VERSLAG
VAN DE JAARVERGADERING VAN DEN GEREFORMEERDEN BOND OP 4 APRIL 1935. DE PLAATS VAN SAMENKOMST WAS HET GEBOUW VOOR KUNSTEN EN WETENSCHAPPEN TE UTRECHT. — II.
Daarna kreeg de penningmeester, ds. J. Goslinga, gelegenheid om verslag te doen van zijn financieel beheer.
VERSLAG VAN DEN PENNINGMEESTER OVER HET BOEKJAAR 1933/1934.
Boodschappers van goede tijding zijn er in onze dagen minder dan die den naam van Jobsboden dragen.
En geen wonder.
Wij beleven een donkeren tijd. De hemel ziet droevig rood. Geruchten van oorlogen en ook krijgsbedrijven zelf, pestilentiën en alle mogelijke kwaad, melden zich dagelijks.
Daar zijn vaker momenten geweest, waarop niet veel anders te melden viel, doch wat onze tijd meemaakt, stelt, naar ik meen, verre het meeste op dit terrein nog in de schaduw.
Immers de duizelingwekkende vaart, waarmede alles zich voortbeweegt, verbindt de landen van heel de wereld aan elkander, het kwade miet zich meevoerend in een tempo, de orkanen en cyclonen eigen. Voordat ge het weet, wat er eigenlijk gebeurt heel ver weg naar ge meent, heeft het u opgenomen en neergesmeten. Wat aan de einden der aarde plaats greep, staat zóó voor ons en bedelft ons onder z'n puin.
De wereldaanblik onzer dagen is dan ook uitermate droef. Zie, daarom doet het mij uitermate goed, vrienden, dat wij elkander hier weer mogen ontmoeten. Dit is, of nog iet of wat voorzichtiger uitgedrukt, dit moet de plaats zijn krachtens den naam van onzen Bond, waar alles wat Gereformeerd voelt in onze Ned. Hervormde Kerk, de dingen met elkander mogen bespreken, de moeilijkheden peilen, om alles neer te leggen voor den Troon der genade. Alles, ook de zorgen op financieel gebied, welke als deel van het geheel wij ons zagen opgedragen, bèhooren daartusschen. Of zegt niet onze schoone belijdenis bij monde van den Heidelb. Catechismus, dat God ons geboden heeft te bidden voor alle geestelijfee en lichamelijke nooddruft. De stoffelijke wereld, met de stoffelijke zorgen, mogen en moeten, eveneens als de geestelijke nood, den Heere worden voorgelegd.
Wanneer onze tijd daarvoor oogen had gehad, dat de rails, waarover onze wagen loopt, niet anders zijn dan gebeden en dankzegging, zou hij zoo scheef niet op den weg staan en elk oogenblik niet dreigen te derailleeren. Hier staan gevaren langs den weg, meer dan ooit. Zoo ergens misgegrepen kan worden, is het hier. Vandaar blijft het wachtwoord : „leg alles neer voor dien Heere ; geen een ding uitgezonderd".
Waar dit verstaan wordt, is de gedachte levendig : de Eénige, Die het weet wat er gedaan en gelaten moet worden, is de Heere. Wij weten niets, wij zijn van gisteren. En wat hiermee gepaard gaat en onlosmakelijk daaraan is verbonden, hiervan draagt elke vraag, ieder antwoord, elke op-of aanmerking het merkteeken : „wij staan voor Gods aangezicht".
Ziet, hieraan heeft onze tijd het allermeest behoefte — ook wij. Zou dit niet juist het groote mankement wezen ? Waar de gebedsmantel van de schouders afglijdt, blijft alleen een hoog en zich-zelf-voelend schepsel over, alles en iedereen vernietigend door een niets-sparende critiek, waaronder het tenslotte ook zelf omkomt.
Aan niets heeft onze tijd een zoo schreldende behoefte als aan een bedelaarsgestalte en gebedsure. 't Is alsof ge de verzuchting opvangt van alle kanten : bindt tezamen den gebedsgordel aan. Bindt het op uw voorhoofd en bindt het op uw armen. Laat het tot u doordringen wat elke Jood u toeroept: Ik, de Heere, ben een eenlg Heere. Bij Hem zijn uitkomsten tegen allen nood en dood.
Hij kan en wil en zal in nood. Zelfs bij het naad'ren van den dood. Volkomen uitkomst geven.
Wij beleven ernstige tijden. Alle landen, alle volken deelen gelijkelijk daarin. Deed het zich voorheen voor, dat eigen land, of een deel van het volk dreigde weg te zinken, zonder dat het geheele complex des volks daarin deelde, dat is nu zoo niet meer. In de meest sprekende vormen treedt dit naar voren. Vandaar dat wij schuldig zouden staan tegenover God en menschen, als wij op een moment als dit daarvan niet zouden getuigen.
