De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

19 minuten leestijd

CALVIJN's INSTITUTIE 1535—1935.
In den loop van het jaar 1535 ging Calvijn naar Bazel. Hij was toen 26 jaar oud. Bij de weduwe Katharina Klein, in de voorstad St. Alban, huurde hij een kamer, terwijl z'n voornemen was binnen korten tijd Bazel weer te verlaten en naar Straatsburg te gaan. Toen hij echter met de drukkers Lattner en Blasius in aanraking kwam — door Viret en Bullinger was hij op deze mannen attent gemaakt — opperden zij samen het plan het manuscript, dat de jeugdige Calvijn in gereedheid had gebracht (hij was er te Angouième in Prankrijk, na zijn vertrek uit Parijs, reeds mee begonnen) uit te geven. En in 1536 verscheen bij Lattner en Blasius te Bazel de Institutio Religionis Christian a e of De Onderwijzing in de Christelijke Godsdienst van Johannes Calvijn. Het werd het voornaamste werk van den grooten hervormer, de bron van invloed op het godsdienstig en kerkelijk leven van Europa en ver daarbuiten.
In de Voorrede, gedateerd 1 Aug. 1536, zijnde een brief aan „den zeer machtigen en doorluchtigen monarch, Frans I, den allerchristelijksten Koning van Frankrijk, zijn vorst", komt duidelijk uit wat de doelstelling bij het schrijven van de Institutie was. In het edict van 1 Febr. 1535 had de Fransche Koning de vervolging der Hervormingsgezinden verdedigd. En nu wilde Calvijn van de Hervormde leer een uiteenzetting geven, opdat men weten zou, zoo breed mogelijk, maar tegelijk kort en beknopt (in de eerste uitgave komen slechts 6 hoofdstukken voor : de wet, het geloof, het gebed, de Sacramenten, de 5 Roomsche Sacramenten, de christelijke vrijheid) wat de inhoud van „de nieuwe leer" was. En zoo hebben we gekregen een Handboek voor de Gereformeerde geloofsleer, in haar verhouding tot alle levensterreinen. Calvijn zelf heeft er dan ook meermalen op gewezen, dat zijn Institutie voor zijn geloofsgenooten dezelfde beteekenis heeft als het standaardwerk van Thomas van Aquino, dat onder den titel van Summa (Hoofdzaken) verschenen was. (Een nieuwe druk verschijnt onder den titel Thomas van Aquino, Summa der Theologie, Alfred Kroner. Leipzig. 1935; 2de deel, 4 Mark). Drie jaren na de oorspronkelijke uitgave, die in het Latijn geschreven was, werd begonnen met een Fransche vertaling institution Chretiènne". En na deze zijn herhaaldelijk nieuwe (verbeterde en uitgebreider) drukken verschenen in 1543, 1550 en 1559. „Vordering makende schreef hij, en schrijvende maakte hij vorderingen" — hoewel gerust kan worden gezegd, dat in wezen de eerste uitgave steeds dezelfde is gebleven. Principieel is Calvijn in den loop der jaren, wat zijn Handboek voor de Gereformeerde geloofsleer betreft, niet veranderd.
Wij schrijven hier af, wat Calvijn, toen te Geneve zijnde, 1 Aug. 1559 in zijn Voorrede van de nieuwe uitgave schreef :
„Aangezien ik bij de eerste uitgave van dit ons werk allerminst het succes verwachtte, dat de Heere is Zijn onmetelijke goedheid gegeven heeft, had ik het grootendeels (zooals dat met kleine werken pleegt te geschieden) vluchtig geschreven. Maar toen ik ontwaarde, dat het door bijna alle vromen ontvangen was met een goedgunstigheid, die ik nooit had durven hopen, gevoelde ik niet alleen dat men mij veel meer schonk, dan ik verdiend had, maar ook meende ik, dat het van groote ondankbaarheid zou getuigen, wanneer ik niet, althans naar mijn geringe krachten, trachtte te beantwoorden aan de gezindheid, die me zoo zeer genegen was en die mijn ijver van zelf opwekte. En dat heb ik niet alleen gepoogd in de tweede uitgave, maar zoo vaak als het werk daarna gedrukt is, is het door eenige toevoeging verrijkt. En ofschoon ik geen spijt had van den arbeid, dien ik er toen aan besteedde, heeft het mij zelf toch nooit voldoening geschonken, totdat het werk gebracht was in die gedaante, waarin het nu (1 Aug. 1559) wordt geboden. Ik vertrouw, dat ik nu iets gegeven heb, dat het goedkeurend oordeel van u allen kan wegdragen.
