KERKELIJKE RONDSCHOUW
KERK EN STAAT, (l)
Artikel 22 van het Program van beginselen der A.R. Partij luidt: „De A.R. Partij verklaart, dat noch voor het Rijk in Europa, noch voor de Koloniën, door de Overheid een Staatskerk, van wat vorm of naam ook, mag worden in stand gehouden of ingevoerd ; — dat het den Staat niet toekomt, zich met de inwendige aangelegenheden der Kerken in te laten ; — en dat, ter bevordering van een meer dan dusgenaamde scheiding tusschen Staat en Kerk, de verplichting uit art. 172 der Grondwet voor de Overheid voortvloeiende, na uitbetaling aan de rechthebbenden van het rechtens verschuldigde, dient te worden opgeheven".
Hier noch in Indië dus een Staatskerk, van wat vorm of naam ook.
Hier noch in Indië mag de Staat zich met de inwendige aangelegenheden der Kerken inlaten. De verplichting van de Overheid in zake „de zilveren koorde" uit Art. 172 der Grondwet voortvloeiende, moet worden opgeheven, na uitbetaling aan de rechthebbenden van het rechtens verschuldigde, opdat er een meer dan zoogenaamde scheiding tusschen Staat en Kerk kome. Over dit Artikel van Ons Program is reeds veel gezegd en geschreven. Zelf schreven we vroeger, meer dan eens reeds, een serie-artikelen over de kwestie van de finantiëele verhouding van Staat en Kerk en de z.g.n. losmaking van „de zilveren koorde", na uitbetaling aan de rechthebbenden van het rechtens verschuldigde. Als we er nu weer de aandacht op vestigen is het slechts om te wijzen op 't geen prof. Diepenhorst er van zegt, in z'n practische toelichting van Ons Program, in z'n boek „Ons Isolement" blz. 427—432.
Daar lezen we : De A.R. Partij is niet een kerkelijke partij ; zij bindt haar actie niet aan een bepaalde Kerk; zij kiest noch voor noch tegen een bepaalde Kerk. Daarin onderscheidt zij zich van de Hervormde Gereformeerde Staatspartij (de H.G, S.), die eigenlijk van de protestantsche partijen alleen zich als kerkelijke partij aandient door haar erkenning van de Nederlandsch Hervormde Kerk als de historische, wettige openbaring van het lichaam van Christus in Nederland, die het alléén recht heeft op alles wat vroeger de publieke Kerk van Nederland bezat en genoot. De H.G.S. neemt daarmee een bijzondere positie in. De voorstelling alsof de Chr. Historische Unie en de Hervormde Kerk één is, terwijl daarentegen de A.R. Partij één zou zijn met de Geref. Kerken, is met de waarheid in strijd. Niets geeft in de Statuten en Programs van beide partijen recht tot zoodanige voorstelling. Op de Chr. Historische Unie mag geen kerkelijk Hervormd cachet gedrukt worden en op de A. R. Partij geen kerkelijk Gereformeerd stempel. En jhr. de Savornin Lohman én dr. Kuyper — en waarlijk zij niet alleen — hebben daartegen altijd ernstig gewaarschuwd. En terecht.
Vooral toen dr. Kuyper de leider van de A.R. Partij was werden de vrienden der Hervormde Kerk, als een stembusstrijd in 't zicht was, opgeroepen zich tegen de antirevolutionaire partij te keeren, omdat, zoo zei men, de A. R. Partij het op „den ondergang der Vaderlandsche Kerk" had toegelegd. Om zich van dien smaad te zuiveren heeft toen dr. Kuyper in 1897 eene verklaring gepubliceerd, die in 1913 werd herhaald en ook hier een plaats vinde. Zij luidt aldus :
„De ondergeteekende, van onderscheidene kanten vernomen hebbende, dat vele antirevolutionaire kiezers, die tot de Nederlandsch Hervormde Kerk behooren, beducht zijn gemaakt, als zou de overwinning der antirevolutionaire partij uitloopen op schade voor de Hervormde Kerk, gevoelt zich gedrongen desaangaande het navolgende te verklaren :
1. dat hij een beslist tegenstander is van de scheiding van Godsdienst en Staatsrecht. De Souvereiniteit van God Almachtig moet naar zijn vaste overtuiging ook in het Staatsrecht erkend, gehandhaafd en geëerbiedigd worden.