Gods Geest heeft alleen samenbindende kracht, ai het andere verstrooit, werpt uit en vernietigt. Zal onze Bond Gereformeerde Bond blijven heeten, zoo zal onze knie zich blijvend moeten buigen om den Heere te blijven aanloopen als een waterstroom. Banne Hij alle eigenwaan, valsch zelfvertrouwen, alle gerechtigheid, welke niet uit Hem is, uit ons midden, opdat onze uitgang en onze ingang enkel zij in Zijne kracht.
Wat de eerste zinsnede was bij het vorig jaarverslag, weet gij natuurlijk niet meer ; het valt mij des te gemakkelijker. Bovendien ligt het hier naast me.
Het luidt aldus : onder een wolkeloozen hemel leven wij thans minder dan ooit.
Nu, dat is volkomen bevestigd. Vele wolken, donkere wolken, stapelden zich hoe langer hoe hooger. Het zal daarom niemand verwonderen, als ik zeg, dat het jaar dat achter ons ligt, 1934, voor mij een zorgenkindje was. 'k Zag het met een bang hart aan, me afvragend, wat daarvan terecht zou komen.
'k Vermeen, dat ik hierin niet de eenige ben geweest. Vele van onze vrienden verging het net als mij, met een zekere beklemming volgden ook zij den gang van zaken.
Toch moet me een bekentenis van het hart. Dit zorgenkindje kon toch op tijd alles krijgen wat het hebben moest. Ik stond er voor, telkens bleef er nog iets over. Het bedrag was altijd hooger dan ik had durven denken. Van alle kanten vloeiden de gaven. Ik kreeg het er wel eens benauwd onder.
Daar staat ge nu, zoo hoorde ik een stem van heel dichtbij. Uw rekensommen komen nooit uit. Mijn rekenkunde is van hoogere orde.
Als gij eens begint met een nul, zet Ik er het cijfer voor, zegt de Heere !
Welk antwoord moest ik daarop geven. Wat dunkt u ?
Heere, ik ben niet waard zooveel gunsten van U te ontmoeten. Wanneer Ge rekening zoudt houden met mijn klein-en ongeloof, zoo hadt Gij mij moeten laten staan met een ledige buldel, zoodat ik het werk half af, of heelemaal had moeten opgeven.
Wat verstaat men dan goed: „uw ontrouw maakt Mijn trouw niet te niet" zegt de Heere. Of wilt ge 't anders zien geformuleerd : „Ik weet wat van Mijn maaksel zij te wachten. En dat wij stof van jongsaf zijn geweest".
Hij beschaamt voortdurend wie door Hem in Zijn arbeid zijn gesteld geworden. Hij maakt hen niet zelden klein door Zijne weldadigheden.
Ongetwijfeld waren er vele moeilijkheden, ook waarvan ik de billijkheid betwijfel, ook welke voortkwamen uit den nood der tijden, doch 't waren moeilijkheden, en geen kleine ook. Zoodat ik èn bij mij zelf en van anderen telkens te hoeren kreeg : „dat zal er raar uitzien aan het einde van het jaar".
En nu is het alsof het mij van 'den Heere zelven wordt voorgehouden, „heeft u ook iets ontbroken ? " Waarop als antwoord volgt „niets Heere".
Vooreerst mag ik met groote erkentelijkheid aan God getuigen dat, waar haast geen enkele instelling, en evenzoo geen particulier iemand is aan te wijzen, wiens' kapitaal niet door een of andere debacle heeft geleden, mij geen schade trof, vanwege achteruitgang of weigering van betaling.
Is dat niet opmerkelijk ?
Mag zulks wel stilzwijgend worden voorbijgezien. Ik meen van neen. Immers hier, hier valt geen roem of lof ten deel aan het voorzichtig beleid van het Hoofdbestuur of Penningmeester. Neen, dit heeft God geleid.
Is dit het eerste wat opgemerkt mag worden. Iets wat hiermee verwant is, mag niet worden verzwegen. Op het vaste pand dat wij al jaren bezitten, heb ik voorzichtigheidshalve voorgesteld 2000 gld. af te schrijven, om alzoo een mogelijke stoot in de toekomst op te kunnen vangen. De waarde blijft, zooals ge zult begrijpen, gelijk, alleen in de boeken komt een lager cijfer voor.
Dit omtrent onze bezittingen. Wat thans uw en mijn aandacht vraagt, is De WaarheidsVriend. De waarde van zulk een bezit is voor weinigen van meer beteekenis dan voor den Penningmeester. Gesteld eens dat ik deze goeie vriend niet had, wat zou ik moeten aanvangen ? Ik bon met geen enkele wensch tot mijn meelevende vrienden komen, hun niets voorleggen, hun nlets op het hart binden, in één woord : ik was een schipper zonder schip of als ik in een bootje mocht varen, was het geleend of van een ander. Ik tel dan dezen vriend onder een van mijn beste vrienden ; hoe een ander er over oordeelt, vraag ik niet, ik houd van hem, en gelukkig, zoo zijn er meer. Velen houden van hem. Daarvan gewerden en geworden mij nog tal van blijken.
