MEDITATIE
Wie heeft onze prediking geloofd en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard ? Jesaja 53 vers 1.
Een ieder mensch ziet graag zegen op zijn arbeid — de landman, die het zaad aan de aarde toevertrouwt, doch ook de prediker, die het Woord aan alle wateren zaait.
Het was voor Jesaja een op rotsen ploegen. Lag dat aan hem, dat zij niet luisteren wilden ? Was hij misschien iemand, die bij gemis aan talent zijn gehoor niet wist te boeien of door te verheven Godsgedachten over de hoofden van de hoorders heensprak ? Was hij misschien in Israël niet op zijn plaats, zoodat ze elkander niet begrepen ? Of heeft men zich aan hem geërgerd door zijn al te vrijmoedig optreden ? Er zal door zijn tijdgenooten genoeg van hem gezegd zijn, dat ze in hem afkeurden. Doch Jesaja was profeet en de profetie had voor het Israël naar den vleesche zijn bezwaren, ja, onoverkomelijke bezwaren. Daarom behoeven wij menschen op eigen risico nooit met preeken te beginnen. Kans op succes heeft niemand, wiens begeerte het is in eenvoudigheid des harten de Waarheid te willen brengen.
Prediken wij onszelf, of de menschen, dan maken wij, indien wij de gave des woords bezitten, opgang. Want de groote massa wordt spoedig door de macht der welsprekendheid bekoord.
Zelfs de gemeente, die leeft bij 's Heeren Woord. Dat Jesaja geen opgang maakte, dat zal volgens de opinie der menschen wel hier of daar aan gelegen hebben, doch de oorzaak was, dat hij profeet Gods was en in zijn prediking aan Gods getuigenis was gebonden. Het lag dus niet zoozeer aan den prediker, maar aan zijn prediking, hoewel zij hem dit euvel duidden. Hij mocht niet alles zeggen, al was hij ook profeet des Heeren. Zij, als volk des Heeren, zij waren niet iedereen. Ze behoefden zich niet alles te laten welgevallen. Hij moest wel degelijk rekening houden met wie hij voorhad, die Jesaja. Oppassen moest hij wilde hij goede vrienden met hen blijven. Doch hij ontzag ze niet. Gebonden voelde hij zich, neen, niet aan menschen, maar aan het Woord van dien God, die met den mensch afrekent, met al wie Hem wederstaat.
Gebonden is de prediking aan het geschreven Woord. Dat predikt niet den mensch, maar het recht, dat God op den mensch gelden laat, zoodat niemand vrij daaronder uit kan. Dat is geen prediking die menschen trekt en, als zij hoorders vindt, dan is het onder overtuiging van hun zonde. Daarvan is men niet te overtuigen, tenzij door verbrijzeling des harten, waardoor men alle aanspraak op zichzelf laat varen. Dat was dan ook de inhoud van Jesaja's prediking: een Christus, die tot bekeering roept. Een Christus voor een armen zondaar, die geleerd heeft te leven van de genade Gods. Een rijke Christus een rijkdom, hierin bestaande, dat Hij zich heeft willen nederbuigen en zich wou laten zien in een gestalte, waarin elk ontdekte zondaar, bij Geesteslicht, zichzelf heeft leeren kennen. Dit is de rijkdom van de ontferming Gods, dat Hij in armoede en ellende neer wou dalen, als Man van smarten en verzocht in krankheid, terwijl een ieder het aangezicht voor Hem verborgen hield en deed alsof men Hem niet kende. En inderdaad, hoe kon een mensch, die leeft bij wat voor oogen is, in wezen ook bevroeden wat of Zijn vernedering van de wieg tot aan het graf toch voor moest stellen.
Jesaja moest prediken van het Lam, dat ter slachting is geleid en van het Schaap, dat stom was voor het aangezicht der scheerders.
Is het wonder, dat wanneer Jesaja den smartengang gaat teekenen van den Zoon des menschen, als hij Hem teekenen gaat in de gedaante, waarin Hij rond zal wandelen op de aarde, dat hij geen luisteraars vindt ? Hij teekent hier een gestalte, lederen zelfbewusten mensch onwaardig. Zoo wil een mensch zichzelf niet geteekend zien, nog minder zijn Heiland als een figuur om medelijden op te wekken. De mensch heeft behoefte aan aanbidding ; hij wil aanbidden uit bewondering, maar niet uit medelijden.
