DE RECHTVAARDIGMAKING
Het getuigt van de zondige vermetelheid des menschen, dat hij zich zelf in den rechterstoel durft te zetten om over zich zelf vonnis te vellen en zelf te oordeelen, of hij aan de goddelijke eischen, hem gesteld, voldoet. En niet minder getuigt het van zijn verblinding, dat hij meent, dat zulk een oordeel, door hem zélf over zich zelf geveld, bestaan zal.
Toch mogen wij niet vergeten, dat de mensch in zijn afval van God hier geenszins bij is blijven staan, maar dat hij in zondige vermetelheid gedurig verder gaat.
Niet alleen, dat hij zich zelf het recht toekent om over zich zelf te oordeelen ; hij gaat zelfs zoover, dat hij zich het recht aanmatigt om ook zich zelf de wet te stellen.
De nieuwere wijsbegeerte, die met Cartesius en Spinoza haar intrede doet in de landen der reformatie, heeft een geest opgeroepen, die niet alleen de grondslagen van het christendom ondermijnt, maar zelfs den grondslag der religie in het algemeen te niet doet.
Men ontmoet dezen geest in allerlei stelsels. hoe verschillend ook onderling, m.en ontmoet hem op allerlei levensterrein. Het is de geest der anomia, der wetteloosheid. Er is geen plaats meer voor een wet, van Gods wege den mensch gesteld ; er is ook geen plaats meer voor de handhaving van het goddelijk recht. De mensch is zich zelf een God en daarom is hij autonoom; hij stelt zich zelf de wet.
Duidelijk is, dat, voorzoover door dezen geest nog plaats gelaten wordt voor de religie, in deze religie geen plaats meer is voor een rechtvaardigmaking. Zooals toch het woord reeds aanduidt, is de mensch in het stuk der rechtvaardigmaking gezet voor de vraag: hoe word ik rechtvaardig voor God ? De mensch, die autonoom is, heeft echter met deze vraag niet van doen. Hij erkent geen goddelijke rechtsnormen, waar hij aan beantwoorden moet. Er is voor hem geen goddelijke wet, den mensch gezet, en daarom is er ook geen overtreding. Hij mag nog eenig onderscheid maken tusschen goed en kwaad, maar de begrippen van schuld en straf zijn hem ten eenenmale vreemd.
De strijd met dezen geest des tij ds grijpt nog veel dieper in de grondslagen van het geloofsleven in dan de strijd met Rome. Het getuigt daarom van een ontzaglijke kortzichtigheid in onze dagen geen andere vijand te zien dan Rome. Heel het moderne leven is van den geest der wetteloosheid doortrokken, en waar de Kerk midden in dit leven staat, is het als zoodanig reeds waarschijnlijk, dat zij den invloed van dezen geest ondergaat, misschien in meerdere mate dan wij zelf beseffen.
Voor mij lijdt het geen twijfel, of deze geest is de oorzaak, dat in het midden der gemeente het stuk van de rechtvaardigmaking zoo weinig gekend wordt. De behoefte aan rechtvaardigmaking is door dezen geest weggenomen. Het besef van recht en wet, van schuld en straf is op een ontzettende wijze ondermijnd.
Wat het gewone maatschappelijke leven aangaat, valt zulks gemakkelijk aan te toonen.
Reeds jaren wordt van verschillende zijde geklaagd over de tuchteloosheid, aan onzen tijd eigen. De tuchteloosheid der jeugd is gedurig onderwerp van gemeenschappelijke beraadslaging geweest. De eigenlijke oorzaak, het ontbinden van de banden der goddelijke wet, is dikwijls voorbij gezien. Niet, dat het onjuist is om te wijzen op een tekort aan de zijde der opvoeders, als we maar niet vergeten, dat we hier op het zelfde euvel stuiten. De handhaving van het gezag door de ouders, door de Overheid, door wie ook, rust ten slotte in het besef, dat de goddelijke wet van allen onderwerping eischt en dat het recht Gods ten allen tijde onverkort moet gehandhaafd worden. Daarmede is alle persoonlijke willekeur uitgesloten en is er een nauw verband gelegd tusschen gezag en consciëntie. Het ontbreken van dit besef echter is oorzaak van de ondermijning van het gezag op alle levensterrein, oorzaak tevens van de bandeloosheid en tuchteloosheid, die in haar openbaring menigeen doet schrikken, ofschoon men zelf meegewerkt heeft aan hare ontketening.
Komen wij op dat terrein der Overheid, waar zij inzonderheid door haar rechterlijke organen het recht heeft te handhaven en de zonde te straffen, dan wordt dit alles nog veel duidelijker. Het begrip straf is langzamerhand een steen des aanstoots geworden. Allerlei theorieën worden voorgedragen, waardoor de straf ophoudt straf te zijn. De een wil de straf maken tot een verbeteringsmethode, de ander wil den misdadiger slechts afzonderen om de maatschappij tegen dergelijke onevenwichtige figuren te beschermen. Ik heb zelfs eens iemand, van wien ik gelooven mag, dat hij op de hoogte was, hooren beweren, dat het niet gemakkelijk valt om een hoogleeraar te vinden, die het strafrecht heeft te doceeren.