Met hoe grooten ijver ik er mij op toegelegd heb om voor Gods Kerk dezen dienst te verrichten, moge dit als duidelijk bewijs gelden, dat ik in den afgeloopen winter, toen ik meende, dat mij door de derde-daagsche koorts de dood aangekondigd werd, mij zelf des te minder gespaard heb, naarmate de ziekte mij meer kwelde, totdat ik dit boek voltooid had, om daardoor eenigen dank te vergelden voor de zoo vriendelijke wensch der vromen.
Ik zou wel gewild hebben, dat ik het vlugger had kunnen doen, maar het is vlug genoeg, als het goed genoeg is. En ik zal het er voor houden, dat het te juister tijd gekomen is, als ik mag bemerken, dat het aan Gods Kerk nog overvloediger vrucht geschonken heeft dan te voren. Dit is mijn eenige wensch. En zeker zou het slecht met mij gesteld zijn, wanneer ik niet met de goedkeuring van den eenigen God tevreden ware en de dwaze en verkeerde oordeelvellingen van onervaren menschen of de onbillijke en kwaadaardige beoordeelingen van booze lieden, niet verachtte. Want hoewel God mijn geest geheel heeft overgegeven aan den ijver om Zijn Rijk uit te breiden en het algemeen nut te dienen, en ik ook mijzelf er goed van bewust ben en Hem zelf en Zijn engelen tot getuigen heb, dat ik, sinds ik het ambt van leeraar in de Kerk op mij genomen heb, geen ander doel voor oogen gehad heb dan de bevordering der Kerk door de zuivere leer der Godzaligheid te verdedigen — zoo meen ik toch, dat er niemand is, die met méér laster aangevallen, gebeten en verscheurd wordt.
Toen deze brief reeds op de drukpers lag, heb ik zeer stellig vernomen, dat te Augsburg, waar de Staten des Rijks vergaderden, het gerucht verspreid was, dat ik tot het pausdom afgevallen was en dat dit gerucht met méér gretigheid, dan behoorlijk was, aan de hoven der vorsten was aangenomen. Dit is zeker de dankbaarheid van hen, aan wie ongetwijfeld niet ontgaan zijn de zeer vele bewijzen mijner standvastigheid, welke bewijzen niet alleen een zoo vullen laster afwijzen, maar mij ook bij alle eerlijke en onpartijdige rechters daartegen hadden behooren te beschermen. Maar de duivel met zijn gansche bende vergist zich, wanneer hij, mij met zijn weerzinwekkende leugens aanvallend, meent, dat ik door deze onwaardige bejegening meer versaagd of traag zal zijn : want ik vertrouw, dat God in Zijn onmetelijke goedheid mij zal geven, dat ik in den loop Zijner heilige roeping met onveranderlijke lijdzaamheid volhard. En daarvan lever ik aan de vrome lezers in deze uitgave een nieuw bewijs.
Verder is in dezen arbeid mijn oogmerk geweest, degenen, die zich gezet hebben tot de studie der heilige Godgeleerdheid, tot het lezen van Gods Woord, zóó voor te bereiden en te onderwijzen, dat zij daartoe een gemakkeiijken toegang kunnen hebben en er zonder moeilijkheden in kunnen voortvaren. Immers ik heb, naar ik meen, de hoofdsom van den godsdienst in alle deelen zóó saamgevat en in zulk een orde gesteld, dat, indien iemand die hoofdsom juist heeft gevat, het hem niet moeilijk valt vast te stellen, wat hij vooral moet zoeken in de Schrift en tot welk doel hij al wat in haar vervat is, moet gebruiken. Daarom zal ik, nu deze weg gebaand is, wanneer ik later eenige uitleggingen der Schrift uitgeef, het niet noodig achten over de leerstellingen lange uiteenzettingen te geven en uit te wijden over gemeenplaatsen, maar die uiteenzettingen altijd zoo kort mogelijk geven. Op die manier zal de vrome lezer van grooten last en onaangenaamheid verschoond blijven : mits hij dan met de kennis van dit werk, zijnde een noodzakelijk hulpmiddel toegerust, zich tot de lezing van die uitleggingen der Schrift begeeft. Maar aangezien de bedoeling van dezen opzet in zoo-vele uitleg kundige werken van mijn hand als in een spiegel duidelijk blijkt, wil Ik liever straks metterdaad duidelijk maken, hoe het is, dan het nu met woorden verkondigen.
