VERSLAG
VAN DE JAARVERGADERING VAN DEN GEREFORMEERDEN BOND OP 4 APRIL 1935. DE PLAATS VAN SAMENKOMST WAS HET GEBOUW VOOR KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN TE UTRECHT.
Zoo mooi en helder en vroolijk als verleden jaar de dag van onze Jaarvergadering was, zoo somber, koud en guur was nu de Donderdag van ons vergaderen te Utrecht. April doet wat hij wil en 't scheelde niet veel of de traditioneelle „witte hoed" was er ook. Regen, sneeuw, hagel, was present, maar onze Bondsleden hebben zich niet laten afschrikken, ze zijn in grooten getale van alle oorden des lands, uit stad en dorp gekomen naar de Bisschopstad om onzen toogdag mee te maken. De bekende bovenzaal in het Gebouw voor K. en W. (zou de N.C.R.V. oorzaak worden, dat we er voor 't laatst vergaderd hebben ? We kunnen het ons niet indenken !) was dan ook tegen elf uur geheel gevuld met bezoekers, en toen de voorzitter precies op tijd de hamer liet vallen, was de laatste plaats bezet.
Met het zingen van Psalm 89 vers 1 ving ons samenzijn aan. Het lied van het vaste gebouw van Gods gunstbewijzen, dat tot in eeuwigheid zal rijzen. Het lied van Gods goedertierenheden en gunstbewijzen, die ook over ons, over 'onzen Bond, over onze Hervormde Kerk zoovele zijn geweest in het jaar dat achter ons ligt.
Gelezen werd Nehemia 1 vers 3—11. »En zij zeiden tot mij : De overgeblevenen, die van de gevangenschap aldaar in het landschap (in Jeruzalem) zijn overgebleven, zijn in groote ellende en in versmaadheid ; en Jeruzalems muur is verscheurd, en hare poorten zijn met vuur verbrand.
En het geschiedde als ik deze woorden hoorde, zoo zat ik neder en weende, en bedreef rouw eenige dagen, en ik was vastende en biddende voor het aangezicht van den God des hemels. En ik zeide : Och HEERE, God des hemels. Gij groote en vreeselijke God, die het verband en goedertierenheid houdt dengenen die Hem liefhebben en Zijne geboden houden : laat toch Uw oor opmerkende en Uwe oogen open zijn, om te hooren naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht .bidde, dag en nacht, voor de kinderen Israels, Uwe knechten ; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen U gezondigd hebben : ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd. Wij hebben het ganschelijk tegen U verdorven en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die Gij Uwen knecht Mozes geboden hebt. Gedenk toch des woords, dat Gij Uwen knecht Mozes geboden hebt, zeggende: gijlieden zult overtreden. Ik zal u onder de volken verstrooien : en gij zult u tot Mij bekeeren, en mijne geboden houden en die doen : al waren uwe verdrevenen aan het einde des hemels. Ik zal ze vandaar verzamelen en zal ze brengen tot de plaats, die Ik verkoren heb om Mijnen Naam aldaar te doen wonen.
Zij zijn toch Uwe knechten en Uw volk, dat Gij verlost hebt door Uwe groote kracht en door Uwe sterke hand.
Och Heere, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uwen Naam te vreezen, en doe het toch Uwen knecht heden wèl gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans«. Amen.
Na saam in gebed Gods aangezicht te hebben gezocht, sprak de voorzitter ongeveer aldus : Geachte Vergadering, Broeders en Zusters,
Door Gods zorgende liefde zijn we vandaag weer in Bondsvergadering bijeen, 't Is nu al een lange reeks van jaren, dat we hier te Utrecht mogen samenkomen. De ouderen onder ons zijn al meer dan 25 maal opgegaan naar onzen toogdag, en onder de jongeren is het getal groot, dat reeds het eerste vijftal volgemaakt heeft; en daarop volgen weer vele anderen.