2. dat hij evenzeer een beslist tegenstander is van de scheiding van Kerk en Staat, gelijk de Liberale partij die wel bepleit, maar zelve niet aandurft — en dat hij daarentegen steeds, evenals Groen van Prinsterer, het Staatsrechterlijk karakter der Kerk van Christus verdedigd heeft.
3. dat hij met de geheele A. R. Partij daarentegen steeds aandrong en aandringen blijft op herstel van de geldelijke zelfstandigheid der Kerk en uit dien hoofde het beginsel voorstaat, om de gelden die aan de Kerken toebehooren, niet langer onder beheer van den Staat te laten, maar onder beheer der Kerken zelve te brengen. Art. 20 is door hem dan ook steeds zóó uitgelegd, dat alle Kerken, die nu uit de Rijkskas trekken, haar inkomsten behouden zouden en dan in vast kapitaal.
4. dat hij, afgezien van de politiek, als Godgeleerde, als Canonicus, en als Belijder van den Christus, aan de Ned. Hervormde Kerk geen anderen eisoh stelt, dan dat zij voor het gezag der Heilige Schrift weer buige en terugkeere tot de Belijdenis der vaderen, gelijk die in het bloed onzer martelaren bezegeld is,
5. dat hij en met hem alle Gereformeerden, zoodra dit zal geschied zijn, met dankbare vreugde weer met alle broeders de aloude eenheid van de Kerk onzer Vaderen in dezen lande zal helpen herstellen.
6. dat hij zoolang dit uitblijft, zeer zeker in verzet komt tegen al wat in de Ned. Hervormde Kerk den Christus verloochent en tegen God en Zijn Woord wederpartijdig is, maar op prijs stelt, waardeert en liefheeft, al wat in die Kerk uit God geboren is en gelijkvormigheid vertoont met den Beelde Zijns Zoons".
De Verklaring, die voor 't eerst in '97 gegeven is en in 1913 nog eens werd herhaald, zegt dus o.a.:
Godsdienst en Staatkunde mogen niet gescheiden worden. De Souvereiniteit Gods, Zijn oppermacht gaande óók over de Staatkunde en het regeerbeleid, moet in de politiek worden erkend, geëerbiedigd en gehandhaafd. Geen neutraliteit in de politiek, geen godsdienstlooze Staatkunde. Of, om met de woorden van Art. 3 van Ons Program te spreken : „Ook op Staatkundig terrein belijdt de A. R. Partij de eeuwige beginselen, die ons in Gods Woord geopenbaard zijn". Van de liberalistische leuze: „verknoei de Staatkunde niet met bijbelteksten" moeten we niets hebben. Ook op Staatkundig terrein geldt: „Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad". Alleen willen we niet weten, van een Kerk politiek, dat eenige Kerk, welke ook, op Staatkundig terrein de leiding zou overnemen en de Overheid aan eenige Kerk, welke ook, onderworpen zou zijn. Dat willen we noch van de Roomsche Kerk, noch van een Protestantsche Staatskerk, dat zij over het regeerbeleid heerschappij zou voeren. Gelijk we ook niet willen, dat de z.g.n. neutraliteit of het atheïsme 't hoogste gebod zal uitvaardigen. We willen dat het Staatsgezag rekening zal houden met de eeuwige beginselen, die ons in Gods Woord geopenbaard zijn, waaraan de Overheid èn de onderdanen zich in de consciëntie gebonden zullen weten. Zoo'n politieke partij wenschen we ; zoo'n volksvertegenwoordiging ; zoo'n ministerie — Overheid en onderdanen in de consciëntie gebonden aan de ordinantiën Gods, opdat op Staatkundig terrein rekening zal worden gehouden met d e eeuwige beginselen, die ons in Gods Woord geopenbaard zijn.