En wat er dan nog bij komt — ge moet zulks van een Penningmeester verwachten — deze vriend levert hem ook nog wat in het laadje. 'k Mocht van dit jaar nog een kleine 2000 gld. overhouden. Een klenie, omdat onder de uitgaven en inkomsten van De Waarheidsvriend ook nog enkele uitgegeven brochures ressorteeren, welke tot nu meer hebben gevraagd dan gegeven. Hier ook geldt: dat de kosten gaan voor de baat.
Ge zult me toegeven, dat dit in onzen tijd tot groote tevredenheid stemt, ja, meer dan dit. Ook in dezen wijst erkentelijkheid voor Gods bemoeiingen ons den weg naar de binnenkamer. Thans ligt het zoo in de gewone lijn, om na De Waarheidsvriend te hebben genoemd, een lijstje over te leggen van wat er inkwam en werd uitgegeven. Ik vermeen, dat hiermee aan het verlangen van niet weinigen wordt voldaan.
'k Zou dit punt willen vergelijken bij wat plaats heeft als het overzicht van de wekelijksche inkomsten u wordt voorgelegd. De courant ligt nauwelijks open, of even een oogje geslagen in de richting van de „Financiën".
Niet veel daarvan verschillend is het huidig moment. Nieuwsgierigheid, en belangstelling niet minder, spitsen het oor. Toch moet ge nog even wachten. Piëteitshalve dient Iets vooraf te gaan. Wat verleden jaar niet voorkwam en een jaar daarvoor zelfs tot driemaal weer, heeft nu ook weer plaats gehad. Een van die vrienden, die aan niemand opvallen, over wien niemand spreekt, van wien niemand iets verwacht, heeft onze Bond bij testament willen gedenken. Hij woonde in Rotterdam-Charlois. Ds. Koolhaas was de man, die ons het eerst met deze wilsbeschikking bekend maakte. Deze stille vriend had ons 1000 gld. vermaakt; ƒ 908.32 werd ons na zijn dood toegezonden. Hierop was onzerzijds heelemaal niet gerekend. In deze wordt ons weer dezelfde weg gewezen, n.l. Gode alleen dient dank gezegd. Immers hier ontbreekt zelfs de mogelijkheid eenig schepsel dank te weten.
Met weemoed gedenken wij dezen stilen vriend die 'door - daden heeft gesproken wat hij gevoelde voor onzen arbeid. Godes zegen ruste op alles en achtervolge ook zijn doen.
'k Zou u thans wel de verschillende cijfers kunnen voorleggen van inkomsten en uitgaven. Toch dunkt me het niet minder raadzaam u eenvoudig het gunstig slot te zeggen.
Er is een batig saldo, en wel van ƒ 5211.38. Hiervan dient ge in uw gedachten af te trekken 2000 gld., welke wij voorgesteld hebben af te schrijven op ons vast pand. 't Blijft dan niettemin nog ruim
3000 gulden.
En dat was nu, wat ons zorgenkindje ons overreikte : ƒ 3211.38.
'k Wil het anders formuleeren : dat was de goedheid Gods, dat waren de gunsten, de aan alle kanten verbeurde weldaden Godes. Dat heeft God gedaan. Ge zult hierop niets zoeken af te dingen, alleen zoudt ge mij een vraag willen doen, n.l.: Zou het u. Penningmeester, ook mogelijk zijn met een enkel woord aan te geven waaraan dit gunstig resultaat — ik spreek menschelijk — Is toe te kennen ?
Zeker wel.|
Vooreerst een legaat van ƒ 908.32 en vervolgens terugstortingen tot een bedrag van ƒ 3120.—. Dit maakt tezamen ruim 4000 gld.
Zoo vindt ook dit al weer een verklaring. Gaarne geef ik deze toelichting nog even er bij, omdat mij hierdoor een gunstige gelegenheid wordt geboden ieder van onze oud-alumni, die hieraan hebben meegewerkt, mijn groote erkentelijkheid te betuigen.
Critiek van ieder - die buiten staat, is zeer gemakkelijk. Om blijken te geven van goeden wille, willen uitzuinigen, af te betalen zooveel als men vermag, is mij duizend maal meer waard. Ik vrees dat - de tijden, welke wij tegengaan, het niemand gemakkelijk zullen maken op dezen weg voort te gaan, doch waar men het eens is met het doel, door ons nagejaagd, om zooveel als ons mogelijk is de Waarheid Gods te dienen, te helpen verbreiden door en In de Bediening des Woords, daar zullen de daden niet ontbreken.
Vooralsnog kan aan halt houden op onzen weg niet worden gedacht. Een nuchtere blik op de werkelijkheid werkt ontnuchterend. Daar zijn nog te veel kansels, die ai te lang ontbloot bleven.
