STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE VASTE LASTEN.
De eerste weg van aanpassing tot lager levenspeil, n.l. die, waarbij de Overheid zich van elke bemoeienis met het economisch leven onthoudt, zou, zooals wij de vorige week schreven, tot ineenstorting van het bedrijfsleven leiden en onberekenbare schade voor alle groepen der bevolking met zich brengen. Daarom kan in dezen weg de oplossing van^ het aanpassingsvraagstuk niet gezocht worden.
Evenmin is dit het geval met den maatregel om de goudwaarde van den gulden te verlagen, de devaluatie. Dit middel moge een gemakkelijke weg zijn om het leven aan een lager niveau aan te passen, maar de devaluatie is in zijn gevolgen én voor het crediet van den Staat én voor de Rijksfinanciën èn voor het vertrouwen in de Regeering zoo gevaarlijk en gewaagd, dat elke stap in die richting met groote beslistheid moet achterwege blijven.
Niet de gemakkelijke weg der devaluatie, maar de moeilijke weg der aanpassing langs lijnen van geleidelijkheid moet gevolgd worden.
Dit is de derde weg.
Op dezen weg hebben land-en tuinbouw reeds een belangrijke schrede gedaan. Daar is het levenspeil over het algemeen weer gekomen op het peil van voor den oorlog.
Zoo staat het echter niet met de bevolking in de steden. Het peil van het leven der stadsbevolking gaat nog altijd verre uit boven dat van de bewoners van het platteland.
De illusie, dat deze toestand zoo kan blijven, is niet te verwezenlijken.
Hoe zal nu de aanpassing aan een lager levensniveau langs den derden weg te bereiken zijn ?
Deze aanpassing zal moeten worden tot stand gebracht door de kosten van het levensonderhoud te verlagen. Gaan die kosten naar beneden, dan zullen als gevolg daarvan ook de loonen en salarissen geleidelijk kunnen dalen.
Nu zijn de kosten van het levensonderhoud In twee rubrieken onder te brengen, eerstens de kosten van levensmiddelen, kleeding en brandstoffen, en verder de kosten der vaste lasten.
Ten aanzien van de eerste rubriek valt op te merken, dat de kosten van voedingsmiddelen en die van kleeding en brandstoffen, vrijwel hun grens hebben bereikt.
Dit blijkt uit de indexcijfers, die sedert September 1932 vrijwel onveranderd zijn gebleven.
Stelt men het indexcijfer van het jaar 1928 op 100, dan bedroeg het totaal der kosten van dat gedeelte van het levensonderhoud, dat tot de eerste rubriek behoort, in September 1932 83'/21 terwijl dit cijfer begin 1935 op 82 stond. Een even geringe schommeling viel waar te nemen bij de kleeding, waarvan de cijfers waren respectievelijk 59 en 58. Iets meer verschil valt vast te stellen bij de brandstoffen. Het cijfer van dit artikel liep terug van 82 op 73.
Men ziet, dat het verschil in de prijzen van voedingsartikelen, kleeding en brandstoffen, in de jaren 1932 en 1935 maar zeer gering is. Verdere teruggang van deze prijzen is — naar men meent — niet te verwachten. Vandaar dat de verdere aanpassing aan een lager niveau zal moeten komen van de tweede rubriek, n.l. van die der vaste lasten.
Tot die vaste lasten behooren de hypotheekbankrenten, de huishuren, de belastingen (directe en indirecte), de prijzen van water, gas, electriciteit, contributies enz.
In het tijdschrift, de Opbouw spreekt mr. dr. J. H. van Zanten met betrekking tot de vaste lasten van het verstarde gedeelte van het budget van den Nederlandschen burger. Hij deelt in het genoemde tijdschrift mede, dat b.v. de woninghuren tot 1932 nog steeds omhoog gingen, het indexcijfer stond toen op 100. In 1933 bleef dit onveranderd en eerst in 1934 werden de huren iets lager. Zij daalden van 106 op 105, 9, een cijfer, dat bij dat van de kleeding, hierboven aangegeven, 58, schril afsteekt. Wat gas en electriciteit betreft, waren de prijzen in 1930 slechts 5 procent lager, vergeleken bij die van 1928, en daarop staan ze nog.
Om nu tot aanpassing aan een lager levenspeil te geraken, zullen de vaste lasten omlaag moeten. Zulks gaat natuurlijk niet ineens. De daling moet geleidelijk geschieden. Zij moet echter voortgang hebben. Stilstand is ook hier achteruitgang.
Dit heeft de Regeering begrepen, toen zij besloot om de rente te verlagen van de voorschotten voor den volkswoningbouw en ook bepaalde, dat de aflossingen, die voorheen over 50 jaren moesten worden betaald, thans over 75 jaren kunnen worden verdeeld. Voorts werd op de begrooting voor 1935 een extra post van 1, 5 millioen uitgetrokken om tot huurverlaging te kunnen overgaan. Dank zij deze maatregelen der Regeering, is in 261 gemeenten voor 43623 woningen huurverlaging kunnen worden bereikt tot een bedrag van ƒ 1.107.540. De stap, die hier gedaan werd, is wel bescheiden, doch er is dan toch een begin gemaakt met de verlaging van de vaste lasten. Intusschen blijven de woninghuren van de arbeiderswoningen een groot struikelblok op den weg der aanpassing vormen. En wat van deze woninghuur kan gezegd worden, is ook van toepassing op de andere vaste lasten, die in de tegenwoordige moeilijke tijdsomstandigheden voor de meeste burgers haast niet meer te dragen zijn.
Daarom zal de Regeering, wil zij de aanpassing aan een lager levenspeil tot stand brengen, doortastend moeten te werk gaan en snel moeten handelen.
De weg der geleidelijkheid is wel moeilijk, maar op dien weg zijn toch wel goede resultaten te bereiken.
De vaste lasten moeten omlaag.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's