Vaarwel, beminde lezer ! En wanneer ge van mijn arbeid eenige vrucht geniet, steun mij dan door uw gebeden bij God, onzen Vader.
Geneve, den 1en Augustus 1559".
Bevatte de eerste uitgave van de Institutie slechts 6 hoofdstukken (zie boven), de wijze van indeeling van dit Handboek is later geheel gewijzigd en is langzamerhand een Leerboek geworden. In 1559 verscheen de Institutie in den tegenwoordigen vorm (naar de indeeling van de 12 Geloofsartikelen opgezet) en bevat nu vier Boeken : 1. Over de kennis van God den Schepper ; 2. Over de kennis van God den Vader in Christus; 3. Over de wijze, waarop de genade van Christus verkregen moet worden, welke vruchten daaruit voortvloeien en welke werkingen daaruit volgen ; 4. Over de uiterlijke middelen of behulpsels, waardoor God ons tot de gemeenschap van Christus noodigt en daarin houdt.
Reeds in 1560 is de Institutie in het Nederlandsch overgezet. Het was en is nog het Handboek voor de Gereformeerde theologen en wordt ook nog steeds door velen buiten dien kring gedurig geraadpleegd.

VOOR DE LIJDENSWEKEN (2) WAT DE MENSCHEN DOEN.
In het lijden en sterven van Jezus, den Middelaar Gods en der menschen, wordt de Raad Gods vervuld, 't Is God, die alle dingen heeft verordineerd naar Zijn welbehagen en die alle dingen nu zóó stuurt, dat Zijn voornemen wordt vervuld en Zijn welbehagen wordt volbracht, 't Is ook hier weer : „Mijn Raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen." Al 't heil van Sion komt dan ook voort uit Gods souverein welbehagen, van de bergen Zijner genade en trouw. Want in dat eeuwig welbehagen Gods is óók opgenomen het lijden van den Middelaar, het kruis van den Christus, de dood van den Borg.
Als er één te danken is voor het lijden en sterven van het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegdraagt en Sion verzoening brengt, dan is het God, en niemand anders. God verkiest, verordineert, zalft den Messias en het is God die van den Borg vraagt het offer op Golgotha, daarbij zóó lief de wereld hebbend, dat Hij Zijn eigen Zoon daartoe geeft. „Alzoo lief heeft God de wereld gehad", zegt de apostel Johannes en Paulus getuigt, dat wij eeuwig dank verschuldigd zijn aan den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus.
Als het lijden dan ook komt is het God, die alle dingen daartoe doet medewerken, opdat het zóó en niet anders zal gaan. Het heilig Kind Jezus wordt door den Vader in het lijden gebracht en Hij ontmoet Zijn Vader in de hoogste crisis als Zijn Rechter.
Maar nu wil dit niet zeggen, dat de menschen, die den Heiland omringen in de dagen, dat het lijden aanstaande Is, vragen naar Gods welbehagen m betrekking tot Sions Borg, waarvan de profeten van ouds gesproken hebben. Bij de menschen is geen heilig verlangen naar het Lam Gods, dat de zonden der wereld zal wegdragen ; aar den lijdenden Knecht des Heeren, waarvan Jesaja zoo bijzonder heerlijk had getuigd. Geen hongeren en dorsten naar het heil van Hem, die alle ongerechtigheden op Zich ziet aankomen en die, als Hij geëischt wordt, bereid is om Zijn ziel uit te storten in den dood. Bij de menschen Is geen hunkeren naar den vrede, die komen zou door Hem, wiens striemen genezing zouden brengen, zeggende : Hij is onze vrede !