Onwillekeurig gaan we ons afvragen, wat is nu de vrucht van onzen arbeid, de vrucht ook van ons vergaderen ?
Het zou de eere Gods te na komen, indien we niet met elkander tot de belijdenis kwamen, dat de heilzame vrucht veel is in getale. De kring der Bondgenooten is grootelijks uitgebreid. Onze arbeid, plaatselijk en landelijk, is sterk toegenomen. De offeranden der liefde zijn talloos vele geworden. En de banier der Waarheid, ons als een dierbaar pand door den Heere Zelf toebetrouwd, is door talloos vele handen aangevat en uitgeplant, beschermd en verdedigd, zoodat het in ons goede Vaderland en in het midden van onze aloude Gereformeerde Kerk te bemerken is, dat de Gereformeerde Bond bestaat en werkt.
Ons past stille, groote, blijde dankbaarheid voor Gods aangezicht, want het is Zijn hand, die ons dit alles in liefde zoo ruim beschikte.
Ook past ons vriendelijke dankbaarheid aan menschen, want velen waren er, die den strijd mee hebben gestreden, een ieder op zijne — ook op hare — wijze, waardoor onze actie groot werd.
Het is ons een klaar bewijs, dat de Heere ons volk en Vaderland, dat de Heere onze Hervormde Kerk nog niet verlaten heeft. Zijn verbondstrouw straalt als een lichtend licht over haar, ook waar niet weinige donkere, dorre vlakten zijn, wanneer wij het breede veld der Vaderlijke erve overzien.
Of wij zoo ongeveer aan het eind van onzen arbeid zijn en ons doel hebben bereikt ?
De groote Bouwheer en Kunstenaar, die in den hemel woont en troont en werkt, geeft ons niet zelden pijnlijke onderwijzing, met velerlei moeite en verdriet, om ons te 'doen verstaan dat de geschiedenis van Zijn Kerk in vele opzichten het verhaal is van één lange rij van allerlei, schier onoverwinnelijke moeilijkheden.
Neen, die zich aangordt moet niet roemen als degene, die aan 't eind genaderd is, het zwaard kan losmaken en de troffel kan neerleggen. En die begint, smaakt niet aanstonds de vreugd van een, die wint. Bij lange na niet! En al voortgaande stapelen dikwijls de moeilijkheden zich op en wijkt de eindstreep al loopende den loopbaan, die ons voorgesteld is.
Waarom ? Opdat satan gelegenheid zal ontvangen z'n slag te slaan met moedeloosheid en verslapping te werken bij degenen, die toch van God geroepen zijn met een heilige roeping. Om ook in het gewaad, dat saamgestikt is uit brokstukken van wonderlijk uiteengescheurde bijbelteksten, rond te wandelen en verwarring te stichten. Om ook, zich voor doende als een engel des lichts, velen te misleiden. Om ook als een aanklager der broederen beroering en verderving te werken. Om alzoo de geruïneerde tempel in verwoesting te laten en den herbouw van het huis Gods te verhinderen, of althans zooveel mogelijk te bemoeilijken.
Ook andere smarten en moeiten zijn er.
De sociale kwestie kan zóó benauwend werken onder het volk, dat aan den herbouw van des Heeren tempel haast niet wordt gedacht. En het levenswerk van de tempelbouwers dreigt dan te mislukken.
Wat moet er dan worden gedaan ?
Die begint, moet niet roemen als een, die aan 't eind is gekomen. Op moeizamen arbeid, op bangen strijd, op ontzaglijke spanning moet worden gerekend als het gaat om den herbouw van 's Heeren tempel. Heel de wereldgeschiedenis moet dienen voor het herstel van het geruïneerde Paradijs. En nooit staat de gang van Gods Koninkrijk in een ander teeken dan van moeite en verdriet, van misverstand en teleurstelling, van tegenslag en bange zorg.