Jesaja teekent den mensch, door den Zoon des menschen te schilderen in Zijn vernedering. Maar dat wil men niet zien. Men wil, als men godsdienstig zijn wil, het liefst maar hooren van een verhoogden Christus. Ook die zullen we eenmaal zien op de wolken des hemels, om te oordeelen de levenden en de dooden. De nadruk wil men gelegd op de overwinning vóór men gestreden heeft, bang om den strijd in te gaan. Zoo wil men ook een vrede, met voorbijzien dat eerst de gerichten komen. Maar zoo is niet het fundament der apostelen en profeten Ook Jesaja heeft het Sion Gods mee op mogen bouwen op hechter grondslag. Het moet gebouwd uit levende steenen, waarvan Christus de hoeksteeen is.
Het fundament Gods staat, hebbende dit zegel: de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. Onder dat beding kon van den aanvang af reeds voorzegd worden — en het is hem van den Heere ook gezegd — dat hij niet veel van zijn prediking moest verwachten. Het zou geen ommekeer in het gansche Israël teweeg brengen. Zijn zou er slechts een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Dat zou er wezen vanwege het eeuwige besluit van Gods barmhartigheid. Anders ware er niemand, zelfs niet één overgebleven want er is niemand, die God zoekt.
Dank zij Gods goedheid is er een overblijfsel naar de verkiezing der genade. Jesaja's prediking was er ook naar ; zij was geheel en al daarmee in overeenstemming. Hoe nauw staat onze tekst met gansch het verdere hoofdstuk in verband.
Wie heeft onze prediking geloofd, de prediking van den lijdenden Knecht des Heeren ? Helaas, maar weinigen. Het is geen prediking naar den mensch, maar een prediking waarbij alles, wat van den mensch is, wegvalt.
En zoo als die prediking van den lijdenden Knecht des Heeren als de Koning van Zijn Kerk, zoo is Gods Kerk zelf.
Zij' blijft, als gemeente, onder het kruis. Geen gestalte noch heerlijkheid is aan haar. Niet vele rijken en edelen. Geen geweldige getalssterkte. Nog is het altoos een overblijfsel.
Wie heeft onze prediking geloofd ? Gelooven is den mensch ten eenenmale onmogelijk. Het is een gave Gods.
Een gave zegt ge de wereld is er vol van.
Dat hebt gij mis, profeten en gij predikers. Gij hebt u niet over ongeloovigheid te beklagen. Het is de orthodoxie aller eeuwen, die in groeten getale gezamenlijk belijdenis doet van haar algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof en die de heilige Trits der goddelijke Drieëenheid als een banier der volken stelt. En ook het huidige modernisme heeft zijn geloofsdogma, waardoor het omschrijving en belijning geven wil aan zijn godsdienstig leven in zeer verwarde tijden.
De profeet vraagt echter niet, wie er alzoo geloofd heeft. Hij snoert de band dichter samen en vraagt wie er naar hem geluisterd heeft. Wie heeft onze prediking geloofd ? Hij beklaagt zichzelf daarmee niet over weinig toeloop, terwijl anderen misschien een grooter opkomst hadden. Het gaat er bij ons vaak om : als wij maar volk trekken, liefst meer dan een collega. Dat is zoeken van zichzelf. Jesaja klaagt in onze tekst niet over gebrek aan belangstelling voor zijn persoon. Ze hebben wel willen luisteren naar wat hij te zeggen had. Doch wie heeft hem geloofd ? Want als het niet met geloof gemengd is, doet het Woord der prediking geen nut.
God heeft Zijn volk bezocht en door profetenmond een krachtig getuigenis van Zich doen uitgaan. En naardat de eeuwen zich ontsloten, werd de Godsopenbaring voller. Het werd evangelieklank. Totdat de blijde boodschap afkwam van den hemel. En Engelen zongen bij dit aanbod van genade. God zond Zijn Zoon en engelen zongen. Alles was naar de aarde, naar menschen toegekeerd. De hemel was geopend. Kon het ons dichterbij gebracht worden ?
Maar wie heeft er geloofd ?