Bedenken moeten we elk oogenblik, dat waar geen geregelde arbeid geschiedt, voor ons een ander intreedt. Onze tijden zijn gevaarlijker dan ooit. De plaats, waarop ons oog blijvend dient gericht, is de kansel. Met een voorlezersbordje kunnen wij niet tevreden warden gesteld. Het is ontzettend jammer, dat in dezen ons tekort zoo duidelijk in het licht wordt gesteld. En aan de zijde van de Gereformeerde Kerken en aan de zijde van Ethischen en Modernen heeft men krachten te over. Wij kunnen zelfs niet bij benadering aangeven wanneer evangeliseerend door onze candidaten of predikanten zou kunnen worden gewerkt.
Van vacatures in Gereformeerde gemeenten heb ik een staatje gemaakt over ons heele land, d.w.z. waar tot nu toe predikanten van Gereformeerde richting zijn beroepen.
'k Telde hier 56.
Daarbij komt het verschijnsel, dat onder onze Gereformeerde dominees een niet klein percentage zich voordoet van mannen, die staan in den afgang hunner jaren, 'k Heb in ons landje genoteerd als Gereformeerd 224 plaatsen. Hier vond ik sprekende cijfers. Legt ze eens vast en werk er eens mede. Boven de 40 dienstjaren 9 Boven de 30 dienstjairen 32 Boven de 25 dienstjaren 63 Boven de 20 dienstjaren 86 en één had meer dan 50 jaren dienst, ja, zelfs één, die boven de 60 uitklom.
Van 224 plaatsen 56 vacant en 86 predikanten met meer dan 20-jarigen dienst.
Waarlijk, 't is wel geschikt om ons stil te maken. De Gereformeerde Bond heeft nog werk genoeg ; hij behoeft zich nog niet bang te maken zich overbodig te hebben gemaakt.
Gorde de Heere ons aan met dien ijver en die nauwgezetheid, waarin Zijn Naam wordt verheerlijkt.
Versterke die God, Die het ook in het afgeloopen jaar weer zoo duidelijk bevestigde : op Mij vertrouwt nooit iemand te vergeefs, — versterke die God onzen moed en binde Hij ons tezaam steeds nauwer aan Zijn Woord door Zijn Geest.
De voorzitter bracht ook hem hartelijk dank voor dit verslag, waaruit kon worden geconcludeerd dat het met de geldmiddelen was gegaan boven bidden en denken.
Het stembureau was inmiddels klaar met de stemming. De uitslag was als volgt: de heer Duymser van Twist 353 st., de heer Verkerk 40 st., de heer Verbeek Wolthuys 327 st., de heer Ten Bruggecate 52 st., ds. Timmer 385 st. en ds. Van Hof 8 st.
Voorts kwamen eenige namen naar voren van predikanten, die slechts enkele stemmen hadden.
De verkozenen verklaarden de herbenoeming gaarne te willen aannemen.
Hierna kreeg ds. J.Terlouw, van Alkmaar, het woord als secretaris van de Evang.-Commissie.
Hij sprak als volgt:
Het jaarverslag van den secretaris van de Evangelisatie-Commissie vanwege den Gereform. Bond moet dit jaar gesteld in zeer bijzondere toon. In de sombere, weemoedige toon van een mogelijk naderend afscheid. Och, vreemd zult gij, die met belangstelling die arbeid van de Evangelisatie-Oommissie gevolgd, naar de versl'agen der laatste jaren van den secretaris geluisterd hebt, van deze mededeeling niet ophooren. Opgewekte klanken klonken, als het ging over de Evangelisatie-arbeid in deze vergadering, bijna nooit.
Niet alleen de Evang.-Commissie als zoodanig, maar alle meelevende vrienden en vriendinnen van de Evangelisatie-arbeid, hebben het voelen aankomen : de zaak loopt vast! Zoo kan het op den duur niet langer.
Er is stilstand! in den arbeid gekomen, die op den duur niet dan achteruitgang kan beteekenen. Het schijnt, dat het doode punt is bereikt. Er is geen vitaliteit. Het leven ontbreekt aan de arbeid, die lusteloos wordt verricht. De Evang.-Commissie lijkt op een arbeider, die wel eiken morgen naar de fabriek sukkelt, maar uit gelaatsuitdrukking en lichaamshouding blijkt zonneklaar, dat alle lust en zin in het werk ontbreekt. Ligt de schuld alleen bij de mannen-broeders, die met elkaar de Evang.-Commissie vormen ? Gaarne zullen zij belijden, dat hun werk verre van volmaakt was. Ook onzerzijds waren er tekortkomingen. Maar zonder ook slechts eenigermate de schijn van in vroom Farizeïsme ons van schuld te willen vrijpleiten, meen ik toch te mogen zeggen, dat het de omstandigheden waren, die ons de mogelijkheid om te werken en de lust tot de arbeid ontnamen.
