VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 7:1, v.v. Daarna zeide de Heere tot Noach : Ga gij en uw gansche huis in de ark ; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor mijn aange
4 e Serie.
V.
Genesis 7:1, v.v. Daarna zeide de Heere tot Noach : Ga gij en uw gansche huis in de ark ; want u heb Ik gezien rechtvaardig voor mijn aangezicht in dit geslacht.
De geestelijke inzinklng der moderne menschheid openbaart zich niet slechts in hare godsdienstige verwording, maar als noodzakelijk daarmede gepaard gaand verschijnsel, evenzeer in den zedelijken afval, waarvan zij de duidelijkste symptomen vertoont. Er grijpt voor onze oogen eene zedelijke verschuiving plaats, zoodat tal van mode-verschijnselen optreden, die een menschenleeftijd geleden met afschuw als onzedelijk verworpen zouden zijn. Denk slechts aan de onwelvoegelijke kleeding of aan het onwelvoegelijk gebrek aan kleeding, door de moderne menschheid als iets moois schaamteloos in toepassing gebracht. Luttele tientallen jaren geleden zou het met afschuw zijn aangezien. Er grijpen zedelijke veranderingen plaats in de kinderen van dit geslacht, die uitwijzen, dat met de religieuse verwording de zedelijke ontaarding gelijken tred houdt. En zoo ziet men overal de zoogenaamde luchtbaden uit den grond verrijzen, als de teekenen van het ook in de overheid doorgedrongen zedebederf. De kleedimg, die vrucht is van het cultuurleven der menschheid, legt zij af om alzoo terug te keeren tot eene meer dierlijke levensverhouding. Dus is er een streven tot afwerping van alle cultureele banden, die vele honderden eeuwen van menschelijke historie had aangelegd. Er is een terugkeer naar de levensvormen van den oermensch, zooals men zioh dien heeft uitgedacht. Het blijkt uit dergelijke verschijnselen duidelijk, dat het zedelijk bewustzijn der moderne wereld zijne fijngevoeligheid verliest. Het besef van onderscheid tusschen goed en kwaad stompt af. En daarmede gaat ook het zondebewustzijn te loor en met dat zondebewustzijn verdwijnt de kennis van Gods recht en "wet, ja, de kennisse Gods zelve. Dit juist zijn de vreeselijke gevolgen van de inzinking der moderne cultuur, die profeteeren van haren naderenden ondergang.
De moderne menschheid weet niet meer van het recht Gods, wil er niet meer van weten. Men mag er zelfs niet meer over spreken.
En zoo kan men dan ook opmerken, dat zelfs de dienaren der kerken, met name onder de nieuwe richtingen, die opgang maken ook in de kringen dergenen, die zeggen, dat zij nog „orthodox" willen zijn, zich juist daardoor onderscheiden, dat zij over het recht Gods niet meer spreken willen. Zij noemen de dingen niet meer bij hunne namen, getuigen niet meer van het eeuwig oordeel, want daaraan gelooven zij zelfs niet meer, dewijl zij niet meer gelooven aan de verkiezende genade Gods. De beginselen in Gods Woord ons zoo klaar geopenbaard hebben zij uitgeruild voor eene valschelijk dusgenaamde wijsbegeerte, waarbij het geleerd klinkt om te spreken van een zien der wereld „sub specie aeternitatis", d.w.z. een zien der wereld als een gewrocht van een eeuwig blind werkend proces, waaronder voor een wezenlijk oordeel over goed en kwaad en voor rechtvaardige oordeelen Gods geene ruimte meer is. Alles wat is, wordt dan goed genaamd, omdat het nu eenmaal in dat eeuwige licht staat. Zoo zijn er heden ten dage velen, die geroepen zijn Gods waarheid te spreken, wien de dreiging geldt van Jesaja's woord : „Wee dengenen, die het kwade goed heeten en het goede kwaad; die duisternis tot licht stellen en het licht tot duisternis, die het bittere tot zoet stellen en het zoete tot bitterheid". Dat toch geschiedt door deze quasi-wijsbegeerte, die ten doel heeft door de loochening van het eeuwig recht des Heeren en de prediking eener algemeene genade het zondebewustzijn voor goed te dooden. Daarin is de ondergang gegeven dezer moderne wereld.
