De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE INSTITUTIE VAN CALVIJN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE INSTITUTIE VAN CALVIJN

EERSTE BOEK.

8 minuten leestijd

[Kort Overzicht].
OVER DE KENNIS VAN GOD, DEN SCHEPPER.
HOOFDSTUK XlIIa.
God is één in Wezen en drie in Personen.

1. De Heilige Schrift leert ons God kennen als een oneindig en geestelijk Wezen. Dat moeten de gewone menschen, maar ook de filosofen bedenken, opdat de zich niet zullen te buiten gaan aan allerlei vleeschelijke of aardsche voorstellingen van God. De Manicheën die spraken van een eeuwige goede God en een eeuwige kwade God, welke dingen ontleend zijn aan het Parzisme, verbreken de éénheid Gods en beperken Zijn oneindigheid. De Anthropomorphisten, die over God spreken als ware Hij een mensch, misbruiken sommige spreekwijzen der Heilige Schrift, waar gewag wordt gemaakt (op oneigenlijke wijze) van Gods mond, oogen, handen, voeten, enz. God is geen mensch, maar Geest.
2. Als God Zichzelf verklaart één Wezen te zijn openbaart Hij Zich nochtans onderscheidenlijk in drie Personen. Hieraan hebben wij ons, op grond van de Schrift, te houden, opdat het Wezen Gods voor ons niet vervluchtigt in een ijdelen Naam. Sommigen keuren 't woord Persoon af, omdat het in de Schrift niet voorkomt. Maar uit Hebr. 1 : 3, waar gesproken wordt van den Zoon als „het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid", zoo volgt daaruit dat de Vader een zelfstandigheid is, onderscheiden van den Zoon. Ditzelfde wordt ook geleerd van den Heiligen Geest. Hieruit blijkt, dat er in het Goddelijk Wezen drie onderscheiden Personen zijn (hupostasis, in 't Latijn persona).
3. Het zou een al te ongerijmde eisch wezen, nooit woorden te bezigen dan die ook in de Heilige Schrift voorkomen (voorzienigheid, sacrament) . Door noodzakelijkheid in de Kerk gedwongen het woord Drievuldigheid of Drieëenheid te gebruiken en te spreken van Personen.
4. Vooral door de valsche voorstellingen en verkeerde benamingen van de dwaalleeraars is de Kerk er toe gekomen deze nieuwe woorden te gaan gebruiken, om zoo de waarheid te beschermen en te handhaven. Tegenover A r i u s, die wel leerde dat Christus Gods Zoon was, maar die tegelijk beweerde, dat Christus het voornaamste schepsel Gods was en dus een begin had evenals de overige schepselen, al was Hij dan 't voornaamste schepsel Gods — moest de Kerk wel optreden met de belijdenis : „Christus, de eeuwige Zoon des Vaders, eenswezens (homo-ousios) met den Vader" (consubstantialis Patris d.i. van hetzelfde Wezen met den Vader). Tegenover Sabelius — die de drie namen : Vader, Zoon en Heilige Geest niets achtte dan verschillende verschijninigsvormen van denéénen God — moet de Kerk wel uitspreken, dat in den éénen God drie Personen moeten worden erkend ; de Drievuldigheid Gods.
5. Ook onder de Kerkvaders leefden wel bezwaren tegen deze manier van uitdrukken. Maar Augustinus zegt, dat b.v. 't woord persoon door den nood is afgeperst, en dat vanwege de armoede der menschelijke taal geen woord te vinden is, dat volkomen uitdrukt wat we in deze bedoelen. Zoo kan ook niet in menschelijke taal omschreven worden wat door de woorden Vader, Zoon en Heiligen Geest, één Wezen onderscheiden in drie Personen, uitgedrukt wordt. Toch is het wenschelijk, dat allen zich aan deze uitdrukkingen gewennen, om alle uitvluchten van Arius en van Sabellius af te snijden. Och, dat onder alle menschen vastelijk geloofd werd, dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest een eenig God is, nochtans niet de Zoon de Vader, noch de Heilige Geest de Zoon is, maar dat zij één Wezen zijnde, door bepaalde eigenschappen van elkaar onderscheiden zijn !
6. Wat verstaan wij nu door het woord Persoon? Het is de zelfstandigheid (hupostasis, persona) in het Wezen Gods, welke door eene geheel eigene (persoonlijke) en onmededeelbare eigenschap van de anderen onderscheiden is. Elke Persoon heeft een bijzonder merkteeken, een eigen zelfstandigheid en nochtans zijn ze te zamen één Wezen, één God. We zien dat in 't geen Johannes zegt: et Woord was bij God" Joh. 1 : 1. Daar heeft het Woord of de Zoon iets eigens, eene eigene zelfstandigheid, want er wordt gezegd, dat Hij bij God was. Maar tegelijk wordt gezegd : „Het Woord was God" en dat zegt ons, dat het weer één Wezen is. Hieruit zien. we, dat „zelfstandigheid" (die elke Persoon heeft) weer iets anders is dan „wezen" (de drie Personen één Wezen).
7. Voor wij verder gaan, willen wij de Godheid van den Zoon en den Heiligen Geest uit de Schrift bewijzen en daarna zien, hoe ze van elkander onderscheiden zijn. Eerst dan over de Godheid van den Zoon :
Van het „Woord Gods" wordt ons in de Schrift niet slechts gesproken als van een vergankelijke en ijdele stem in de lucht. Veeleer hebben we te denken aan de eeuwige Wijsheid, die bij God is.