De herbouw van het verloren Paradijs, de herstelling van den geruïneerden Godstempel, geeft nooit anders dan een lang verhaal van allerlei, schier onoverwinnelijke moelijkheden. Zooals de ziele, die genade mag kennen, in velerlei zuchten zich moet luchten, klagend belijdend: „ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods". Welke klacht in dit leven niet verstomt.
Zoo moet Gods genade verheerlijkt worden. Zoo moet Gods werk in 't licht treden. En dan nog worden gezongen: „Zij gaan van kracht tot bracht steeds voort".
Laat het waar zijn, dat er óók gezongen kan worden : „Zij gaan van klacht tot klacht steeds voort". Maar als het waarlijk Gods werk is, mag het: „Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort" niet ontbreken. Des Heeren eer is teer. En de heerlijkheid van Sions Koning mag niet geschonden, Ook niet bij het werk van den wederopbouw van 's Heeren geruïneerd huis.
Maar dan moeten de handen gevouwen. Dan moet Christus aangegrepen. Dan moet 's Heeren troon aangeloopen worden. Want het moet openbaar worden, dat 'het niet óns werk, maar Gods werk is. Dat het is genade en geen recht.
Wat mee de moeite en de smart vermeerdert ?
Het is dit, dat het de herbouw, het herstel is ten onzent van het vervallen huis, dat Gods huis was en is in dezen lande.
Wij mogen er niet naast bouwen. Tenzij God óns den vrijbrief gaf, nadat Hij aan Zijn huis den scheidsbrief toezond. Maar dat geschiedde ten onzent niet.
Zooals naast den ouden mensch geen nieuwe mensch wordt geboren, een nieuwe Adam naast een oude Adam, een wedergeboren mensch naast den vleeschelijken mensch, wat Doopersche dwaalleer suggereert bij velen — zóó staan wij voor de moeilijke, groote, elndelooze taak, dat de oude Vaderlandsche Kerk weer zal worden hersteld en opgebouwd op de plaats, haar van God van ouds gegeven in het midden des volks ; tenzij de Heere haar den scheidsbrief geeft en ons een vrijbrief om haar den rug toe te keeren. Dan kunnen we onzen „nieuwbouw" beginnen en wellicht straks roemen bij het werk onzer handen. Want 's menschen werk vordert dikwijls vlugger en beter dan Gods werk. Gods werk duurt zoo lang en geeft zooveel moeite en verdriet, 's Menschen werk heeft niet zelden méér groei en schooner glans dan Gods werk. En het natuurlijk geweten prijst ons dan, dat we getrouwer zijn dan anderen en dat we beter werk hebben gedaan. Totdat Gods stem er door heen klinkt en ons roept in Zijn weg, waar gebouwd wordt er gedankt, waar gebouwd wordt en geschreid, waar gejuich wordt gehoord en tegelijk de klacht weerklinkt. Maar waar de heerlijkheid des tempels hierin bestaat, dat Jezus Christus er binnen rijdt en plaats vraagt en Zijn Geest en Woord uitzendt en Sion toevergadert in 's Heeren Naam en door 's Heeren kracht.
Dan blijven altijd weer dezelfde moeilijkheden, die telkens oud en tegelijk nieuw zijn.
Dat is de belijdenis en de Kerkorde. Dat is de prediking en de Sacramentsbediening.
Of wilt ge iets anders : dat is de verhouding van Staat en Kerk.
Of wilt ge nóg iets anders : dat is de opleiding tot den dienst des Woords.
Of wilt ge nog meer : dat is de verhouding van de eene Kerk tot de andere Kerkgemeenschap.
Wij staan met onzen Gereformeerden Bond midden in onze aloude, Gereformeerde Kerk, met vele banden gebonden aan Volk en Vaderland, in velerlei opzicht gebonden aan Schrift en belijdenis ; maar ook niet weinig gebonden aan allerlei, dat banden der zonde en des doods zijn, in staat om dagelijks te verderven, met veel verdriet en moeite ; om dan bij tijden te doen wanhopen, opdat we zullen neerzitten in moedeloosheid.