Wij voelden ons bij onze arbeid niet gedragen door het medeleven van „onze menschen" In het algemeen. Dit is zeer goed te begrijpen, omdat de eerste posten in het hooge Noorden liggen en bij onze menschen niet of bijna niet bekend zijn. En onbekend maakt onbemind. Daarbij kwam en komt het tekort aan ontvangsten. Doorgaans was het een sobere lijst, die de penningmeester moest verantwoorden. Hieruit spreke geen ondankbaarheid voor de bewijzen van meeleven zoowel van kerkeraden als van particulieren, maar het feit moet geconstateerd, dat gebrek aan middelen de Evang.-Commissie herhaaldelijk dwong op verzoeken om steun afwijzend te beschikken en de toelagen van de verschillende posten een en andermaal te korten.
Ge zult zeggen : dat spreekt in onzen tijd toch vanzelf. Ja, het is niet het ergste als een weelderig inkomen wordt besnoeid ; anders komen de zaken te staan, wanneer de uiterste grens van verlaging is bereikt en meerdere korting de noodzakelijkheid in zich sluit de arbeid te staken.
Tenslotte, en hier steke de Evang.-Commissie en de evangelist de hand in eigen boezem, een schrijnend gebrek aan contact laat zich vaststellen tusschen evangelisaties, evangelisten, Evang.-Commissie.
Dit alles te samen heeft de Evang.-Commissie doen besluiten deze vergadering een voorstel tot liquidatie voor te leggen.
Om dan nu de Evangelisatiearbeid er maar aan te geven ? Integendeel, om de zaak met vernieuwde moed en nieuw enthousiasme aan te pakken. Want ongetwijfeld: er is gelegenheid tot evangelisatie te over, en uit de rapporten van de evangelisten der verschillende posten blijkt ten duidelijkste, dat er zegenrijke arbeid verricht wordt. In zeker opzicht geldt: de velden zijn wit om te oogsten. Er
openbaart zich naast toenemende verwildering en onverschilligheid en goddeloosheid, een vraag naar het Evangelie. Het zou bitter jammer zijn, wanneer de Evangelisatiearbeid gestaakt werd, maar - ook, wij zouden een groote zonde op ons laden. Want kennelijk gebiedt de Heere Zijn zegen op het werk. Alleen, in de wijze van arbeid, in de methode moet grondige verandering worden aangebracht. Er kan, menschelijkerwijze gesproken, veel meer bereikt worden.
Bovendien moet de eenheid in de Evangelisatiearbeid worden betracht. De toestand is op het oogenblik zoo, dat, eigenlijk geheel los van elkander, werken, de Centrale voor Noord-Holland, de Vereeniging van Godsdienstonderwijzers en de Evangelisatie-Commissie.
Deze toestand is onhoudbaar. We moeten de handen in elkaar slaan en gemeenschappelijk ten strijde trekken.
Zoowel het Hoofdbestuur van den Gereform. Bond als de Evangelisatie-Commissie en de Centrale Noord-Holland zijn van oordeel, dat het oprichten van een Hervormde Bond voor Evangelisatie op Geref. grondslag de weg is, die ons uit het moeras kan voeren.
Vandaar dan ook punt 8 van de agenda van deze vergadering.
Het zou mij zeer verbazen, wanneer straks de vergadering, na de behandeling van de voorstellen van de Evang.-Commissie, waarvan nadere toelichting nog gegeven zal worden, haar goedkeuring aan deze voorstellen zou onthouden.
Nog eens, het is niet de bedoeling om de Evangelisatiearbeid op te geven. Maar het moet, onder beding van den zegen des Heeren, deze arbeid ten goede komen, wanneer een landelijke Bond de belangen van de Inwendige Zending gaat behartigen. Mogen onze zwak-menschelijke pogingen, om nuttig werk te verrichten in de dienst des Heeren, den zegen des Allerhoogsten wegdragen, en mogen straks onze besluiten genomen warden onder leiding van den Heiligen Geest.
Het lijkt mij, na alles wat gezegd werd, overbodig met U de lotgevallen van de verschillende posten in 't verloopen jaar na te gaan. Nog altijd ontvangen van de Evang.-Commissie financieele of zedelijke steun de Evangelisaties te Stadskanaal, Oude Pekela, Tolbert, Ureterp, Vledderveen, Kibbelgaarn, Moordrecht. De eene post is grooter dan de andere, werpt rijker vrucht af dan de andere, maar over het algemeen genomen, mag worden gezegd, dat in elke post een kring van oprecht belangstellenden en hartelijk meelevenden wordt gevonden. De evangelisten zijn tenminste niet ontevreden of ondankbaar. Het werk in deze moderne streken gaat met onzegbare moeilijkheden gepaard, maar langzaam wint 't Evangelie veld. En wie veracht den dag der kleine dinigen ? In Ureterp ontstonden zwarigheden tusschen voorganger en bestuur, tengevolge van verschil van inzicht op politiek terrein. Zooveel mogelijk zijn deze echter ondervangen en is gepoogd een oplossing te vinden.
