VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 7 : 2 en 3. Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje, maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en zijn wijfje. Ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de gansche aarde.
VI.
4e Serie.
Het zondvloed-verhaal verplaatst ons in praehistorische tijden, spreekt ons van gebeurtenissen, die door het geweldige, waardoor zij gekenmerkt waren, een zeer diepen indruk hebben gemaakt, zoodat hare heugenis, door overlevering bewaard, onuitwischbaar gegrift bleef in het bewustzijn der oude volken. En de Heilige Schrift heeft ons op bijzondere wijze de historische schatten bewaard der allereerste menschheid. Dat is daarom zoo vermeld, opdat Gods Kerk in den loop der eeuwen zou kunnen zien den onverbroken gouden draad der verbondsgenade Gods. De lijn der verkiezende daden wordt in de^^ Schrift van het paradijs af getrokken, en al wat daarmede samenhangt, is ons bewaard op eene bijzondere, voorzienige wijze, zoodat het uitverkoren geslacht zioh in groote klare trekken op het wijde gebied der menschheidsgeschiedenis voor ons afteekent. En die lijn loopt door tot in Christus en vanuit Hem tot in het hemelsche Jeruzalem.
Zoo is dan ook te verwachten, dat de traditie weerspiegelt het licht, dat Gods Heilige Geest over de historie doet opgaan. Eenerzijds heeft dit er toe geleid, dat de geschiedbeschrijving, zooals die in Gods Woord ons is gegeven, er steeds op uit is uit de mythologische phantasieën der oude volken, die buiten Gods bijzonder openbarinigslicht leefden, de historische kernen uit te pellen. Wij hebben er meermalen op gewezen, dat dte Heilige Schrift zich onderscheidt door een nuchter historischen zin, die al het phantastisch verzonnene uitwerpt om het wezenlijk gebeurde in het licht te stellen. Hare groote historische figuren zijn geen heroën, geen half-goden, zooals de heidenen deze vereeren, maar menschen van grooten invloed in de historische ontwikkeling, maar toch menschen van gelijke beweging als alle anderen. Zij zijn mannen, wier daden en namen de nageslachten eeuwen lang met ontzetting of ook met eerbied vervulden, maar toch menschen, onderscheiden door den gruwel hunner zonde, of wel, zooals hier met Noach het geval is, door de uitverkiezende genade Gods.
Zoo ligt het dus voor de hand, dat het licht des Geestes Gods over dat verleden in de Schrift ons opgaat en dat zij ons daarop een blik geeft, waardoor een diep inzicht ontsloten wordt in het geestelijk leven dier oude en eerste menschheid. Doch omdat de overlevering de bron is, waaruit Mozes putten moest, draagt het Schriftverhaal daarvan kenmerken, die uitwijzen, dat het historisch beeld uit onderscheidene elementen saamgesteld werd, die elkander aanvullen en alzoo samen een geheel vormen. De moderne critiek heeft uit den aard der zaak getracht door eene splitsing der bronnen de eenheid van het zondvloedverhaal te breken. En hoewel zij niet heeft kunnen ontkennen, dat in de hoofdzaak eene eenheid bestaat, heeft zij gewezen op hét verschil in de Godsnamen niet alleen, maar ook op ver schillen in bijzonderheden betreffende den duur van den vloed en met betrekking tot het aantal reine en onreine dieren.