Het is duidelijk, dat dergelijke gedachten en voorstellingen het leven des volks doortrekken, gelijk een olievlek op papier de neiging heeft zijn kring steeds uit te breiden. Het rechtsbewustzijn van 't gansche volk is ondermijnd. Wat indertijd bij een heidensch volk als de Romeinen leefde en in den bekenden regel: dat de gerechtigheid haar loop hebbe, al zou de wereld er bij ten onder gaan, werd uitgedrukt, is bij ons verloren gegaan. In een bizonder geval mag dit weggeschoven rechtsbewustzijn nog eens krachtig reageeren, over het algemeen Is het te vergelijken met een gewonde, die half bewusteloos neerligt.
Te weinig wordt vaak beseft, dat hierdoor het religieuze leven in den hartader wordt getroffen. In de vraag naar de verhouding tusschen God en mensch wordt de rechtsvraag, zoo zij al niet geheel verwijderd wordt, naar den achtergrond geschoven. Ook al buigt men zich in naam nog voor de Schrift, ziet men toch telkens, de geest des tijds overheerschen. Het zondebewustzijn wordt ontdaan van het schuldbewustzijn. Men klaagt wel over de zonde, maar kent niet meer den rechtvaardigen toorn Gods over de zonde. De zonde is, evenals in de moderne theorieën van het recht en het strafrecht, in het bewustzijn der gemeente vaak een ziekte geworden, welker genezing men wel zoekt, maar welker strafwaardigheid men niet kent.
Zoo moet ook verklaard worden, dat de leer van 's menschen onmacht ten goede, haar religieuze ondergrond heeft verloren en ingewisseld is voor de moderne deterministische voorstelling, dat een mensch nu eenmaal is gelijk hy Is en niet anders kan handelen dan hij doet. Het zedelijk geestelijk leven is niet anders dan een natuurproces, waarin de zonde een plaats heeft in de onverbreekbare reeksen van oorzaken en gevolgen. Het besef van 's menschen onmacht is ontbloot van alle schuldbewustzijn.
Tot hoe grooten invloed de geest des tijds in de Kerk is gekomen, kan allereerst blijken in het modernisme, dat de prediking van schuld en straf, van verzoening door het bloed van Christus heeft laten vallen, dat den Oud-Testamentischen God, die zoo schrikkelijk toornt over de zonde, eervol heeft begraven om den Nieuw-Testamentischen God te prediken, die zooveel liefdevoller is en zooveel gemakkelijker te dienen door den mensch der 19e en 20e eeuw.
Ook in de prediking der ethische richting vinden we de sporen van den geest des tijds zeer duidelijk aangegeven, gelijk we later nog hopen aan te wijzen.
Maar al is de prediking in tal van gemeenten aan de Schrift gebonden, toch heeft de geest des tijds zulk een invloed geoefend, dat er voor het evangelie naar de Schriften haast geen plaats meer is. Er is geen besef van schuld, geen bewustzijn van den schrikkelijken toom Gods over de zonde, geen behoefte aan verzoening.
En nu zegge men niet, dat, als God een mensch aan zijn zonde ontdekt, de geest des tijds vanzelf wel op de vlucht zal slaan. Ook in Gods kinderen en in het leven van Gods kinderen werkt deze geest na en laat zijn werking nog geducht gevoelen. Men lette er maar eens op, hoe tal van godvruchtigen de reiniging des harten veel meer zoeken dan de uitdelging van hun schuld. Nieuwe menschen begeeren zij te worden meer door de uitstorting van een nieuw leven in hun hart, dan door de aanneming tot kinderen om Christus' wille.
Hier ligt de oorzaak, waardoor de rechtvaardigmaking op den achtergrond is gekomen en de vraag : hoe word ik weder rechtvaardig voor God ? geen levensvraag is in onze dagen, die de zielen tot het uiterste toe beroert.
Het stellen van deze diagnose leidt tot het voorschrift van één geneesmiddel in het bizonder, d.i. de prediking der goddelijke wet. Doch dan hoede men zich voor een vergissing, die reeds veel kwaad heeft gedaan. Men vereenzelvige de prediking der wet niet met de prediking van den vloek der wet. Wie den vloek der wet predikt aan hen, die de eischen der wet niet verstaan, is hen als iemand, die een vreemde taal spreekt. Men luistert er misschien naar, zooals men luistert naar een marsch, die met vol geluid door een fanfarecorps wordt gespeeld, maar de consciëntie wordt niet geraakt.
Er is geen moeilijker taak, dan het prediken van de eischen der goddelijke wet, opdat de strafwaardigheid der zonde ontdekt worde. Want terecht zegt de dichter, dat hij aan alle volmaaktheid een einde heeft gezien, maar Gods gebod is zeer wijd. Wie zulks recht zal doen, moet wel een teer geweten hebben en tot de armen van geest behooren.
Daarom ligt hier een bizondere taak voor allen, die den Heere vreezen. Want dan wordt de sprake der wet het best voor ons verstaanbaar, als zij ons tegentreedt In ons vleesch en bloed. Niets ontdekt meer aan eigen diepen val, dan de ontmoeting met een godvruchtige, die met een teer geweten wandelt voor het aangezicht van zijn God, die zelfs terugschrikt voor wat wij kleine zonden noemen, wiens wandel waarlijk in de hemelen is.
Het klinkt misschien een oogenblik vreemd, maar zulk een godzalig leven zal meer behoefte aan de rechtvaardigmaking verwekken dan de mededeeling, hoe men gerechtvaardigd is geworden. Het laatste voldoet vaak aan een ijdele nieuwsgierigheid, maar het eerste overtuigt van zonde en schuld.
O. a/d IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's