Verschillende aanvragen om steun en advies kwamen in. Op deze verzoeken werd geantwoord, dat deze het best herhaald 'konden worden, indien het eventueel mocht komen tot de oprichting van een nieuwe Bond voor Evangelisatie.
Een woord van dank komt dte. Klüsener toe, die de Evang.-Commissie 600 ex. van twee door hem uitgegeven preeken schonk ter gratis verspreiding. De secretaris van de Evang.-Commissie verzond ze naar de verschillende evangelisten, die er een dankbaar gebruik van hebben gemaalk. Ik eindig met de wensch, dat de Heere ons allen lust en kracht en liefde tot de taak en roeping, die Hij ons ook inzake Evangelisatie-arbeid oplegt, moge schenken of vermeerderen, en dat zoo God wil, een volgend jaar de secretaris van de eventueel op te richten nieuwe Bond u een opgewekter verslag kan voorleggen, dan ik gedurende eenige jaren doen kon.
Ik heb gezegd.
J. C. TERLOUW.
Vervolgens sprak ds. A. Luteijn als penningmeester van de Evang.-Commissie als volgt: Nog steeds is de economische wereld over bijkans de geheele wereld duister. En aan hen, die angstig vragen : „Wachter, wat is er van den nacht ? ", kan als eenig antwoord gegeven worden : , Het is nog nacht". Het lichten van een dageraad, die ons meerdere welvaart aankondigt, laat nog op zich wachten. Waarheen men het oog ook wendt, overal is de welvaart dalende. Alom hoort men van financieele moeilijkheden, tekorten, die niet weggewerkt kunnen worden. We zijn genoodzaakt afscheid te nemen van de jaren van overvloed en weelde, waarin we geleefd hebben, en zullen ons hebben in te stellen op levensomstandigheden, waarin we met minder vergenoegd zullen moeten zijn. En als nu de Staat en de gemeenten, die tot op zekere hoogte dwang kunnen aanwenden om hun benoodlgde gelden bijeen te brengen, al met schier onoverkomelijke moeilijkheden hebben te worstelen, wordt het dan niet hopeloos voor de Kerk, de Zending, de dienst der barmhartigheid en allerlei overige arbeid tot uitbreiding van het Koninkrijk Gods ?
En nog te meer reden van bezorgdheid schijnt er in dit opzicht te zijn, omdat er op kerkelijk terrein zooveel verdeeldheid, lusteloosheid en verval is, zoodat de liefde en offervaardigheid van velen bekoeld is. En toch geldt ook thans, ondanks alle drukkende omstandigheden : „Weest niet bezorgd". De Heere, die de Zijnen in duren tijd en hongersnood nimmer zal doen omkomen, zal ook Zijn werk in het leven behouden in moeilijke tijden. 'De bewijzen daarvan heeft ook onze Evangelisatie-Commissie mogen opmerken over het laatste boekjaar. Zonder dat wij al te zeer durfden aandringen, zijn de ontvangsten tot een hooger bedrag binnen gekomen dan een vorig jaar. Wij kunnen dus spreken van een rijken zegen en wij moeten onze harten met groote dankbaarheid verheffen tot God, Die in deze zorgvolle dagen de harten tot zooveel milddadigheid heeft geneigd.
Met name de collecten zijn het, die een stij'glng vertoonen, n.l. ƒ 1271.14 tegen ƒ 1109.70 in het vorige jaar. De giften liepen een weinig terug. Ze bedroegen ƒ 1376.89 tegen ƒ 1428.85 in het vorig jaar. Samen is ontvangen ƒ 2648.03 tegen ƒ 2538.55 vorig jaar.
Uitgaven aan steun aan Evangelisaties ƒ 2300. Aan rc's-en vergaderkosten, reiskosten van sprekers en porto ƒ 174.66. Het geheele bedrag der uitgaven beloopt dan ƒ 2474.66. Batig saldo ƒ 173.37.
Dank zij de ruimere ontvangsten en de inkrimping van den steun, is ons nadeelig saldo van vorige jaren omgezet in een voordeelig saldo.
Terugblikkende op het afgeloopen boekjaar, kan niet anders dan groote dankbaarheid onze harten vervullen. Dankbaarheid jegens den Heere, Die de harten tot milddadigheid neigde, en. jegens de gevers, die ons hebben verblijd met hun gaven.
De voorzitter is dankbaar voor hetgeen de leden van de Evangelisatie-Commissie hebben gedaan in het belang van de uitbreiding van Gods Konlnkrijk.
De heer Brinkers gaf een verslag van den arbeid der Propaganda-Comm. en sprak als volgt:
Geachte Vergadering,
Zeer gaarne brengen wij ons tweede jaarverslag uit. Dit zal evenwel niet zoo breed zijn als vorig jaar, dewijl wij toen stilstonden bij het ontstaan der Commissie. Aangenomen, dat de Commissie thans voldoende bij u beleend is, mag ik zeker nu wel volstaan met eenige mededeelingen omtrent onze arbeid.