Neen, allen die Hem omringen werken op hun eigen manier ; allen omringen Hem, allen zijn bezig met Hem, allen slaan Hem gade en ieder doet er het zijne aan toe. Maar niemand begeert Zijn lijden, om daarin vrede te vinden, niemand hunkert naar het kruis, om daarin Gods gadeloos ontfermen, Gods eeuwig welbehagen te aanschouwen.
Ieder staat op zijn eigen manier tegenover het lijden, waarvan Mozes en de profeten hebben getuigd. En sommigen staan er buiten en willen er bulten blijven ; terwijl er anderen zijn, die er aan mee werken, maar dan uit haat en vijandschap, er geenszins heil van verwachtend. En zoo staat Hij alléén, om dan Zelf Zich te geven tot in den dood, ja, den dood des kruises, gewillig Zijn leven afleggend tot verzoening van Zijn erfdeel.
De menschen ach, de menschen, wat beseffen ze weinig van het lijden, dat komt naar Gods raad en welbehagen en dat brengen zal het heil van Sion !
Thomas, als hij er zijn Meester wéér van hoort spreken, wordt moedeloos en zegt: „nu, als 't dan toch gebeuren moet te Jeruzalem, laat ons dan met Hem gaan naar de tempelstad en saam met Hem in den dood ingaan !" Donker ziet hij alles in en als een niet te keeren lot wil hij het aanvaarden; hij, de liefdevolle, maar moedelooze Thomas, hij wil zich, als het dan niet anders kan, schikken naar den gang van 't werk en ze moeten dan samen maar sterven ! Dan is 't uit met alles!
Petrus is wéér anders. Die begrijpt er niets van, waarom de Heiland zou moeten lijden en sterven ; en hij wil er ook niets van weten. Neen, 't zal niet gebeuren ! En als het lijden dan toch moet komen, dan zal hij naast Jezus staan, bij Hem gevonden worden, om saam den lijdensweg te wandelen. Als 't moet, dan saam de gevangenis in ; ja, als 't moet saam den dood ondergaan.
Noch Thomas, noch Petrus begrijpen iets van het lijden, dat naar Gods raad en welbehagen komen zal en dat Sion den vrede, de verzoening en de gerechtigheid, de verlossing en de zaligheid brengen zal. Van de zaligheid van het lijden, zooals Jesaja het zag, zien zij niets, 't Staat alles buiten hen. Zij kennen zich zelf niet en zij kennen den lijdenden Knecht des Heeren niet. Zij willen Hem zóó niet aanvaarden. Zij zullen het, voor zoover 't mogelijk is, verhinderen en afweren, met inspanning van alle krachten.
Met Judas is het wéér anders. Judas had zich andere dingen gedroomd van den komenden Messias; eer, aanzien, geld, goed. Een vrij volk, een vrij Vaderland, met een eigen koning en hij onder zijne staatsdienaren, met een eervolle positie ! En toen dat niet kwam, stortte hij mee den man, in wien hij zich vergist had en in wien hij bedrogen was, in de diepte van verachting, daaraan verdienend dertig zilverlingen. Niets, niets verstond hij van het lijden en sterven van den Gezondene des Vaders. Hij stond er geheel buiten en was en bleef een zoon der verdervenis.
En Petrus, toen het lijden kwam, ergerde zich in den voortgang zóó, dat hij zijn Heiland, den lijdenden Knecht des Heeren, verloochende. Van de ergernis kwam verloochening. En hij zou er buiten gebleven zijn, indien de Heere niet genadig Zich over hem had ontfermd, om hem een ander hart en andere oogen te geven. En toen, ja toen werd het lijden hem dierbaar en het bloed van het Lam Gods werd kostelijker dan het fijnste goud ! Zalig lijden ; zalig sterven van Sions Borg, die de zonden Zijns volks verzoende !
Zalig, ook voor Petrus !
En de Sadduceën, die de wereld liefhadden en zoovele waarheden loochenden, maar toch niet ongodsdienstig wilden zijn ? En de Farizeën en Schriftgeleerden, die alles zoo goed wisten en zoo zuiver geloovlg, zoo streng godsdienstig waren in eigen oog ? En de hoogepriester, die dagelijks was in de heilige tempeldienst, met offer en zegening ? En Herodes, de wereldling, de wellustige, die in ijdelheid en zondedienst was weggezonken ? En Pilatus, de oververzadigde, die van alle hoogere idealen beroofd was en onverschillig z'n wereldschen-en zondigen weg vervolgde ?