Daar staat nu onze Gereformeerde Bond, om te zoeken en te vinden z'n arbeid in het midden van onze aloude Gereformeerde Kerk. Tot wederopbouw van 's
Heeren huis, opdat het staan moge in het midden des volks als het huis van Jezus Christus, Sions Koning.
Daar ligt onze heilige, heerlijke roeping. Daar vinden we ons werk, waarbij we weten van God geroepen te zijn. Waarom we ook, hoe moeilijk onze taak is, van dat werk niet willen aflaten, wetend, dat het Gods werk is, dat niet ijdel zal zijn.
Broeders en Zusters, laat ons ook vandaag bedenken dat Gods werk nooit zonder moeite en verdriet is. Die voor Gods werk kiezen mag, moet weten wat hij doet. Opdat het meer en meer blijke, dat we niet van óns werk, maar van genade wenschen te leven. En opdat het blijke, dat ons geloof en ons vertrouwen, onze wijsheid en onze sterkte is in den Heere, die nooit beschaamt, ook niet bij het moeilijkste werk, degenen die op Hem betrouwen.
Geve ons de Heere een goeden dag. Dat is zeker geen dag zonder moeite en verdriet. Want elke dag brengt z'n eigen kwaad mee, z'n eigen strijd en leed. Maar zij het een dag, dat de Heere ons Zijn gunst betoone, om de wille van onze aloude Kerk, die we niet verwerpen, omdat God haar niet verworpen heeft, die we niet loslaten, omdat God haar niet losgelaten heeft. Worde het huis onzer Vaderen, ook om de wille van land en volk, waar de nood zoo groot is, weder opgericht. De geruïneerde tempel hersteld. De bressen toegemuurd. En lichte de lampe des Woords meer en meer, schijne de glans des Geestes alom ; worde Christus gepredikt en het heil des Heeren gezien.
Dan is alle moeite als niets.
Dan is ons werk met blijdschap.
Dan zal onze Gereformeerdte Bond gezegend' zijn in dezen lande ; najagende het doel dat ons allen voor oogen moet staan : om, naar uitwijzen der Heilige Schrift, opgevat in overeenstemming met de drie Formulieren van Eenigheid, te arbeiden tot verbreiding en verdedlging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Nederlandsch Hervormde (Gereformeerde) Kerk, om mede daardoor, te komen tot wederoprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val en tot weder verkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar vanouds door den Heere aangewezen." (Art. 4 Statuten Gereform. Bond). Ik heb gezegd).
Hierna geeft de voorzitter, die bij de opening der vergadering alle aanwezigen welkom geheeten heeft, bijzonder de hoogleeraren Visscher en Severijn, aan laatstgenoemde het woord tot het houden van zijn referaat, getiteld :
«GEESTELIJKE VRIJHEID.
Een kort overzicht volge hier :
De veranderingen, die zich sedert den wereldoorlog in het leven der volkeren hebben voorgedaan zijn niet zonder gevolgen gebleven voor de maatschappelijke en staatkundige verhoudingen, met name ook voor de verhouding van gezag en vrijheid. In den bereids ingetreden noodtoestand greep de drang tot zelfbehoud de volken aan, een nationalistische geest ontwaakte, de behoefte aan een krachtig bewind werd gevoeld, de roep om gezag verhief zich en ten spijt van de reeds verbleekte idealen eener valsche democratie zag men een dictatuur in het leven geroepen, die afschrikwekkend in haar bolsjewistische verschijning voor velen aantrekkelijk werd door het exemplum van Mussolini. Zonder de wenschelijkheid van een krachtig gezag te ontkennen en het oog te sluiten voor de ontaarding van het parlementaire stelsel, kunnen toch de vrijheidlievende aanschouwers van het absolutisme dat zich bij onze naburen op den troon plaatste daarin slechts een bedreiging zien van de vrijheid. Men behoeft slechts woorden als : gelijkschakeling, totaalstaat, corporatieve maatschappij en ordening te noemen om de gevaren aan te duiden, welke de hooggeroemde rechten en vrijheden des volks bedreigen, en op de zaden voor nieuwe conflicten te wijzen. Zelfs ook degenen, die eenmaal aan de macht gekomen anderen de vrijheid niet zullen laten, welke zij voor zich zelf opeischen voegen zich onder de bestrijders van het streven naar de dictatuur. Daaruit kan men slechts bewijzen, dat niet alle voorstanders van de vrijheid ook wachters der vrijheid zullen zijn. Niet allen worden gedreven door zulk een vrijheidszin, die uit den wortel der vrijheid wordt gevoed. Daarom kan het zijn nut hebben zich daarop te bezinnen.