Er zijn menschen, die meenen dat gelooven een lichte zaak is dat we het voor het grijpen hebben. Met de noodige nadruk doen zij een beroep op 's menschen vrijen wil. Ja, ook Christus legt alle nadruk op onze volle verantwoordelijkheid : „gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben". Doch wat men hier vergeet is, te bedenken, dat ons eigen hart uit onszelf nooit daartoe te bewegen is om God te dienen, dat 's menschen wil op gansch onverantwoordelijke wijze door eigen schuld, met volle instemming onzerzijds aan Satans macht gebonden ligt. En er is geen diep geestelijke, smartelijke ervaring te bespeuren van wat een mensch eigenlijk is.
Anderzijds is daar een groep van uitwendige belijders van 's Heeren naam, die van harte daarmee instemmen, dat de mensch onbekwaam tot eenig goed is en geneigd tot alle kwaad. Zij gaan zoover in eigen doodschheid, dat zij des menschen doodstaat eerlijk bekennen. Als het maar eerlijk was ! Doch heimelijk maken zij er een grond van voor hun eigen onbekeerde toestand. Als ik er zélf maar iets aan doen kon, zucht men. Wat zou ik het graag willen. Maar hierin komt juist de zonde van het ongeloof duidelijk naar voren. Als het van mijzelf afhing, dan kwam het nog wel terecht, maar nu het van den Heere afhangt, nu weet ik het niet zoo zeker, nu heb ik geen vertrouwen. Dat is, ondanks mijn onmachtstheorie, toch aan mijzelf vasthouden, terwijl het een daad des geloofs is uit eigen onmacht weg te vluchten, onder de almacht Gods.
Zoo geeft men eenerzijds den mensch de schuld, als hij verloren gaat door de bewering, dat hij uit eigen vrije verkiezing had kunnen zalig worden, zonder vernieuwing en wedergeboorte, dat toch een werk Gods is. En anderzijds gaat men zoo ver haast, dat men den mensch in de uitmeting van zijn natuurlijke doodstaat de schuld zelfs ontneemt door met een zekere starheid de klemtoon te laten vallen op de onmogelijkheid, dat de Moorman zijn huid veranderen zou en de luipaard zijne vlekken en dat evenmin een mensch zichzelf veranderen kan.
Het is beide een scheeve voorstelling der waarheid. Het is doode kennis. Dat blijkt daaruit, dat het niet wordt tot een belijdenis. Men blijft maar onbewogen zitten. Men komt niets verder, men zinkt niet dieper weg, zoodat men in de schuld raakt. Met al die schoolsche .kennis hoopt men zooveel vermeende vaste grond op onder zijn voeten, dat men gerust daarop staan blijft, hoewel er maar één plaats des behouds is : „Christus". Men denkt dat dit voldoende is: als men Hem maar gewild heeft, maar niet heeft kunnen krijgen en toen in de gegeven omstandigheden maar stillekens voortgeleefd heeft.
Men berust er in, dat men het moet overgeven. En tevreden leeft men voort zijn eigen leven, ja, net en ingetogen. Maar dat is geen geloof; dat is geen grond om het hoofd op neer te leggen.
Als Jesaja vraagt: Wie heeft onze prediking geloofd ? , dan vraagt hij niet, wie of het met hem eens is. Hij vraagt niet, wie of hem gaarne hoort. Hij zoekt den zegen, die er van uitgegaan is : Wien is de arm des Heeren geopenbaard ?
God moet er aan te pas komen met sterke arm. Hij moet ons wakker schudden.
Velen zijn er, die zich trouw scharen onder de prediking des Woords, velen zijn er geroepen, maar wie heeft er geloofd ? Wien is de arm des Heeren geopenbaard ? Wij moeten in alles een diep afhankelijk leven leeren leven. Ook in de opgang naar Gods huis om niets van den prediker, maar alles van den Heere te verwachten. Zoo nauw houdt het in het leven des geloofs. God zal de eerste en ook de laatste zijn. Hij zal al de eer ontvangen. Hoe lang zitten wij misschien al met een vleeschelijk oor te luisteren en te wachten en dat er ook aan ons eens iets geschieden zal. Misschien verwijt gij het den prediker, ja, mogelijk uwen God, die toch maar te spreken heeft en het is er, te gebieden en het staat er. Want ook dit moet een mensch nog leeren, dat de Heere niet op onze wenken klaar staat, maar dat Hij komt op Zijn tijd en dat Hij genadig is, diens Hij genadig zijn wil en zich ontferme diens Hij zich ontfermt. Wij hebben slechts te zwijgen en Gode geen ongerechtigheid toe te schrijven.