En zoo was het nu ook in de eerste wereld. Zij verzonk in een afgrond van zedelijke ellende, leefde in hare weeldezucht voort en bleef doof voor alle roepstemmen, die de Heere door de leiders Zijner uitverkoren Kerk tot haar gezonden had. Zij dacht aan geen oordeelen Gods, geloofde er niet aan, omdat zij er geen oogen meer voor had. En zoo kwam dan de dag, waarop het blijken zou, dat er toch een recht des Heeren werkt in deze wereld. En dus de Heere zeide tot Noach : „ga gij en uw huis in de ark." De bondeling Noach zou met zijn gansche huis worden behouden. Zoo verschijnt hij hier in zijne tegenstelling met de wereld, die in het booze lag, als bijzondere, uitverkorene, begenadigde Gods. Het blijkt hier echter ook, dat deze verbondsgenade, dde zich uitstrekt over Noach en zijn geslacht nog iets anders is dan de verkiezende genade. De natuurlijke redding toch uit de dreigende doodsgevaren, die met het naderend oordeel samenhangen, strekt zich uit over het gansche geslacht van Noach. Hij en zijn gansche huis moeten ingaan in de ark. Daarin was voor deze allen redding bereid uit den algemeenen ondergang. Maar daaruit volgde niet, dat nu ook al deze menschen zaligmakende genade deelachtig waren. Zij herkregen wel allen een natuurlijken zegen doordat zij van den dood gered werden, doch dit beteekende niet, dat zij nu ook allen den eeuwigen zegen deelachtig zijn geweest. De geschiedenis toch heeft geleerd, dat de dag gekomen is, waarop Noach Kanaan vervloekte.
En de oorzaken van dien vloek wezen uit, dat deze vloek samenhing met geestelijke afdwalingen, waarover Gods verbod zich uitstrekt. Zoo wordt het dus reeds hier aan de oude gemeente geopenbaard, dat er niet slechts samenhang, maar ook onderscheid is tusschen verbond en verkiezing. De verkiezing heeft beperkter grenzen dan het verbond. De verkiezing is de wortel des verbonds. Het verbond heeft dan ook nevens zijne innerlijke, onmiddellijk met de verkiezing samenhangende werking, eenen uitwendige verschijningsvorm, welks grenzen die van de verkiezing overschrijden. Dat blijkt tn Noach's geschiedenis al zeer duidelijk. Noach zelve is de uitverkorene Gods en om zijnentwil wordt gansch zijn geslacht gered uit de wateren van den vloed, hoewel niet elk lid van zijn geslacht een uitverkorene tot het leven is. Er worden dus aan die allen wel zegeningen bereid; om Noach's wil, maar zij zijn daarom nog niet allen zonder onderscheid uitverkoren tot een levend lidmaatschap van Gods Kerk.
Maar van Noach wordt dan ook nadrukkelijk verklaard, dat hij eigenlijk de uitverkorene Gods is. Dus heeft Noach ook zekerheid verkregen van zijne verkiezing. De Heere heeft hem deze nadrukkelijk gegeven door hem te verklaren welke de gronden voor zijne redding zijn. En het is van belang, vooral in dezen oppervlakkigen tijd, daarop acht te geven. Er wordt in onze dagen zoo dikwijls oppervlakkig heengeloopen over de vraag of wij wel waarlijk macht ontvangen hebben om kinderen Gods genaamd te worden. Die vraag komt zelfs nauwlijks meer ter sprake, zoodat er talloos velen zijn, die nog wel uiterlijk meeloopen, maar van alle zelf beproeving verre zijn. De oppervlakkige leer, waarmede de zielen soms worden misleid, brengt er toe zich over de eeuwige dingen weinig te bekommeren. Onder een schijn van rechtzinnigheid worden velen verleid zichzelven te troosten met een geloof, dat slechts in woorden bestaat en waarvan geen wentel des levens de groeikracht bereidt. Het lichtvaardig aangenomen schijngeloof heeft geen wezen en zoo worden velen voor eeuwig teleur gesteld, omdat zij geen Borg en Middelaar begeerd hebben, die hen waarlijk zalig maken kan. Zij bleven leven in de wereld wezenlijk onveranderd en reisden alleen onder een schijn van vrome woorden, die zij zelven niet waarlijk verstonden. Daarom juist is het zoo noodig op des Heeren Woord te merken en te zien, dat reeds de oude gemeente, die nog leefde onder de traditie, reeds een diep inzicht heeft gehad in den weg der zaligheid, die door den Heiligen Geest wordt gebaand. Want als de Heere aan Noach zijne redding toezegt, dan verklaart Hij hem ook waarom juist hij alleen en niemand anders wordt gespaard. Hij ontvangt een licht des Geestes over zijnen staat voor God. Dat is in het leven van Gods kind een wonder oogenbllk, als het een klaar inzicht ontvangt in zijne wedergeboorte en bekeering. Onder den druk van genadevolle leiding met hem kan het kind des Heeren verbaasd staan over de weldaad hem geschied. Diep kan de onwaardigheid worden gekend, diep kan hij worden ingeleid in zonde en schuld, zoodat hij zich de grootste der zondaren kent, terwijl hij toch moet belijden, dat zulk een genade is geschied. Dan wordt het hem te wonderbaar, wanneer het moet worden bekend, dat de zonde meerder gemaakt was dan die van de wereld, die naar Gods Woord niet hoort, naar Gods genade niet vraagt. En dan wordt de redding uit diepten van ellende een wonder Gods in de oogen van het kind des Heeren. En dan verklaart hem de Heere den weg waarlangs hij geleid werd.
