De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

ONZE BELIJDENISSTRIJD (8).

7 minuten leestijd

In de Groninger Catechismus wordt aangenomen een „bestaan" van den Christus in den hemel vóór Hij op aarde kwam (wat al heel wonderlijk klinkt) ; Hij wordt dan ook, naar kerkelijk en bijbelsch spraakgebruik, „Gods Zoon" genoemd. Maar wat beteekent dat dan hier ? Van ZiJn Godheid is geen sprake. Dat Hij de eeuwige natuurlijke Zoon van God is, ééns wezens met den Vader (Cat. Zondag 13) wordt niet beleden (evenals Arius dat loochende). De Verlosser is niet anders, dan een wonder-mensch, die Gods beeld volmaakt in zich heeft en dit aan ons kan mededeelen, door voorbeeld, onderwijs en opleiding. God, de groote Opvoeder der menschheid, maakt gebruik van Hem. Maar opleiding is geen verzoening en een opvoeder is geen Verlosser ! Al worden die woorden „Gods Zoon" enz. behouden, de begrippen en voorstellingen van Schrift en belijdenis passen niet in het stelsel. Men verwerpt in deze fundamenteele stukken wat Gods Woord en de Confessie leeren !
Op de vraag : „Worden dan alle menschen wederom door Christus zalig, gelijk zij in Adam zijn verdoemd geworden ? " geeft de Heidelberger Cat. in Zondag 7 ten antwoord : „Neen zij ; maar alleen degenen, die Hem (Christus) door een oprecht (waar) geloof worden Ingelijfd en al Zijne weldaden aannemen."
Hier is — dat is waar — het stuk der verkiezing niet aangeroerd. Er wordt niet gezegd : „zoovelen er uitverkoren zijn"; of „zoovelen er naar Gods voornemen geroepen zijn ; of iets dergelijks. Die Evangelieprediking met een rijken Chrlstus voor een arm en algeheel verloren zondaarsvolk staat op den voorgrond.
En bij de behandeling van de 3de bede : „Uw wil geschiede" hooren we klanken als „Geef dat wij en alle menschen onzen eigen wil verzaken en Uwen wil, die alleen goed is, zonder eenig tegenspreken gehoorzaam zijn." Maar al is daar sprake van „alle menschen", als wensch en bede, zoo is de ondergrond van den Heidelberger, volgens Zondag 21 vraag en antwoord 54, dat de heilige, algemeene Christelijke Kerk bepaald wordt door de verkiezing Gods. Want we lezen: „Dat de Zone Gods, uit het gansche menschelijk geslacht, Zich eene Gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in eenigheid des waren geioofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt — waarbij de christ-geloovige dan belijdt: „en dat ik daarvan ^een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven" (de Kerk dus niet genomen , als instituut, want daarvan blijft men niet eeuwig lidmaat, maar de Kerk genomen als organisme, het, lichaam van Christus, waarin alle uitverkorenen als levende lidmaten begrepen zijn).
De verkiezing Gods is hier dus de ondergrond en de sterkte en de heerlijkheid, waaruit de roeping voortkomt in den weg des Evangelies
Hierin verschilt de Heidelberger Catechismus niet van de Nederl. Geloofsbelijdenis, waar we in Artikel 16 lezen : „dat God uit enkel goedertierenheid diegenen uit het verderf verlost, die Hij uitverkoren heeft in Jezus Christus, onzen Heere, zonder eenige aanmerking hunner werken, terwijl Hij de anderen laat in hun val en verderf, daar zij zichzelf in geworpen hebben".
Het eerste is dan blijk van Zijn barmhartigheid, het tweede Zijner rechtvaardigheid. (Infralapsaxistlsch standpunt).
In den Catechismus, gelijk in de andere belijdenisschriften der Ned. Hervormde Kerk, v/ordt de zaligheid nooit in handen gelegd van het schepsel, noch de verlossing aan iets des menschen toegeschreven, 't Is en blijft altijd 't werk des Heeren en een daad van Zijn souverein welbehagen ; ook 't geloof is niet uit den mensch, 'maar' een gave Gods, een werk des Geestes. 't Is God en God alleen, die 't heil in Christus doet toekomen aan den mensch.