Van een liberalistische scheiding tusschen Kerk en Staat mag daarbij geen sprake zijn. De Kerk mag niet verachtelijk worden weggezonden uit de bewoonde wereld de woestijn in. De Kerk moet door de Overheid worden geëerbiedigd op de plaats, die haar van Godswege toekomt. Het volk kan de Kerk niet missen en de Kerk, van eigen rechte zijnde, moet door de Overheid geëerbiedigd en beschermd worden. De Overheid moet zich niet schamen voor haar geestelijke overtuiging in deze en met sympathie vervuld zijn voor de Kerk des Heeren, ook al openbaart die Kerk zich in velerlei vormen. Het Staatsrechterlijk karakter der Kerk van Christus dient verdedigd te worden!
Maar dan wil de A. R. Partij aandringen op herstel van de geldelijke zelfstandigheid der Kerk. Op het oogenblik berust het beheer over velerlei geld, dat van de Kerk is, bij de Overheid ; vandaar de uitbetalingen in velerlei vorm aan de onderscheidene Kerkgenootschappen (tractementen, vergoeding kerkelijk bestuur, kindergelden enz. enz.) Dat moet niet worden bestendigd. Waarom moet de Kerk onder voogdij staan van de Overheid, die nu een groot deel van haar geld beheert ? Kunnen daaruit niet allerlei ellendige gevolgen komen, als de Overheid het beheer der kerkelijke finantiën heeft ? Als de revolutie daaraan eens een einde maakte; of als allerlei wonderlijk politiek gedoe de finantiëele band' eens eenvoudig, zonder vorm van proces, doorsneed ? Zou 't niet verschrikkelijk zijn ?
De gelden die aan de Kerken toebehooren moeten niet langer onder beheer van den Staat worden gelaten, maar moeten worden gebracht onder het eigen beheer der Kerken. Welke Kerken hier dan in aanmerking komen ? Alle Kerken, die nu uit de Rijkskas trekken. D i e Kerken moeten haar inkomsten in den vorm van een vast kapitaal in handen 'krijgen om dan zelf het beheer en het volle eigendom te hebben. Dan kan de Overheid dus verder het beheer der finantiën aan de Kerken overlaten en kan zich, wat dit betreft, op eigen terrein houden, eerbiedigende de rechten der Kerken. En de verhouding van dr. Kuyper en de zijnen tot de Hervormde Kerk ?
Aan de Ned. Hervormde Kerk wordt door hen geen andere eisch gesteld, dan dat zij voor het gezag der Heilige Schrift weer buige en terugkeere tot de Belijdenis der Vaderen, gelijk die in het bloed onzer martelaren bezegeld is.
En wanneer de Ned. Hervormde Kerk weer als Kerk mocht teruggekeerd zijn tot de Schrift en de Belijdenis, dan zal het een vreugd zijn voor degenen, die nu kerkelijk gescheiden leven, om terug te keeren tot de Kerk der Vaderen, die weer uit de Belijdenis der Vaderen dan leeft, en met dankbaarheid en groote blijdschap zullen ze alles willen doen om de aloude eenheid van de Kerk onzer Vaderen te herstellen.
En zoolang dit nog uitblijft, zal men zich zeer zeker verzetten tegen al wat in de Ned. Hervormde Kerk den Christus verloochent en tegen God en Zijn Woord wederpartijdig is — maar tegelijk zal men waardeeren en liefhebben alwat in de Ned. Hervormde Kerk uit God geboren is en gelijkvormigheid vertoont met den beelde Zijns Zoons.
Zoo is de inhoud van de bekende Verklaringvan 1897, die herhaald is in 1913 en nog steeds daar ligt als een stuk van groote waarde.
(Slot volgt).
