STAAT EN MAATSCHAPPIJ
PANIEKSTEMMING.
Er kan in den geestelijken nood van onzen tijd, waarin zoovelen van het anker hunner beginselen zijn losgeslagen en de geesten dermate in verwarring zijn, dat de juiste verhoudingen, die het leven van den Staat en de maatschappij behooren te beheerschen, dreigen verloren te gaan, niet genoegzaam gewaarschuwd worden tegen al datgene, wat de groote massa zou kunnen prikkelen en haar er toe zou kunnen brengen om onberaden stappen te ondernemen.
Geeft men aan deze waarschuwing geen gehoor, dan speelt men gevaarlijk spel en schept men een sfeer van onrust en beroering, die niet veel noodig heeft om in een paniekstemming om te slaan.
Het wachten is dan nog slechts op de vonk, die het kruit doet ontbranden.
Het wil ons voorkomen, dat deze gevaarlijke situatie niet voldoende is doorzien geworden in de jaarvergadering van de Staatkundig Gereformeerde Partij van 7 Februari 1.1., toen de leider van deze politieke groep te Utrecht zijn rede hield, getiteld : „Zijn hout en zijn stok", welke rede den Minister van Economische Zaken bij de behandeling van de begrooting van het Landbouw-Crisisfonds in de Tweede Kamer, om der gevolgen wil, tot scherpe crltiek aanleiding gaf. Van deze critiek is het noodig, dat, ter geruststelling van het publiek met betrekking tot de wilde geruchten, die de ronde doen, heel het Nederlandsche volk kennis neemt.
Wat in de rede gezegd werd over den financieelen-en economischen toestand des lands en~ dat tot zooveel aanstoot aanleiding gaf, was het gevolg van een totaal gemis aan feitenkennis bij den redenaar.
Dit bleek al dadelijk uit de malle vergissing, die op bladzijde 9 van de gedrukte rede betreffende de financieele toestand des lands gemaakt wordt: , het tekort" — zoo heet het daar — „op de Rijksbegrooting van 190 millioen ten vorigen jare en van 100 millioen dit jaar, spreekt boekdeelen".
Hier was de voorlichting van den voorzitter der S.G.P. er vlak naast. Had hij toch kennis genomen van de mededeeling van de Memorie van Antwoord op het 1ste Hoofdstuk der Rijksbegrooting, bladz. 22, dan zou hij gezien hebben, dat het tekort op de begrooting voor 1934 niet 190 millioen, maar 30, 1 millioen bedroeg. Al hoog genoeg ! De 190 millioen en de 100 millioen waren slechts ramingcijfers.
'Doch deze op zichzelf reeds onjuiste voorlichting van de Staatkundig Gereformeerde Partij was van zeer weinig gewicht, vergeleken met de scherpe aanklacht, die de rede op bladzijde 7 tegen het beleid der Regeering laat hooren en die de verontwaardiging èn van de Tweede Kamer èn van den Minister van Economische Zaken opwekte. De desbetreffende passus op bladz. 7 luidt:
Gruwelijk is omgegaan met het vee. Hoogdragende koeien zijn afgemaakt. In de wei geboren kalveren zijn doodgetrapt. Millioenen blikken vleesch zijn bedorven. Bij duizenden tegelijk werden zij verbrand. En toch gaat de Regeering voort op den ingeslagen weg. Weder zullen 150.000 runderen worden afgeslacht en ingeblikt, hoewel men weet, dat het blikvleesch niet te verkoopen, ja, niet weg te geven is. Rotterdam verkocht nog geen 5% van het toegewezen kwantum. Het volk toont zijn afkeer van het handelen der Regeering. Niettegenstaande bij velen geen vleesch of vet meer op tafel komt, weigeren zij het regeeringsvleesch. Op schandelijke wijze is geknoeid. Enkele personen zijn rijk geworden van de afslachting van vee en varkens, ten nadeele der boeren en der geheele bevolking......
Een landbouwer is vervolgd, omdat hij een arme vrouw, die in weken geen aardappelen gegeten had, toestond de achtergebleven aardappelen van zijn akker op te rapen«.
Ziedaar de akte van beschuldiging betreffende de verschillende regeeringshandelingen door den voorzitter der Staatkundig Gereformeerde Partij fel en zonder aanzien des persoons opgesteld. De akte zelf zal ongetwijfeld bij de hoorders op de vergadering van 7 Februari niet nagelaten hebben een diepen indruk te vestigen.