Maar als nu de Groningsche Catechismus óók de vraag doet: „Worden alle menschen door Christus zalig ? " — dan wordt de tweede helft in de vraag, zooals de Heidelberger die stelt, weggelaten n.l. de woorden „gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden." Daardoor is de vraag al dadelijk heel anders geworden. En die weglating, juist van die woorden, is niet zonder groote oorzaak. Het „allen in Adam verdoemd zijn" loochent men. En het antwoord is dan óók geheel anders geworden. Dat antwoord luidt : „God wil, dat alle menschen door Christus zalig worden; maar vele menschen willen niet tot Christus komen en het eeuwige leven in Hem hebben, 't welk die alleen verkrijgen, die Hem aannemen en door een oprecht geloof Hem worden ingelijfd."
In dit antwoord vinden we wel enkele woorden van den Heidelberger terug, maar de zin en de beteekenis van 't geen het belijdenisgeschrift onzer Hervormde Kerk zegt, is verloochend en is zoek !
Want de Groninger Catechismus zegt: God wil wat — en vele menschen willen wat anders ; en de zaligheid of de verdoemenis is afhankelijk van 's menschen willen of niet willen. Die niet wil zalig worden, tegen Gods wil in, die wordt ook niet zalig. En die willen, die worden behouden !
Dat is vlak het tegendeel van wat het gansche Gereformeerde Protestantisme overal en altijd vóórop gesteld heeft: het souverein welbehagen des Heeren, die alle dingen werkt naar den raad Zijns willens, die Zich ontfermt diens Hij Zich ontfermt en die verhardt dien Hij verhardt; „uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen".
Het is onbegrijpelijk hoe iemand het tegendeel van de Gereformeerde opvatting leeren kan en tegelijk dan blijft beweren, dat hij de leer van den Catechismus alleen „zuivert" en „den boom van dood hout ontdoet, " maar onveranderd laat. Dat is eenvoudig niet waar ! Er worden niet maar enkele dingen „duidelijker" gezegd; neen, in waarheid woorden heel andere leerstukken verkondigd; de meest fundamenteele Gereformeerde waarheden worden geloochend, bestreden en door andere vervangen ! God wü, zoo leert de Groningsche Catechismus, dat alle menschen zalig worden, maar „vele" menschen willen niet tot Christus komen. Denkt nu eens het geval, dat die „vele" menschen, die niet willen, „alle"' menschen worden, dan zou het geheele plan Gods tot verlossing afstuiten op der menschen onwil. En waarom zou dat niet kunnen, dat alle menschen God den rug toekeeren en ongehoorzaam blijven ? Zijn we niet allen zondaren ; zijn we niet tezamen afgeweken, terwijl er niet één is die goed doet, niet één die naar God vraagt ? Heel het huis der verlossing en zaligheid wordt op menschelijk fundament opgebouwd, 't hangt alles af van de goedwilligheid van den mensch. God wil wel, maar of de mensch goed wil of kwaad wil, is een risico en moet door Hem maar geduldig worden afgewacht!
Is het wonder, dat de orthodoxie in de Evangelische (!!) richting, in de Groninger theologie, een caricatuur van de Kerkleer zag ?
Die naakte en nuchtere waarheid is, dat de Groninger theologie het Christelijk geloof losmaakte van de Kerkleer en vastmaakte aan haar eigen leer (leer tegenover leer stellend), aan welke „nieuwe" leer geen draad nieuws zit, want woord voor woord is overgenomen van de oude dwalingen van Arius en Pelagius, van de Socinianen en Remonstranten, welke oude dwalingen, óók als ze weer in een nieuw Meed verschenen, altijd door de Kerk van Christus zijn veroordeeld en verworpen, als in strijd met Gods Woord.
Vandaar ook in de 19de eeuw het verzet bij de belijders van den Christus der Schriften in de Ned. Hervormde (Geref.) Kerk. En met diepe ernst werd in 'de strijdende Kerk door degenen, die de waarheid van Schrift en belijdenis voorstonden, gezegd : ze hooren bij ons niet; dat ze zich van de dwaling huns wegs mogen bekeeren, of — van ons henen gaan ! (1 Joh. 2 vers 19).
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's