'T IS TOCH WEL HééL ERG
Er schijnt hier in Nederland een „Vereeniging van Vrienden der Sowjet - Unie" te bestaan. Daar mag Holland wel erg blij mee zijn. En Schiedam heeft de eer gehad dat er in het gebouw „De Eendracht" een vergadering gehouden is, waar dr. J. L. Snethlage, Ned. Herv. pred. te Oyen (N.-Br.), gesproken heeft over „Godsdienst en Sowjet-Unie". 't Ging over de vraag, welke de godsdienstige bezwaren zijn tegen de erkenning van Sowjet-Rusland. Aan deze rede is het volgende ontleend, volgens verslag N. R. Ct. (Woensdag 3 April, Ochtendblad).
»Wat de anti-godsdienstige propaganda en de godloozen-beweging betreft, wil spreker niet overdrijven, maar ook geen struisvogelpolitiek volgen. Bij de grondwetsherziening van 1929 is de godsdienstvrijheid opnieuw verzekerd. Geregelde godsdienstoefeningen vinden plaats, er heerscht vrijheid, voor zoover de godsdienst geen dekmantel is om het nieuwe regiem tegen te werken. Dat is mogelijk, omdat de boerenklasse nog vastgeroest zit aan haar traditie en de toestanden, die onder haar heerschten, nog beschouwd worden als bij uitstek door God' gewild. Waar dat zoo is, heeft de Staat het recht om in te grijpen, maar dan is dat geen godsdienstvervolging.
Maar hoe staat het dan met de godloozen, vraagt spreker, en de uitdrukking : Godsdienst is opium voor het volk ? Spreker erkent, dat uit Rusland een oordeel over de bestaande godsdiensten gaat en hij buigt voor dat oordeel, omdat de godsdiensten zich aan de maatschappelijke stelsels hebben overgegeven en daarmee dus ook veroordeeld moeten worden. Het christendom heeft de booze wereld niet onverschrokken aangegrepen en de kerken hebben den vinger niet op de wondeplekken gelegd. De Kerk heeft de kapitalisten niet ter verantwoording durven roepen, evenals de profeet Nathan koning David, maar zij heult met hen, door berusting in de crisis te prediken. Door de Sowjet-Unie niet, te willen erkennen, weigert men het vonnis te erkennen, dat over onze hedendaagsche samenleving is uitgesproken. Alleen zij hebben het recht om een oordeel uit te spreken, in wie de diepste waarheden van het christendom een nieuwe gestalte aangenomen hebben. En alleen in de Sowjet-Unie wordt op grond van een nieuw geloof een nieuwe wereld opgebouwd. Het is zeer wel mogelijk, dat Christus meeschrijdt van de October-revolutie af als eenig symbool van de waarheid. De dictatuur van het proletariaat heeft in 17 jaar voor de menschheid meer gedaan, dan het christendom in 17 eeuwen, en daarom zal men aan de vruchten den boom kennen. De ongeloovigen zijn zij, die de wereld in haar tegenwoordigen vorm willen handhaven. Het lijkt misschien paradoxaal, zei spreker, maar hij kan Christus en Lenin aanhangen, omdat Marxisme en Leninisme den diepsten zin in zich hebben van het socialisme van Jezus.
Aan het eind van de vergadering is een motie aangenomen om bij de regeering aan te dringen op een zoo spoedig mogelijke erkenning der Sowjet-Unie, daar hiertegen geen godsdienstige bezwaren bestaan«.
We zouden haast zeggen : dat lijkt als twee druppels water op hetgeen in 1906 door dr. Louis Bahler gezegd is inzake „Boeddhisme en Christendom. Toen werd Boeddha geprezen boven Christus. Nu is het:17 jaar van Sowjet-Rusland is voor de godsdienst beter geweest dan 17 eeuwen van het Christendom !
VOOR DE LIJDENSWEKEN. (3)
Op welken gerond is Jezus veroordeeld ?