Wat hebben al die menschen gedaan ten opzichte van het lijden van Jezus ? En dan de schare, die op z'n tijd gevoelig godsdienstig en op z'n tijd geweldig onverschillig was, die een „Hosanna" riep, maar tegelijk een „kruis hem" klaar had, wat heeft die schare gedaan ?
Al die menschen saam genomen. Jood en Heiden, godsdienstige en ongodsdienstige, leidslieden en volksmassa — allen hebben ze Hem genomen en aan 't kruis genageld, niet verstaande wat ze deden, zich vreeselijk bezondigend aan Gods woord en wet, aan Gods Zoon der liefde, aan Israels Verlosser en Zaligmaker ! En een iegelijk deed het op z'n eigene manier.
Maar intusschen voerde God Zelf Zijn raad uit en volbracht Hij Zelf Zijn welbehagen, in Jezus Christus en dien gekruisigd, Sion tot heil en zaligheid !
Neen, aan de menschen komt hier geen eere toe. De menschen, ieder persoonlijk en allen saam, hebben kwaad tegen Hem bedacht. Doch de Heere heeft het ten goede geschikt, naar Zijn welbehagen.
Aan den voet van het kruis past het, dat Sion zegge : Gode alléén de eere; Hij heeft een welbehagen gehad in het lijden van Zijnen Zoon, den Middelaar Gods, en der menschen !
Hij heeft een welbehagen gehad in een arm en schuldig zondaarsvolk, om daarvoor te geven het liefste wat Hij heeft, Zijn eigen Zoon

GEBAZEL.
't Is jammer, dat vele menschen er maar op los praten, als 't gaat over den Gereformeerden Bond en de Gereformeerde prediking in onze Hervormde (Geref.) Kerk. 't Is Dikwijls een opdisschen van oude kost en een napraten van anderen. Gewoonlijk zijn het dan ook dingen, die al zoo dikwijls weerlegd zijn ; maar men doet maar net alsof er niets gezegd Is en men blijft maar op hetzelfde stokpaardje doorrijden.
Dat dachten we ook, toen we een en ander van ds. Groenenberg uit Vlaardingen lazen. Die houdt lezingen over de richtingen in onze Kerk (gelukkig, dat dit onderwerp aan de orde van den dag is, want dat kan tenslotte niet anders dan verheldering geven onder ons!) en besprak ook de Gereform. Bondsrichting. Allerlei op-en aanmerkingen kwamen er. Maar 't was voor een gedeelte ook weer allerlei, dat scheef stond en dat al zoo dikwijls recht gezet is, maar dat voortdurend dan maar weer scheef getrokken wordt, want scheef moet het nu eenmaal staan en scheef moet het blijven. Natuurlijk moeten wij dan maar telkens de hand in eigen boezem steken, daarvoor laat de Heere onder Zijn voorzienig bestel ons deze dingen gezeggen, maar dat neemt niet weg, dat zij, die het voordragen, voorzichtiger moesten zijn. De waarheid boven alles !
Ds. H. A. Heijer, de oudste predikant van Vlaardingen, die al menige stormwind mee gemaakt heeft en van verre en van dichtbij den strijd op ons kerkelijk erf al zoo dikwijls heeft gadegeslagen, heeft de pen opgenomen en kort maar krachtig enkele opmerkingen gemaakt tegenover hetgeen z'n collega heeft beweerd. Geheel in den goeden toon, maar kort en krachtig en raak.
We laten het stukske van ds. Heijer in »De Zondagsbode« van 9 Maart j.l. hier, verder zonder commentaar, volgen. We hopen, dat het ons dichter bij de waarheid zal brengen. Want — de waarheid boven alles!
Ds. Heijer schrijft dan :
Ds. Groenenberg en de Gereform. Bond.
Het heeft mijn collega Groenenberg goed gedacht, nadat hij over deze en gene richting heeft geschreven, ook te schrijven over „de Gereformeerde Bond". Zoo schrijft hij o.m. : de Gereformeerde bonders noemen zich graag kortweg Gereformeerd. Dat is minder juist. Dit is een naam, die ons allen vereenigt".