Het is een goddelijk Persoon door Wiens Geest zoowel de Profeten als de Apostelen gesproken hebben. 1 Petr. 1 : 11. Zoo stelt Mozes, sprekende van de schepping der wereld, het voor, dat het Woord er in werkzaam is. Gen. 1. Joh. 1. En uit Hebr. 1 : 2 leeren we, dat we hier nu maar niet slechts te denken hebben aan een bevel. Het gaat hier over het zelfstandige Woord en de Wijsheid als God zijnde, vóór de eeuwen geboren. Spr. 8, Joh. 1:3; 5 : 17. Het is hier niet een woord dat van God gesproken wordt, maar het Woord, het eeuwige zelfstandige Woord, van Wien alle woorden Gods uitgaan, eeuwiglijk bij God en Zelf God zijnde.
8. Als sommigen dan ook willen beweren, dat het Woord eerst begonnen is te zijn, toen God bij de schepping der wereld begon te spreken. Maar dat zou een verandering en vernieuwing üi het Goddelijk Wezen zijn, dat in strijd is met Jac.
1 : 17, waar we lezen dat er bij God geen verandering noch schijn of schaduw van omkeering is. Het Woord, dat bij de schepping begon geopenbaard te worden, bestond te voren van eeuwigheid. Joh. 17 : 5 „vóór de grondlegging der wereld".
9. Christus is het Woord, dat in de volheid des tijds vleesch wordt Joh. 1 : 14; het is de eeniggeborene des Vaders. En van dit Woord zegt de profeet: Uw troon, o God, is m eeuwigheid" Ps. 45 : 7. Of „sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst" Jes. 9 : 6. En vooral blijkt het uit Jer. 23 : 6, waar staat, dat de Spruit van David, Jehova onze gerechtigheid is. Davids Zoon is daarom ook Davids Heer. Christus is de Jehova, van Wien de ware gerechtigheid komt!
10. Uit het Oude Testament blijkt, ten spijt van wat Servet leert, dat de Engel des Heeren de tweede persoon van het Goddelijk Wezen is in Zijn openbaring op aarde vóór de vleeschwording des Woords, Wien dan ook goddelijke eere wordt gegeven, en waaruit blijkt dat de voornaamste Engel het Woord Gods zelf is geweest en deze toen alreede, zij 't in beginsel, het ambt van Middelaar bediend heeft. Richt. 6, 7 en 13. Hosea zegt, sprekende van den strijd tusschen Jacob en den Engel, dat deze Engel, Jehova de God' der heirscharen genaamd is. Hosea 12 : 4 en 5. Hij is geen ongeschapen Engel geweest, maar de Persoon in Wien de volheid Gods woont. En zoo kon Paulus zeggen, dat Christus de leidsman van het volk in de woestijn geweest is, 1 Cor. 10 : 4; Zach. 2 ; Jes. 25 : 9 ; Mal. 3 : 1.
11. Ook is het Nieuwe Testament vol van getuigenissen dat Christus God is, de eeuwige God.
Men vergelijke Jes. 8 : 14 met Rom. 9 : 33 ; Jes. 45 : 23 met Rom. 14 : 10 ; Ps. 68 : 19 met Ef. 4:8; Jes. 6 : 1 met Joh. 12 : 41. En men zie voorts Hebr. 1 : 6, 10 ; Joh. 1 : 1, 14 ; Rom. 9 : 5; 2 Cor. 5 : 10 ; 1 Tim. 3 : 16 ; 1 : 17, enz. Let ook op de goddelijke werken en goddelijke eigenschappen enz. Joh. 5 : 17; Hebr. 1:3; Matth. 9 : 6 (Jes. 43 : 25), Matth. 9 : 4 enz.
12. Zijn Godheid blijkt klaarder nog uit de werken, die Hem in de Schrift worden toegekend. Wanneer Christus zegt, dat Hij van den beginne met den Vader werkt, zoo blijkt daaruit duidelijk, dat Hij van eeuwigheid God is en Hem de Goddelijke macht moet worden toegekend, voornamelijk in de vergeving van de zonden, wat Gode alleen toekomt — 't welk de Joden heel goed voelden, om Hem dan ook van Godslastering te beschuldigen.
13. Christus heeft die wonderwerken anders gedaan dan de Profeten en de Apostelen. Want Hij deed het door eigen. Goddelijke kracht, terwijl Zijn discipelen 't deden op Zijn bevel en door Zijn kracht. Zonder Hem konden zij niets doen.
Wanneer Christus het wonder inleidt met gebed, geschiedt dit niet, omdat Hij uit Zichzelven niets vermag, maar opdat Hij den Vader de eer zou toeschrijven. Hij die Zijn eigen autoriteit aan anderen meedeelt is de waarachtige Auteur der wonderen. Zelf voert Hij Zijn wonderen aan als bewijs van Zijn Godheid. Joh. 5 : 36, 14 : 11, 37.
Bovendien wordt gezegd, dat God de bron van de zaligheid is en wordt geleerd, dat buiten Christus geen zaligheid is, 't welk bewijst dat Christus God is. Hand. 4 : 12. Hij wordt aangewezen als de bron van zaligheid, gerechtigheid en leven. Joh. 1 : 4. Ons vertrouwen moeten we dan ook op Hem stellen, die geen mensch, maar waarachtig God is. Joh. 14 : 1; 6 : 47 enz. We moeten Hem aanroepen als. onzen Helper en Verlosser.
Joel 2 : 32; Spr. 18 : 10 ; Hand. 7 : 59 ; 9 : 13. De Apostel Paulus predikte geen andere leer, dan de kennis van Jezus Christus tot zaligheid. 1 Oor. 2:2; Jer. 9 : 24. Hij is. de eenige roem voor den Apostel. En aan 't begin, zoowel als aan 't einde der brieven is het Jezus Christus, van Wien de weldaden des heus worden afgebeden, gelijk als van den Vader.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE INSTITUTIE VAN CALVIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 maart 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's