Nadat Judas den Heiland had verraden — wat Judas doet vallen in den eeuwigen dood, waarvan geen verlossing mogelijk is —, heeft de .bende, die met stokken en touwen gewapend was, alsof zij op vangst was van den grootsten misdadiger, den Heere Jezus gevangen genomen en Hem van Gethsémané, den Olijvenhof, waar de pers alléén door Hem getreden was, gevoerd naar het huis van den oud-hoogepriester Kajafas, die het rechtsgeding zou voorbereiden. Intusschen was de Joodsche Raad bijeengeroepen en de gebondene stond weldra voor den hoogepriester in functie, Kajafas, die niet zou rusten vóór dat Jezus, de schandvlek der natie, uit den weg zou zijn geruimd. Wanneer niet met een duren eed gezworen ware, dat Hij tot eiken prijs zou worden ter dood veroordeeld, zou Hij vrijgesproken zijn ; want elk getuigenis van schuld ontbrak, ook zelfs, toen men voor geld valsche getuigen had doen optreden in de raadszaal, waar de bloem der natie bijeen was. Judas riep in doodsangst — naar waarheid — dat hij onschuldig bloed verraden had. Oók de getuigen, die gehuurd waren voor geld, konden geen zaak van schuld aanbrengen. Straks zou ook Pilatus, de hoogste aardsche rechter, die de zaak van Christus onderzocht heeft, verklaren : „ik vind geen schuld in Hem". Hij was ook onschuldig en Zijn onschuld bleek helder en klaar overal en telkens weer. Maar — Hij moest nu eenmaal veroordeeld worden en Hij is ook „veroordeeld" (Marcus 14 vers 64). Zelf had Hij daarvan te voren kennis gedragen en Zich hiervan ten volle bewust zijnde, had Hij ook aan Zijn discipelen gezegd: „Ziet, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal den Overpriesteren en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroordeelenen Hem den heidenen overleveren" (Marcus 10 vers 33).
Te voren stond vast — want het is alles geschied naar den bepaalden raad en voorkennisse Gods, zooals Petrus later zegt. Hand. 2 — dat Hij veroordeeld zou worden ; en wel door de Joden zou Hij veroordeeld worden ; om dan, veroordeeld zijnde, door de Joden overgeleverd te worden aan de heidenen, die Hem, bij monde van Pilatus, niet zouden veroordeelen, maar Hem veroordeeld aan de Joden zouden teruggeven, opdat Hij den dood zou sterven; den bepaalden dood, waarvan de Heiland te voren gesproken had en wel den vervloekten kruisdood.
Dat moest alles geschieden naar den bepaalden raad en voorkennisse Gods ; zóó alléén zou het goed zijn, Sion tot een eeuwige verlossing. Hoe gemakkelijk had de dood héél anders over Jezus kunnen komen ! Want hoe dikwijls hadden ze niet steenen opgenomen, om Hem te steenigen. Ja, bij Zijn eerste optreden te Nazareth, hebben ze Hem, in een volksoploop met aanhitsing van de rabbi's, van de steilte, waarop de stad gebouwd was, willen te pletter werpen. Later zouden ze Stefanus steenigen en Jacobus, den rechtvaardige, alzoo dooden. Maar Jezus moest veroordeeld worden tot den kruisdood, den dood des vervloekten, opdat Zijn Naam tot eeuwige schande zou wezen en uitgeroeid zou worden, zijnde een gehangene aan een hout!
En op welken grond is Hij nu „veroordeeld" door den Joodschen Raad ?
De hoogepriester daagt Hem uit, op een eed, om te verklaren of Hij Gods Zoon is of niet. En in het aangezicht van den dood, van den dood op godslastering, zegt de Heiland als de hoogste waarheid : Gij hebt wèl gezegd. Ik ben Gods Zoon !