En dit heeft nu Noach ervaren. De Heere zegt tot hem : ga met uw geslacht in die ark. De Heere verzekert hem, dat hij en zijn huis zal worden behouden door den weg des geloofs, dien Hij voor Noach's voet heeft ontsloten en dien Noach in geloofsgehoorzaamheid heeft betreden te midden van eene ondergaande wereld, die hem bespotte en verachtte, omdat zij hem niet begreep. En nu lag het voor de hand, dat in Noach's ziel de vraag moest opkomen : waarom ik en waarom ik alleen ? En op die zielevraag van Noach geeft de Heere hem nu het antwoord.
Noach en zijn geslacht zal behouden worden alleen om deze ééne zaak : „want u heb Ik gezien rechtvaardig voor mijn aangezicht in dit geslacht." Dit spreekt de Heere alleen tot Noach.
Hij zegt het niet van Noach's geslacht, maar alleen van Noach zelven. God had hem gezien, des Heeren oog was niet slechts op hem, maar ook in hem. De Heere zag Noach's hart aan. Er wordt maar al te dikwijls op gewezen, dat het begrip der gerechtigheid in het Oude Testament een geheel ander is dan door den apostel Paulus bedoeld wordt, als hij de rechtvaardigmaking des zondaars beschrijft en daarbij het geloof in het licht stelt, waardoor de zondaar van de gerechtigheid van onzen Middelaar als de zijne verzekerd wordt. Uit den aard der zaak is er ook over de kennis der rechtvaardigmaking in den loop der eeuwen een allengskens klaarder wordend licht opgegaan. Maar ook hierbij moet wel warden bedacht, dat daaruit nog niet volgt, dat er aan eene tegenspraak behoeft gedacht te worden, zooals de moderne en ethische theologen dit wel eens voorstellen. Er is ook in het begrip der gerechtigheid, zooals het in het Oude Testament voorkomt, een wezenskern, waarin het met de Paulinische gerechtigheid overeenkomt. Ook de gerechtigheid, waarvan de ouden spraken, was een begrip, dat eigenlijk tot uitdrukking bracht het voldoen aan den eisch van de norm. Zoo staat er in Levit. 19 : 36 : „Gij zult eene rechte wage hebben, rechte weegsteenen, eene rechte epha en een rechte hin ; Ik ben de Heere uw God, die uit Egypteland uitgevoerd heb." Uit dit ééne voorbeeld blijkt dus reeds, dat wij daar te doen hebben met den eisch, dat de weegwerktuigen aan de goede en juiste maat voldoen moeten. Die maat is eisch Gods. En datzelfde begrip van volkomen overeenstemming met den eisch der door God in Zijne heilige wet gestelde maat geldt nu ook den mensch in oud Israël. Hij moet aan den eisch Gods voldoen, zooals deze in de wet des Heeren is omschreven. En als dus hier van Noach wordt gezegd : „u heb Ik gezien rechtvaardig voor mijn aangezicht in dit geslacht", dan wordt daarmede aan Noach een inzicht gegeven in zijn staat voor des Heeren aangezicht.
De Heere kende hem als een rechtvaardige en bevestigt zulks aan dezen Zijnen uitverkorene, opdat hij zal weten, waarom hij alleen in onderscheiding van „dit geslacht", dus. van alle zijne tijdgenooten, tot redding voorbestemd is. Er wordt ons hier niet gezegd, hoe Noach zelve deze rechtvaardigheid heeft verstaan, maar alleen hoe de Heere hem zag. En dit nu was voor hem afdoende, want zooals God de Heere den zondaar kent, alzoo is hij wezenlijk. God kent de waarheid van des menschen bestaan. In het eeuwig licht van Gods aangezicht was Noach rechtvaardig, voldeed hij aan den eisch des Heeren. Dat is alleen mogelijk geweest, omdat Noach een gekende des Vaders was in den Zoon van Zijn welbehagen. En de vraag is dus niet, hoeveel en op welke wijze Noach zelve den weg der rechtvaardigmaking heeft gekend in den zin, zooals deze later door Jezus' discipelen is beschreven.
De apostelen zelven hebben ons zijne rechtvaardigheid verklaard, want de Hebreënbrief rekent hem onder de helden des geloofs, die een erfgenaam werd der rechtvaardigheid, - die naar het geloof is. En zoo was dus Noach, de uitverkorene, rechtvaardig voor Gods aangezicht, omdat zijn geloof zich openbaarde in volstrekte gehoorzaamheid aan zijnen God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 maart 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's