Wij willen daarom over de geestelijke vrijheid spreken, omdat daarin het principe wordt geraakt, waaruit ook de individueele, maatschappelijke en staatkundige vrijheid voortspruiten. Daarmede gaan wij echter niet uit van de voorstelling, alsof de geestelijke vrijheid zou bestaan in de onverhinderde en onbeperkte gelegenheid om zijn meeningen te uiten door woord, geschrift en pers en in vergadering en in vereeniging. Practisch moge daaraan worden toegevoegd de vrijheid om in de richting der verwezenlijking zijner idealen op allerlei levensterrein te propageeren en te ageeren. Ook deze vrijheid zal behoudens de perken van zedelijkheid en recht door de beginselen der ware vrijheid worden beschermd, maar daarmee is reeds gezegd, dat wij haar als zoodanig van de ware geestelijke vrijheid onderscheiden achten.
Er moet o.i. onderscheid worden gemaakt tusschen een liberalistische opvatting der geestelijke vrijheid, en erkenning van een dieperen zin.
Wat dit laatste betreft, de geestelijke vrijheid kan in strikten zin slechts idealiter worden gekend. Immers geestelijke vrijheid zou eerst dan werkelijkheid zijn, indien een levensontplooiing in volkomenheid des menschen deel ware, derhalve een zoodanige als met zijn wezen en bestemming overeen kwam. Geestelijke vrijheid en gerechtigheid zijn ten nauwste aan elkander verbonden. Daarom is het vraagstuk der geestelijke vrijheid een zedelijk vraagstuk van fundamenteele beteekenis. De geestelijke vrijheid wortelt in de zuivere levensrelatie van den mensch tot God, omdat in deze volkomen zedelijke verhouding de voorwaarde eener levensontplooiing in gerechtigheid besloten ligt.
Deze stelling brengt dus het vraagstuk over op het terrein der religie, doch hoe men daarover ook denkt, niemand zal kunnen weerspreken dat de werkelijkheid zulk een harmonische levensontplooiing als met de geestelijke vrijheid overeenkomt niet te aanschouwen geeft. De geschiedenis kan veeleer aantoonen, dat de wijsgeerige geest zich inspant om het leven te doorgronden en de principia van zulk een volkomenheid te ontdekken, terwijl dit streven als zoodanig en de veelheid van meeningen slechte van de gebroken harmonie getuigen. Het beeld van den historischen mensch wordt dan ook gekenmerkt door dat van een strijd om de vrijheid. Voortgedreven door de natuurlijke zucht tot zelfbehoud en den drang zijns geestes om de hem omringende wereld onder zijn scepter te brengen, voert hij een eeuwenlange worsteling tegen zijn natuurgebondenheid.
In het licht, dat de Heilige Schrift over hem doet opgaan, wordt die strijd gezien als een conflict van den mensch met zijn eigen levenswet, waarin hij, aan zichzelf overgelaten, den ondergang zal vinden.
Zij stelt den paradijsluister aan den aanvang zijner verschijning in de wereld en teekent zijn zondeval, die hem in den strijd met zijn lijden en dood werpt. Het ideaal der vrijheid van een verloren paradijs laat niet na zijn heimweevolle bekoring te wekken in den strijd van den gevallen heerscher, zoodat de wijsgeer de gansche geschiedenis schouwt als een worsteling om de vrijheid.