De Commissie vergaderde driemaal, 't Behoeft zeker geen betoog, dat de geest onder ons een zeer prettige is. Volkomen zijn wij één in doel en streven. Ons eerste werk was, evenals vorig jaar, het toezenden van vragenlijsten aan de Afdeelingsbesturen. Uit deze lijsten bleek ons, dat in meer dan eene Afdeeling nieuw leven is ontstaan. Dat het ledental over het algemeen stationair bleef, ja, bij sommige nog steeg, zoodat de mededeelingen omtrent de toestanden bevredigend mogen worden genoemd.
Door onze bemiddieling werd een aanzienlijk aantal proefnummers van De Waarheidsvriend geplaatst. Evenzoo wat betreft de Bond& uitgaven. Beide met een bevredigend resultaat. Zeer vele waren de inlichtingen, door ons gegeven op veler verzoek. De aandacht, door ons gevestigd op de busjes voor onze fondsen, heeft tengevolge gehad dat meerdere busjes werden gevraagd' en geplaatst. Dat wij opwekten een Nieuwjaarsgiroet in De Waarheidsvriend te plaatsen, had tot gevolg dat reeds het aantal dit jaar vervijfvoudigd werd.
Tot ons genoegen kunnen wij mededeelen dat een drietal Afdeelingen aan de bestaande zijn toegevoegd, met name Blauwkapel, Elim (bij Hoogeveen) en Eindhoven. Op een propagandavergadering te Blauwkapel sprak ds. Goslinga en ondergeteekende, te Elim en Eindhoven alleen ondergeteekende, met als onderwerp: „Wat wij willen en wat wij niet willen". Uit vele brieven, door ons ontvangen uit onderscheidene plaatsen, spreekt een toon van overtuiging dat we elkaar zoo hard noodig hebben. Dit hoe langer hoe meer tot bewustheid te brengen is mede ons doel.
Hoog stellen wij ons ideaal niet, doch indien wij maar bereiken mogen dat allerwegen de handen ineen geslagen worden om gemeenschappelijk werkzaam te zijn in het waarachtig belang van on2!en Gereformeerden Bond, zoo zal een groot deel van ons streven beloond zijn.
Met dit doel voor oogen wil de Commissie voortgaan op den ingeslagen weg, ander biddend opzien tot God, van Wien wij dan ook alleen heil en hulp verwachten.
Het Hoofdbestuur is dankbaar voor al hetgeen door de heeren Brinkers, Maarleveld en De Groot voor den Gereformeerden Bond is gedaan.
Ds. Woelderink leidde daarna het Evangelisatievoorstel in. Het luidde als volgt:
I. De vergadering machtige het Hoofdbestuur tot benoeming van een commissie van zeven personen om de oprichting van een Ned. Herv. Bond of Vereeniging voor Evangelisatie-arbeid op Gereformeerden grondslag voor te bereiden.
II. Indien dit voorstel wordt aangenomen, de Evangelisatie-Commissie volmacht te geven om, nadat de statuten van den nieuwen Bond koninklijk zijn goedgekeurd, de tegenwoordige arbeid met de gelden, die in kas zijn, aan de nieuwe Vereeniging over te dragen onder voorwaarde, dat de aangesloten Evangelisaties nog zes maanden lang dezelfde bijdrage uitgekeerd krijgen, die zij op het tijdstip der overdracht genoten.
Toelichting.|
Een reorganisatie van den tegenwoondlgen arbeid is dringend noodig:
a. Wijl er een stilstand in den arbeid is gekomen, die op den duur niet dan achteruitgang beteekenen kan.
b. Wijl er te weinig contact is tusschen de Evangelisaties en de Evangelisten onderling evenzeer als tusschen de Evangelisaties en Evangelisten eenerzijds en de Evangeliesatie-Commissie anderzijds.
c. Wijl dit gebrek aan contact een gemis aan genoegzame controle zoowel op den arbeid der Evangelisatie-besturen als op den arbeid der Evangelisten meebrengt.
d. Wijl zij die voor dezen arbeid hun gaven en gebed geven, niet zoo op de hoogte van den gang van zaken zijn, als voor een warm medeleven noodig is.
De Evangelisatie-Commissie is echter van oordeel, dat aan de oprichting van een nieuwe Vereeniging de voorkeur moet worden gegeven boven een reorganisttie van den tegenwoordlgen arbeid :
a. Wijl er principieel veel voor te zeggen is, dat deze arbeid, die zijn eigen vragen en moeilijkheden medebrengt, welke aparte bestudeering vereischen, door een speciaal voor dit doel opgerichte Vereeniging wordt behartigd. Niemand kan twee dingen gelijktijdig doen en als dit nochtans geschiedt, wordt het eene belang noodzakelijk aan het andere opgeofferd. Dat in De Waarheidsvriend twee penningmeesters voor verschillende doeleinden hun gaven vragen, brengt reeds verwarring.
b. Wijl een nieuwe Vereeniging speciaal voor dit doel een nauwer contact schept tusschen den arbeid en hen, die voor dezen arbeid hun gebed en gaven geven.
c. Wijl door een nieuwe Vereeniging de mogelijkheid wordt geschapen om versnippering van den arbeid te voorkomen.