Om nu tot dit laatste ons thans te bepalen, wordt er op gewezen, dat in ons tekstwoord gezegd wordt: Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, maar van het vee, dat niet rein is, twee, het mannetje en het wijfje". In Genesis 6 : 19 bepaalt de schrijver zich tot de mededeeling, dat Noach „van al wat leeft, van alle vleesch, twee van elk, in de ark zal doen komen", terwijl ook in vers 20 gezegd wordt: twee van eik zullen tot u komen om die in het leven te behouden". En zoo wordt ook in Genesis 7 : 9 gezegd, dat van het reine vee en van het vee, dat niet rein was, er kwamen „twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en het wijfje, gelijk als God Noach geboden had". Inderdaad is hier dus van eenig verschil in de voorstelling sprake, doch dat daarin een grond gegeven zou zijn voor die dikwijls zeer willekeurig toegepaste „splitsing der bronnen", kan toch daarom nog niet als juist worden aanvaard. In de eerste plaats reeds daarom niet, omdat wij ons toch moeilijk een auteur kunnen voorstellen, die zich van deze onderscheidenheden niet belast zou zijn geweest en zoo maar op eene naïeve wijze naast en door elkander allerlei met elkander niet overeenkomende bijzonderheden zou samenvlechten. Ook de schrijver van Genesis was ongetwijfeld een man van zoo fijne ontwikkeling en van zoo teeder gevoel voor het werkelijke, dat aan zulle eene onsamenhangende naast elkander plaatsing van verschillende van elkander afwijkende voorstellingen moeilijk kan worden gedacht. Veeleer kan de tekst zelve, zooals deze voor ons ligt, de verklaring bieden. Dat in Genesis 6 : 19 en 20 de „twee van elk" worden genoemd, hangt ongetwijfeld daarmede samen, dat in Genesis 6 voor ons ligt eene algemeene profetische beschrijving van hetgeen nog geschieden moet. Het bouwplan der ark wordt aan Noach geopenbaard, ook dat deze ark de redding zou bieden, die als eene daad van verbondsgenade moest worden ontvangen door Noach en zijn geslacht. En daarbij wordt hem nu tevens in groote lijnen verklaard, hoe het doel der ark moest wezen niet slechts de redding van Noach en de zijnen, maar ook om. de met hem in levenscontact staande schepselen „in het leven te behouden". In deze algemeene, profetische aankondiging was er voor bijzonderheden nog geene plaats. In groote trekken wordt aan Noach het toekomstig verloop der dingen geopenbaard en slechts die bijzonderheden worden hem met groote nauwkeurigheid meegedeeld, die hij precies moest weten, opdat hij zou kunnen doen hetgeen allereerst noodig moest worden geacht. Zoo worden hem de juiste maten en alle bijzonderheden van het bouwplan der ark gegeven, opdat hij niet in twijfel zal zijn over hetgeen hem nu als eerste taak werd opgedragen. Doch ook daarbij handelt de Heere redelijk met Noach, want Hij laat hem daarom dat bouwplan zien in het licht van het groote doel: e redding van Noach en de zijnen, met de redding dier levende wezens, welker voortbestaan voor de toekomst der menschheid onmisbaar is.
Doch geheel anders is de strekking van het gedeelte van het verhaal, dat ons in Genesis 7 wordt voorgelegd. In dit hoofdstuk is er sprake niet meer van het profetische plan, dat de Heere aan Noach openbaart, maar van de verwerkelijking van het doel, waarom het bouwplan is gegeven. In Genesis 7 wordt de voltooiing der ark verondersteld. Noach heeft de gehoorzaamheid des geloofs betoond. Het oordeel zal worden voltrokken. De ark staat gereed, en nu wordt Noach, nadat hij eerst, door goddelijke aanspraak vermaand, de ark heeft toebereid, andermaal door goddelyke aanspraak vermaand met zijn gansche huis de ark te betreden. En ook voor dit gedeelte van den geloofsweg, dien Noach bewandelt, geeft hem de Heere alle bijzonderheden aan, die hij zal hebben te betrachten. Noach kreeg dus een nadere, tot in de kleinste details afdalende teekening van wat hem nu te doen stond. Daarom moest er wel volgen eene nauwkeurige opsomming van wat hij nemen zou van de dieren des velds en van het gevogelte des hemels. En dat in dit zelfde hoofdstuk, in het 8e en 9e vers, nog weder in het algemeen gesproken wordt van het reine vee en van het vee, dat niet rein was en de dieren tot hem kwamen, twee en twee, mannetje en wijfje, behoeft niet begrepen te worden als uit eene andere bron genomen en ingevlochten in den tekst. Want nu eenmaal de nauwkeurige opsomming gegeven was, kon daarna volstaan met de nadere toelichting van de treffende wijze, waarop de Heere zorg droeg voor de redding niet slechts van Noach en de zijnen, maar eveneens van de dieren des velds.