Deze vrijheidsidee heeft echter een ander karakter dan de voorstelling eener ware geestelijke vrijheid, waarvan wij uitgingen. De eerste staat in het teeken van heerschappij, de laatste is de vrijheid der dienende liefde. De eerste streeft naar den souvereinen mensch. De tweede leeft uit de gemeenschap met en de gehoorzaamheid aan den alleen souvereinen God der H. Schrift.
De worsteling om verwezenlijking van het ideaal der vrijheid hangt echter ten nauwste samen met het zedelijk wezen van den mensch, zooals wij hebben aangetoond. In die worsteling komt de mensch tot zelfonderscheiding en ontplooiing van zijn zedelijk wezen. En aangezien de werkelijkheid telkens weer doet zien diat de heerschersmoraal niet tot de vrijheid voert, doch tot het absolutisme van den heerscher, zal het niemand kunnen verwonderen dat de ware vrijheid haar religieuzen wortel niet verloochent, maar uit de Christelijke religie is voortgesproten, gelijk zij ook met de inzinking van het Christelijk geloofsleven allengs werd overwoekerd en verdrongen.
De zoogenaamde liberalistische vrijheid mist de voorwaarden om zich te handhaven, wijl zij uitgaat van rationalistische principia, welke slechts tot een onafhankelijke moraal kunnen leiden. Zij ontaardt in bandeloosheid, omdat zij den teugel der reine zedelijkheid mist, welke aan de zuivere religie gehuwd is. Wat er aan vrijheid onder de menschen dan ook zijn mag, is in den grond der zaak nog een vrucht der religie. En al teekent de Heilige Schrift den mensch in zijn dienstbaarheid aan de zonde, zij zelve en de religie der Schriften is er een bewijs voor, dat God de wereld niet heeft prijsgegeven, maar over haar een dageraad der vrijheid deed opgaan.
Voor het behoud en de handhaving der geestelijke vrijheid in Staat en maatschappij is het Christelijk religieus leven en zijn erkenning dus van groot belang.
Uit het religieus-zedelijk karakter der geestelijke vrijheid, waarop ook de persoonlijke, sociale en staatkundige vrijheid berusten, volgt nu een geheel eigenaardige stelling omtrent de handhaving der vrijheid. De handhaving der vrijheid ligt n.l. in de handhaving harer beperking. Hoe vreemd dit ook moge klinken, het ligt in den aard van het zedelijk wezen, dat men van de zedelijke vrijheid uitgaat. De wordingsgeschiedenis van het positieve recht kan dan ook doen zien, dat dit met de werkelijkheid overeenkomt. Eerst wanneer de handelingen van den individueel vrije in den patriarchalen toestand in conflict 'kwamen met het algemeen belang, ontstonden overeenkomsten.
Ook de Heilige Schrift bevestigt onze stelling. De wet Gods komt niet met het gebod, maar met het verbod : Gij zult niet. Boven deze negatieve wet staat de positieve wet der liefde, welker kracht ligt in de wedergeboorte en derhalve in de zuivere religie. Terecht hebben dan ook de Gereformeerde theologen de beteekenis van den decaloog voor het openbare leven verstaan. Zij spreken van een usus politicus. Volkomen juist kwamen zij ook op voor den religieuzen grondslag der vrijheid in hun belijdenis omtrent de Overheid als dienaresse Gods (Rom. 13). In het reformatorische land waren daarmede de hoekpijlers der vrijheid) gevestigd.
Voor de practijk volgt alzoo uit deze beginselen, dat de handhaving der vrijheid het beste zal worden gediend door haar juiste beperking, dat is door de beperking van het misbruik. Dat houdt reeds in, dat de algemeene steun der vrijheid in het zedelijk en geestelijk volksbewustzijn is gelegen. Wanneer de volksconsciëntie zedelijk wordt ontwricht, zal ook de vrijheid worden ingeboet. Daaruit volgt verder, dat het waarachtig volksbelang eischt, dat de Overheid niet onverschillig kan zijn voor de geestelijke ontwikkeling der natie. Vorm, toepassing en uitwerking in het midden latende, kan men de juistheid van het beginsel van artikel 36 niet ontkennen.