Ds. Woelderink noemde den arbeid, die tot hiertoe verricht was, verkennmgsarbeid. Met hetgeen geleerd is in het verleden, kan men bij de uitvoering der nieuwe plannen winst doen.
De afgevaardigde van de Afdeeling Delft vindt het jammer, dat het voorstel van te voren niet in De Waarheidsvriend is afgedrukt. Deze Afdeeling is van meeninig, dat men dezen tak van arbeid nog nauwer moet binden aan den Gereformeerden Bond.
Het Hoofdbestuur en de Evangelisatie-Commissie zijn van meening, dat juist tot decentralisatie moet worden overgegaan.
Na de heldere uiteenzetting van den voorzitter, trekt de Afdeeling Delft haar voorstel tot centralisatie in.
Ds. de Bruin, van Woudrichem, blijft er zich tegen verzetten dat de Bond deze tak van arbeid zou loslaten.
Ds. Lans vraagt of het inderdaad de bedoeling is, dat de nieuwe Bond voor Evangelisatie geheel los van den Bond zal werken.
Ds. Woelderink licht toe, dat dit inderdaad de bedoeling is.
Prof. Visscher steunt het voorstel door het beeld van de clivia, waarvan een zijstek wordt genomen, die daarna in een aparte pot wordt gezet.
Ook ds. Batelaan en ds. Timmer bepleiten de wenschelijkheid van het oprichten van een nieuwen Bond.
De heer Brinkers sluit zich aan bij ds. de Bruin.
Ds. Van der Snoek zou met de beslissing nog een jaar willen wachten.
Evangelist Timmermans, uit Ureterp, is voor aanneming.
Ds. Schroten zou willen, dat de Bond aan de Evangelisatie-Commissie gedurende een jaar de volle vrijheid van handelen gaf.
Bij stemming werd het nieuwe voorstel met groote meerderheid aangenomen.
Het voorstel van de Afdeeling Middelburg om het referaat te verplaatsen naar de middag-vergadering, kon geen instemming vinden.
Om meer tijd te winnen, zou de Afdeeling Delft de verslagen van secretaris en penningmeester willen laten wegvallen. De verslagen moesten dan van te voren worden geplaatst in De Waarheidsvriend.
De voorzitter zou niet gaarne de levende stem van de beide verslaggevers in de vergadering missen.
Om aan verschillende verlangens tegemoet te komen, wordt vrijwel algemeen besloten om de jaarvergadering D.V. in het vervolg om half 11 te beginnen en de middagvergadering zoo eenigszins mogelijk, om half 2.
De Afdeeling Ede zou de jaarvergadering liever in de Paaschvacantie houden met het oog op h.h. onderwijzers, die dan de vergadering ook konden bijwonen. In de Paaschweek worden ook al de vergaderingen van de Unie en van den Schoolraad gehouden. De voorzitter vreest, dat het dan wat al te druk wordt.
Het voorstel Ede wordt verworpen, hoewel het de vergadering spijt de onderwijzers niet ter wiile te kunnen zijn.
Daarna zou aan de orde komen een voorstel van de Afdeeling Delft en Rhenen en een particulier uit Breukelen, over het standpunt van den Bond ten opzichte van Jeugddiensten, Kerkopbouw, Kerkherstel, Gezangenkwestie.
De heer Tom van Gouderak vroeg echter het woord. Hij vroeg vrijheid om prof. Visscher te vragen over al deze onderwerpen een referaat te houden.
Ds. Van der Snoek spreekt het uit, dat al deze onderwerpen onmogelijk in één referaat kunnen behandeld warden.
Prof. Visscher vroeg hierop het woord. Hij was van oordeel, dat men in deze vergadering niet te veel drukte moest maken over al deze dingen. Hij achtte het beter, dat een ieder zich zou toeleggen op de studie van de belijdenisschriften onzer Vaderen. Indien dit geschieden zou — aldus prof. Visscher — dan kwam daarmee ook het juiste standpunt ten opzichte van al die vragen als van zelf.
Ds. Woelderink sloot zich bij dit advies gaarne aan en verzocht daarom aan prof. Visscher zijn hoofdartikelen van De Waarheidsvriend daarvoor te bestemmen en b.v. de 37 artikelen van onze Ned. Geloofsbelijdenis te behandelen. Prof. Visscher hoopt hieraan in de toekomst nog te kunnen voldoen.
Voor de rondvraag was er niets.
De Voorzitter dankte allen voor de vriendelijke medewerking die van alle zijden op deze jaarvergadering betoond is. Deze vergadering stond in het teeken van hartelijke samenbinding.
Prof. dr. H. Visscher ging voor in dankgebed.
J. J. TIMMER.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's