De moderne critiek heeft uit den aard dit gedeelte van het verhaal van jongen datum verklaard, zooals zij dit met de Mosaïsche wetten in Leviticus en Deuteronomiimi eveneens heeft gedaan. De wetten over het onderscheid tusschen reine en onreine dieren, Levit. 11 en Deut. 14, blijken in het verhaal van den zondvloed bekend. Toch is ook uit dat oogpunt gezien er geen grond om tot een samenraapsel van oudere en jongere berichten te besluiten. Het verschijnsel toch, dat er onderscheid gemaakt wordt tusschen reine en onreine dieren, is ongetwijfeld van zeer ouden datum, zoodat het in de alleroudste tradities niet behoeft te verbazen. De onderscheiding tusschen het heilige en het onheilige, het voor de godheid afgezonderde en haar dus gewijde, tegenover het voor profaan gebruik bestemde, is zoo oud als de menschheid zelve. Er zijn geene volken bij wie daarvan geene sporen zijn te ontdekken. Bij de meeste natuurvolken is het gansche leven van individu en gemeenschap beide vervuld van verboden en geboden, die uit deze onderscheiding voortvloeien. En gelijk in alle eeuwen de menschen krachtens hun religieus wezen het offer gekend en gebracht hebben, zoo hebben zij ook in alle tijden zonder onderscheid een besef gehad van hetgeen aan de godheid betamelijker wijze kon worden toegebracht en van hetgeen op zichzelve voor die wijding ongeschikt moest geacht. Daarom lezen wij dan ook van Habel, dat hij van de eerstgeborene zijner schapen en van hun vet ten offer bracht. Die eerstgeborene was in onderscheiding van alle andere bij uitnemendheid geschikt om als een offer aan de godheid te worden gebracht, opdat de gansche kudde daardoor geheiligd werd. De wijding van bepaalde schapen en van bepaalde dieren in onderscheiding van de andere was dus van de oudste tijden af bekend. En datzelfde geldt nu van de reine en de onreine dieren. Dat zij in het zondvloedverhaal voorkomen, behoeft op zlchzelve beschouwd geen bewijs te zijn voor den lateren oorsprong van dit gedeelte van het verhaal. Integendeel, gegeven het cultisch bewustzijn, waarvan het geheele Oude Testament getuigenis aflegt, zijn ook deze reine dieren in grooter getale naast de onreine volkomen op hunne plaats. Indien zij niet waren genoemd bij de nauwkeurige opsomming van hetgeen Noach met zich medenemen moest, dan zou de vraag rijzen, hoe hij dan, als de vloed voorbijgegaan was en het offer der dankbaarheid brengen moest, het offerdier zou hebben kunnen brengen tot het altaar. Zonder deze mededeeling zou er in het zondvloedverhaal een schakel ontbreken, waardoor Noach's religieuse persoonlijkheid niet verstaanbaar kon wezen. De man, dien de Heere kende als rechtvaardig voor Zijn aangezicht, zou dan niet bij machte zijn geweest een Gode welbehagelijk offer te brengen. En daarom als hij in de ark gaat, onderwijst de Heere hem, hoe hij zal nemen van het reine vee, zeven en zeven, en van het vee, dat niet rein is, twee en twee, opdat hij brengen zou eene volkomene offerande. Immers Noach kende het antwoord op de vraag, die latere eeuwen een Maleachi bestraffend richtte tot het goddelooze en afvallige volk: „ben Ik dan een Vader, waar is Mijne eere ? en ben Ik een Heere, waar is Mijne vreeze ? " Hij bracht niet op het altaar wat verontreinigde, want de Heere kende hem als rechtvaardig voor Zijn aangezicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's