt terecht van een daad Gods in eigenlijken zin. Iemand' in het diepst van zijn wezen van een goddelooze herscheppen in een rechtvaardige is een daad van God in denzelfden zin, waarin wij de schepping van den mensch een wonderwerk Gods noemen.
In de rechtvaardigmaking in schriftuurlijken zin hebben we echter met een rechtvaardlgverklaring te doen. In den zin, waarin ook een rechter vonnis velt en een oordeel uitspreekt. Zulk een verklaring van den rechter is geen ijdel woord. De gevolgen, die zijn oordeel, dat hij velt, heeft, stempelt het eenigermate tot een daad, maar in zich zelf blijft het een oordeel, dat hij uitspreekt. Veel minder nog kan van God's oordeel gezegd worden, dat het een ijdel woord is. Zijn uitspraak heeft onafwendbare gevolgen. Dat zullen allen ondervinden, die van Hem geoordeeld worden. Maar eveneens als God rechtvaardigt, ondervindt de mensch, dat Gods Woord de waarheid is en stand houdt. Daarom prijst de Schrift hen welgelukzalig, die van God worden vrijgesproken.
Duidelijk wordt hierdoor, dat de rechtvaardigmaking en het Woord Gods nauw met elkander verbonden zijn. Een daad van God in den zin, waarin wij dat woord dikwijls nemen, kan buiten de Schrift omgaan, al geschiedt zij naar de Schrift. Laat ik als voorbeeld nemen een wonderbare uitredding uit bizonderen nood. Dergelijke daden Gods zijn in het leven van Gods kinderen niet zeldzaam. Zij zijn ook in overeenstemming met de Schrift, wijl God beloofd heeft op hun hulpgeschrei hen bijstand te zullen bieden. Nochtans hebben we in dergelijke daden niet met een uitspraak van Godswege te doen, maar met de openbaring zijner almacht en wondere voorzienigheid
In de rechtvaardigmaking staan we echter voor een verklaring van God. Niet een besluit, maar een verklaring. Daarom veronderstelt de rechtvaardigmaking het Woord van God, waarin deze uitspraak wordt neergelegd. En het is door ditzelfde Woord van God, dat deze uitspraak ter onzer kennis komt. De ouden spraken in dit verband van de bedienende oorzaak van de rechtvaardigmaking, waaronder zij het evangelie verstonden.
Het is van groote beteekenis, om dit vast te houden, wijl later nog wel blijken zal, hoe velen de rechtvaardigmaking meer en meer aan het Woord onttrekken en maken tot een daad in den eigenlijken zin van het woord, een scheppendie daad, die in één oogenblik plaats grijpt en waardoor de mensch uit den dood wordt overgebracht in het leven. Wat de Schrift Ievenmaking, opwekking en opstanding noemt, noemen zij rechtvaardigmaking. Tot deze begripsverwarring moeten zij komen, wijl zij de rechtvaardigmaking los maken van het Woord. Ten gevolge daarvan is er voor hen ook niet meer één rechtvaardigmaking voor heel Gods Kerk, maar zij hebben evenveel rechtvaardigmakingen als er menschen gerechtvaardigd worden. Het zijn alle op zich zelf staande daden Gods.
Wijl de rechtvaardigmaking een verklaring Gods is, die in het Woord tot uiting komt, volgt daaruit reeds de band, die er is tusschen rechtvaardigmaking en geloof. Want een uitspraak, een oordeel, een verklaring kan verworpen of aangenomen worden ; ongeloof doet iemands verklaring verwerpen en geloof doet zijn verklaring aannemen. Alleen dus door die verklaring, met welke God in de rechtvaardigmaking iemand rechtvaardig verklaart, geloovig te aanvaarden, wordt een mensch gerechtvaardigd. Het oordeel Gods krijgt dan bestand ook voor zijn eigen bewustzijn en hij weet zich daardoor van schuld ontslagen en een vrij gesprokene, tegen wien niemand beschuldiging kan inbrengen.
In zooverre mogen we echter hier van een daad Gods blijven spreken, als het Woord Gods niet een ijdel woord is gelijk het woord eens menschen, maar gelijk de Schrift het uitdrukt, een kracht van God tot zaligheid. Het Woord, waarin God de zijnen rechtvaardig verklaart voor zijn aangezicht, breekt als een goddelijke kracht door in het menschenhart en verwekt het geloof, dat zich aan het oordeel Gods onderwerpt. Zij, die het te voren niet konden gelooven, dat Gods genade zoo groot is en die daardoor het woord der verzoening wel heilbegeerig beluisterden, maar het niet durfden aanvaarden met toepassing op zich zelf, zij moeten het dan gelooven en zij gelooven het dan van ganscher harte, want hun ziel springt alsdan op van vreugde en zingt luide met de Kerk van alle eeuwen : Ik ben zeer vroolijk in den Heere, mijne ziel verheugt zich in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de Moederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's