Daarom klemt echter de vraag, waar de Overheid met haar : „Gij zult niet", en dus straffend begint op te treden. De moeilijkheid rijst niet bij de vraag, of zij diefstal, roof en moord zal straffen.
Reeds ten aanzien van het huwelijk en echtbreuk wordt het anders, doch bezwaren rijzen van allen kant, zoo het raakt aan de beperking van een z.g.n. geestelijke vrijheid in libertijnschen zin, of theologisch gesproken als het raakt aan de eerste tafel der wet. Voor de beantwoording dezer vraag zij eerst opgemerkt, dat de Overheid haar taak zelfstandig heeft te volbrengen. De consistorie heeft haar niet de wet te stellen. Doch haar zelfstandige taak en verantwoordelijkheid brengen mede, dat zij in het waarachtig volksbelang, over de vrijheid heeft te waken en haar tegen alle propaganda en agitatie, welke haar grondslagen ondermijnen en de zedelijke en geestelijke kracht des volks aantasten, heeft te beschermen en dat niet, als het gevaar reeds het crisispunt nadert, maar zoodra het zich als zoodanig manifesteert.
De sterke hand der Overheid zal echter machteloos staan, indien de volksziel niet gevoed wordt uit de geestelijke bron van de Christelijke religie, welke de ware vrijheid in het geloof omvat. In de waarachtigheid van het geloofsleven der Christelijke gemeenschap is de voorwaarde ook voor de vrijheden en rechten des volks gegeven.
De voorzitter bracht zijn hartelijken dank aan prof. Severijn voor dit leerzame referaat. Van de gelegenheid om vragen te stellen werd gebruik gemaakt door ds. Woelderink, den heer Van den Boogert en den heer Timmermans.
In den breede werden de sprekers door prof. Severijn beantwoord.
Deze laatste eindigde met gebed, waarna de vergadering gesloten werd tot 2 uur.
Om 2 uur werd de vergadering opnieuw geopend en liet de voorzitter zingen Psalm 103 : 9.
Ds. Batelaan ging voor in gebed.
Behalve de voorstellen, waren voor deze vergadering geen stukken binnengekomen.
De bestuursverkiezing werd het eerst aan de orde gesteld. Het bestuur van de Afdeeling Utrecht was tot groote blijdschap van den voorzitter weer bereid om deze verkiezing zijn verloop te doen hebben.
Terwijl er gestemd werd, had' de secretaris, ds. J. J. Timmer, gelegenheid om zijn jaarverslag te houden, hetwelk luidde als volgt:
Geachte Vergadering !
Op mij als secretaris rust de aangename plicht om u een kort verslag te geven van de werkzaamheden van het Hoofdbestuur in het afgeloopen vereenigingsjaar.
In het afgeloopen jaar werden nieuwe afdeelingen van den Gereformeerden Bond opgericht te Numansdorp en te Rhenen, terwijl over de oprichting in twee andere plaatsen nog gecorrespondeerd wordt.
Van sommige afdeelingen kwam een keurig verslag binnen. Vlaardingen en Delfshaven spanden hierbij de kroon.
Sommige afdeelingen lieten weinig van zich hooren.
Van andere afdeelingen kregen we weer meerdere bewijzen, dat de actie met kracht wordt voortgezet.
Zoowel de actie van Kerkopbouw als van Kerkherstel trok de volle aandacht van het Bondsbestuur. Ook dit jaar besloot het Hoofdbestuur unaniem om zijnen eigen weg in de kerkelijke politiek te blijven volgen.
Op dit punt bestond volkomen eenstemmigheid.