Dan heeft er iets vreeselijks plaats ! In Efratha's velden hebben de Engelen gezongen, toen God mensch werd, Immanuël : God met ons. De herders hebben geknield in de stal bij de kribbe. De Wijzen uit het Oosten hebben Hem aangebeden en Hem hun geschenken gegeven, goud, wierook en mirre. De Moorman uit het Zuiderland heeft Zijn Naam beleden tot zaligheid. Maar als hier, voor den Joodschen Raad, God afklimt van den hemel in Zijn eigen Zoon en sprekend naar de Schriften, getuigenis geeft: „Deze is Mijn geliefde Zoon, in Wien Ik Mijn welbehagen heb, hoort Hem" — dan spreekt de hoogepriester, die in het binnenste heiligdom zoo dikwijls het bloed van het lam had ingedragen ter verzoening : Deze is des doods waardig. Hij heeft God gelasterd ! En allen vallen hem bij. En Jezus wordt veroordeeld, als een die God gelasterd heeft, tot den vervloekten kruisdood ! Laat ons dit goed indenken !
Een heiden zou Hem niet hebben veroordeeld, omdat Hij Zich Gods Zoon noemde. Staande voor den Joodschen Raad, aan wien de woorden Gods waren toebetrouwd, verklaart de Heiland Zich Gods Zoon te zijn en zij vervloeken Hem en wijzen Hem ter dood.
Dan zal Israël straks zonder Christus zijn ! Dan zal Israël straks vallen onder het oordeel Gods. Jeruzalem zal worden verwoest, het volk zal worden verstrooid. Omdat de Christus als Gods Zoon tot hen is gekomen en zij Gods Zoon, mensch geworden, Immanuël: God met ons — hebben uitgeworpen en hebben overgeleverd, veroordeeld zijnde, inde handen der heidenen.
Maar hier schittert tegelijk Zijn heerlijkheid. Want zóó, als Gods Zoon, is Jezus nu den dood ingegaan. Hij, die van eeuwigheid bij God was en Zelf God is, is op aarde gekomen, den menschen in alles gelijk, uitgenomen de zonde. En op dit punt heeft Hij Zijn rechters genoodzaakt een beslissing te nemen. Zelf hebben ze naar andere redenen gezocht, maar konden ze niet vinden; ook niet met geld en valsche getuigen. Het oordeel moest vallen daar, waar het de vraag gold: Zijt gij de Christus, de Zoon des levenden Gods ?
En toen kwam het beslissende woord van Jezus Zelf : Ja, ik ben Gods Zoon.
En daar is het oordeel des doods over Hem gekomen.
Hier nu is het punt, waar onze ziele zaligheid en vrede zal moeten leeren vinden. Jezus, de Christus, waarachtig God en waarachtig mensch. En die Christus, van alle kanten onschuldig; heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren. Hij, waarachtig God en waarlijk mensch, zonder vlek en zonder rimpel naar het getuigenis van Jood en heiden !
Die Christus, die waarlijk Gods Zoon is, is op aarde gekomen om de zonde Zijns volks op Zich te nemen. En die Christus, die waarlijk Gods Zoon is, wil nu door Zijn kruisdood, zondaren maken tot Gods kinderen.
In den weg der zonde is dat voor eeuwig verbeurd.
Maar Jezus Christus, Gods Zoon, heeft daartoe den weg willen banen en wil Zelf alles zijn voor arme zondaren, opdat ze weer met God verzoend en vereenigd mogen worden en gemaakt tot erfgenamen des eeuwigen levens.
Ziet ge wel, dat naar Gods raad alles gaat om Zijn Godheid en Zijn verzoenend lijden en sterven, als plaatsbekleedend Borg en Middelaar voor een arm zondaarsvolk ?
Hier gaat geloof en ongeloof. Kerk en wereld uit elkaar. Bij dit kruispunt: Zijt gij de Christus, de Zoon des levenden Gods ?
En de Kerk des Heeren belijdt door alle eeuwen : Ja, Heere, Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods; Gij hebt de woorden des eeuwigen levens ; tot Wien zouden we henengaan, dan tot u ?|
Onder Gods voorzienig bestel heeft de Joodsche raad moeten meewerken, dat de Godheid van Christus in het helderst licht is getreden.
Jezus Zelf heeft Zich hier op 't heerlijkst verklaard.
Een iegelijk, die gelooft, tot zaligheid en vreugd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's