De genade Gods is iets zeldzaams. Het is niet iets, waarbij wij niet zouden stilstaan als bij een wonder Gods Zijn uitgestoken arm. Het is van de hoogste waarde. Men heeft er dan ook wel zijn hart naar uit te strekken. En wie in dien middellijken weg den Heere mocht tegenkomen, beroeme zich niet in wat hij heeft gevonden, maar hij verbaze zich, dat hij gevonden werd en God naar hem heeft willen omzien. Want als het geen werk des Heeren was, niet gansch en al een werk des Heeren, dan ware hij nooit toegebracht. Welk een voorrecht, dat de genade Gods niet zoo algemeen is, maar zoo ingrijpend hartveranderende genade, die geheel den mensch vernieuwt en wederbaart tot een nieuw schepsel. Welk een voorrecht, dat men de oude zonden niet aan de hand kan houden. Welk een eeuwig voorrecht voor het schepsel, dat de zaligheid een werk is van Gods verkiezing. Want onze keuze ligt naar den anderen kant. Wij hebben onze zaligheid uit handen gegeven. Als ons eeuwig lot en leven in onze hand lag, dan zouden allen voorgoed om moeten komen. Maar God heeft gedacht aan Zijn genade. Zijn arm heeft heil gewrocht. Verwacht het niet langer van uzelf, maar van dien God, die in Zijn Zoon de zaligheid bereid heeft, die de wijnpersbak alleen getreden heeft, terwijl niemand der volken met Hem was — geen mensch.
Als er verwachting zijn zal, levende verwachting, dan komt zij niet van de aarde, niet van menschen, niet uit ons hart, maar uit den hemel, van dien God, die de aarde vruchtbaar maakt van boven en een rijsje voor Zijn aangezicht op deed schieten uit een dorre aarde. In die verwachting leeft Gods Kerk, die ook opkomt uit de versterving. Zij leeft bij het Woord an haar God, dat als de plasregen van den hemel nederdaalt en derwaarts niet wederkeert, doch doet wat Hem behaagt — de wildernis doet bloeien als een roos naar Zijn eeuwig welbehagen.
Wat lijkt het armzalig, alle zelfvertrouwen op te moeten geven, in niets en niemand te mogen gelooven dan in dien gekruisigden en uitgeworpen Jezus.
Het is het laatste wat ik zou verkiezen. En toch is het de keuze van allen, die zulk een Zaligmaker noodig hebben, die, vol deernis bewogen, met hen wou buigen en liggen in het stof. En het is Jesaja geweest, die in weerwil van zijn hoorders dit Godswoord hooren deed. Zonder zich om menschengunst of bijval te bekommeren, was zijn prediking één getuigenis van de vrije gunst, die eeuwig God bewoog. Hij liet de werkelijkheid verkondigen, die altoos vele valsche verwachting neerslaat, ook dat, wat op het vrome vleesch in Staat en Kerk nog meent te kunnen bouwen. Dit nam men hem niet in dank af. Hij had voortaan niet meer al het vertrouwen. Dat is niet om iets van Jesaja te zeggen, integendeel, het pleit juist voor hem, maar het is een aanklacht tegen de menschen. Hij werd verworpen en zijn prediking maakten zij ijdel door hun ongeloof. Zij pleegden verzet tegen wet en evangelie, waardoor God tot een leugenaar werd gemaakt. Eerst kwam God met de wet, maar Israël boog zich niet in zijne hoogheid. Toen liet Hij zien het beeld van de verbrijzeling en verbreking in Jesaja 53. Doch Israël stond daar maar met stijven nek. Het is al verslagenheid wat Gods Woord daar aan ons voorhoudt, het is de Zoon, die onder het recht Gods doorgaat. Het is het teeken van Zijn vergoten bloed en Zijn gebroken lichaam. Wilt gij niet leven, dan bij brood en beker ? Wilt gij geen lafenis hebben uit Gods hand ? Wilt gij u zelf handhaven en u dus verharden ? U, die gelooft, is Hij dierbaar. Maar die niet gelooft zal in zijn ongerechtigheden sterven.
M.
P. H.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 maart 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's