Het loopt in de aanklacht toch niet over kleinigheden, maar over zaken van groote beteekenis, die, wanneer zij juist waren, de vraag zouden doen reizen, of een Kabinet, dat zulk een beleid voerde, nog wel zou zijn te handhaven. Dit heeft de Tweede Kamer ook zoo begrepen, blijkens de informaties, die bij den Minister van Economische Zaken over de beschuldigingen werden ingewonnen.
Uit deze informaties is komen vast te staan, dat de beschuldigingen deels onjuist, voor een enkele zeer overdreven, doch meerendeels aan de fantasie van den redenaar op de jaarvergadering te Utrecht waren ontsproten.
Stuk na stuk heeft Minister Steenberghe het aan de Regeering ten laste gelegde ontzenuwd, het in strijd met de waarheid ondeugdelijk verklaard en naast zich neergelegd.
Met de feiten toonde de Minister aan, dat in de eerste plaats de runderen, die door de Nederlandsche Veehouderscentrale werden overgenomen, na dien nimmer in de weide zijn gebracht, zoodat van het doodtrappen van kalveren, die in de weide geboren zouden zijn, geen sprake kan zijn geweest. Van de Nederlandsche Vereeniging voor bescherming van dieren werd zelfs de erkentelijkheid uitgesproken voor de getroffen regeling.
Wat in de tweede plaats de klacht betreft, dat millioenen blikken vleesch zijn bedorven, is komen vast te staan, dat van de 9.861.219 bussen, die van 4 December 1933 tot 24 September 1934 aan de gemeenten geleverd zijn, slechts 12318 bussen door de Centrale niet geschikt werden geacht voor de consumptie, hoewel niet al deze bussen door de keuringsdiensten zijn afgekeurd. De Centrale is n.l. buitengewoon voorzichtig met de kwaliteit van de bussen, zoodat er eerder te veel dan te weinig worden afgekeurd. Dit beteekent — aldus de Minister — niet, dat er millioenen blikken vleesch vernietigd zouden zijn. Het aantal vernietigde blikken bedroeg niet meer dan l 1/3 per 1000. Dit percentage is in de latere maanden nog belangrijk minder geworden.
Wat verder aangaat de beschuldiging, dat blikken vleesch bij duizenden zijn verbrand, behoort de zaak zoó te worden begrepen, dat bij een brand in een pakhuis te Rotterdam, van welke brand de Regeering niets afwist, 1600 bussen beschadigd zijn, die op normale wijze door de Assurantiemaatschappij zijn vergoed geworden.
Wij zouden zoo kunnen voortgaan. Het zou daarbij zeer de moeite loonen om de uitvoerige antwoorden van den Minister op de zeven door de Kamer gestelde vragen, hier af te drukken. Echter zou het overnemen der drie kolommen druks uit de Handelingen te veel plaatsruimte van ons blad vorderen. Daarom doen wij dit niet. Een uitzondering moge nog gemaakt worden voor dé laatste vraag, n.l. deze, of, waar de Minister zich bereid had verklaard elke behoorlijk ingediende klacht bij zijn Departement te onderzoeken, de voorzitter der Staatkundig Gereformeerde Partij, die zulke ernstige beschuldigingen aan het adres van de Regeering publiceerde, ook zijn klachten bij den Minister had gebracht en om een onderzoek had gevraagd.
Deze vraag heeft de Minister ontkennend beantwoord. Éénmaal had de voorzitter zich tot het Departement van Economische Zaken gewend in verband met de kwestie van de gewetensbezwaarden, welke kwestie toen bevredigend werd opgelost. Doch ten aanzien van alle overige punten had nooit eenig verzoek om inlichting den Minister bereikt.
Dat dit verzoek niet gedaan werd, is oorzaak geworden, dat op de jaarvergadering van de Staatkundig Gereformeerde Partij dingen zijn gebeurd, die een hoogst ernstig karakter droegen. Er werd een akte van beschuldiging tegen de Regeering ingediend, zonder dat voor de beschuldigingen eenige grond aanwezig was.
Op deze wijze wordt een geest van onrust en beroering onder het volk gebracht, wat tot moeilijkheden leiden kan. Vooral in een tijd, als waarin wij op dit oogenblik leven, behoort elke aanleiding tot het verwekken van spanning zorgvuldig te worden vermeden, wil het gevaar van een paniekstemming niet intreden.
Een ieder, die verantwoordelijkheid draagt, behoort hiermede rekening te houden, ten einde ongelukken te voorkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's