De zaken van het Studiefonds van onzen Bond vroegen ook dit jaar weer heel veel tijd. Voor allerlei moeilijkheden komt de commissie telkens te staan.
Die moeilijkheden werden nog aanzienlijk vermeerderd doordat op de vorige jaarvergadering door prof. Visscher ernstige gravamina tegen den gang van zaken werden ingebracht.
De studiecommissie bestaande uit ds. Batelaan en ds. Goslinga en ondergeteekende stelden het ten zeerste op prijs dat er een commissie zou worden benoemd om deze gravamina te onderzoeken.
Eer deze commissie vergaderde, had: er reeds een onderhoud plaats van het Hoofdbestuur met de beide hoogleeraren prof. dr. H. Visscher en prof. dr. J. Severijn.
Reeds op deze vergadering kwam men onmiddellijk tot overeenstemming. Van grove verzaking van de plichten der studiecommissie was geen sprake. Om de studenten te noodzaken, dat ze de colleges van prof. Visscher trouw zouden volgen, werd een verplicht tentamen aan het eind van het collegejaar ingesteld.
De beide hoogleeraren hebben zich ook bereid verklaard om de zittingen van de studiecommissie bij te wonen.
Dit is dan ook reeds geschied. October j.l. had er in tegenwoordigheid der beide hoogleeraren een ontmoeting plaats met de studenten.
De gang van zaken was daarbij precies dezelfde. De moeilijkheden waren ook dezelfde.
Het Hoofdbestuur is verblijd, dat de verantwoordelijkheid van de wegen, waarin deze moeilijkheden worden opgelost, niet meer alleen door de studiecommissie maar nu ook door de beide hoogleeraren wordt gedragen, naar wier adviezen gaarne wordt geluisterd.
De commissie voornoemd, bestaande uit de heeren prof. Severijn, ds. Holland, ds. de Geus en de heer S. Hoogeboom, had mu niet meer zulk moeilijk werk te verrichten. Het resultaat van hun werk is vorige week in de Waarheidsvriend gepubliceerd.
Het Hoofdbestuur dankt genoemde heeren voor de moeite, die ze hebben willen nemen. De belegging van de fondsen onzer vereeniging vormde ook gedurig een punt van bespreking op onze vergaderingen.
Om de functies wat te verdeelen nam ds. Woelderink op zich om den Gereformeerden Bond te vertegenwoordigen in de Evangelisatiecommissie.
Dat men ook op dat terrein niet heeft stil gezeten, zal het verslag van die commissie en de voorstellen die straks ter tafel komen, u kunnen bewijzen.
Het zal velen hebben verblijd, dat ds. Woelderink zich ook bereid verklaarde om eenige kolommen van de Waarheidsvriend te vullen, om daardoor de taak van den Hoofdredacteur wat te verlichten.
Prof. Visscher gaf vanwege onzen Bond college in Utrecht en Leiden. Zijn Hooggeleerde verklaarde Februari j.l., dat de colleges trouw worden gevolgd.
Wij leven in een tijd, waarin het met die winterweekbeurten niet meer zoo vlot. Toch werden op verschillende plaatsen spreekbeurten gehouden voor den Bond. Wij zijn degenen, die daarbij voorgingen, dankbaar voor hun hulp.
Voorts werd over allerlei met de afdeelingen gecorrespondeerd.
Er heerscht in het Hoofdbestuur een hartelijke geest van samenbinding.
De tijden, die wij beleven, zijn bang. De splijtzwam der verdeeldheid werkt door op allerlei levensterrein.
Terwijl satan zijn troepen samenbrengt om als één machtige phalanx te strijden, staat de Kerk Gods jammerlijk verdeeld.
Binde de Heere ook door den nood der tijden samen, allen, die bij elkander hooren.
Erbarme Hij Zich over onze diepgezonken Kerk, en gebruike Hij onzen Bond nog als een middel in Zijn hand om de Waarheid te verbreiden.
Ik heb gezegd.
De voorzitter bracht hem hartelijk dank voor zijn arbeid.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's