We zijn dus volgens ds. Groenenberg allen Gereformeerd. Was het maar waar. Maar o wee, als er verkiezing is voor het Kiescollege of als er een beroep moet worden uitgebracht, dan moeten de Confessioneel en de Ethischen van een Gereformeerden domine niets hebben. En als nu ds. Groenenberg zegt van de Gereformeerden (punt 1) : „Christus. Hem belijden ze naar de Schriften. Toch treft ons in de prediking, dat Christus er zoo weinig in wordt genoemd, soms heelemaal niet. Ook met veel bekeeringen heeft, als men ze hoort vertellen, Christus weinig of niets te maken. Men heeft een licht gezien" enz.
Wel, collega, ik geloof, dat gij de Gereformeerden niet kent en ge oordeelt op lichtvaardige wijze. In mijn leven zal ik ongetwijfeld heel wat meer Gereformeerden hebben ontmoet dan gij, maar ik heb nooit een Gereformeerde ontmoet, die zijn bekeering vertelde en Christus niet als zijn Borg en Middelaar had leeren kennen.
Punt 2. „De zonde. Het leerstuk der ellende komt zeker in hun prediking niet te kort. Het Evangelie soms wel, zelfs ontbreekt het soms geheel".
Och, collega, lees eens wat meer preeken van Gereformeerde predikanten en ge krijgt ongetwijfeld een andere voorstelling.
Punt 3. „De Bijbel is natuurlijk voor hen het Woord Gods".
Ja, gelukkig, beter dan dat het Woord Gods wordt aangerand, gelijk dat helaas door zoo heel velen geschiedt.
Punt 4. „Maar het sterk op den voorgrond schuiven van de verkiezing, kan kerkontbindend werken. Dan wordt het zoo, dat men een zwervend volk wordt" enz.
Vindt u dat waarlijk zoo vreeselijk, als men bij eigen predikanten geen voedsel kan vinden voor de ziel, dat men dan wel eens een ander gaat hooren ? Ik niet. Wel is het te betreuren, dat de Waarheid op menigen kansel zoek is.
Ik heb slechts een paar korte aanteekeningen willen maken, en wensch u en mij zelve en allen, die het Woord hebben te bedienen, van harte toe, dat we het Woord der Waarheid recht snijden.
Ds. Heijer.
Wellicht dat ds. Groenenberg, die over de richtingen in onze Hervormde Kerk lezingen hield en dezer dagen in de Nieuwe Kerk te Vlaardingen z'n slotbeschouwing geeft onder den titel „Uitzicht", kan besluiten z'n referaten (met aanteekeningen) in druk te geven. Wij zouden dan gaarne op deze dingen terug komen.
En als ds. Woelderink, die in Rotterdam, in den vorm van een causerie, ook over de richtingen spreekt — waarvoor veel belangstelling is — dan ook gelegenheid kon vinden om het gesprokene in druk te geven, dan zou het een prachtige gelegenheid zijn om velen te dienen met voorlichting. Waarbij het boek van prof. Haitjema over de richtingen en ook hetgeen ds. Wagenaar in de Rotterdamsche Kerkbode schrijft, naast het boekje van ds. G. van der Zee, dat als uitgave van den Gereformeerden Bond bekend is, prachtig materiaal kan zijn om tot breede beschouwing en meer helderheid te komen.
Wat Is er een heerlijke belangstelling voor deze beteekenisvolle dingen !
Dat het ons kerkelijk leven ten goede mag komen !
Neen, we behoeven nog niet te wanhopen! Des Heeren Geest is nog niet van on® geweken. En dat waarlijk niet om de wille van ónze deugd en vroomheid, maar omdat de Heere, als de God des eeds en des Verbonds, over onze Vaderlandsche Kerk nog waakt en er met ontfermen op neer ziet. Er gaat een ruischen door de toppen der boomen. Dat onze harten mogen worden toebereid en ontvankelijk gemaakt en de Waarheid Gods over ons heersche van geslacht tot geslacht !
Och, dat onze aloude Gereformeerde Kerk staan mocht, meer en meer, als een pilaar en vastigheid der Waarheid !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's