De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

PAASCHFEEST.

7 minuten leestijd

De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden. Dit is van den Heere geschied en het is wonderlijk in onze oogen. Dit is de dag, dien de Heere gemaakt heeft; iaat ons op denselven ons verheugen en verblijid zijn. Psalm 118 vers 22—24.

Daar buiten ligt de natuur nog zoo dor. Reeds bijna een maand geleden is de lente begonnen, maar het lenteweder en de lentepracht laat nog op zich wachten. Die lentezon heeft haar koesterende stralen nog weinig over de aarde uitgegoten.
O, stel eens, dat wij de zon eens niet hadden miet haar verwarmende, levenwekkende en licht gevende stralen, hoe treurig zou het dan in de natuur zijn gesteld ? Dan lag daar alles in donkerheid gehuld en was er geen tinteling van leven te bespeuren.
Het zou vreeselijk zijn, en toch, stel eens, dat Jezus Christus, de Zen der Gerechtigheid, in den hof van Jozef van Arimathea niet verrezen was, dat Hij als de Levensvorst niet was opgestaan uit Zijn graf om de Zijnen te verlichten en het eeuwige leven te schenken, hoe droevig zou het dan gesteld zijn bijzonder in onze tegenwoordige tijd. Paulus heeft daarvan gezegd : indien Christus niet is opgewekt, zoo is uw geloof tevergeefsch ; zoo zijt gij nog in uwe zonden, zoo zijn ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.
Maar Gode zij dank, dat wij mogen weten dat al de beloften Gods ja en amen zijn in Christus Jezus. De belofte, aan Noach gedaan, dat er zaaiïng en oogst, en dus ook lente en herfst ook dit jaar weder zijn zal, zal worden vervuld.
De belofte, dat Christus zou opstaan, is vervuld.
Ach, ware er evenveel, of liever nog sterker verlangen naar het Paaschfeest, dan naar het Paaschweer ! Ware er nog meer behoefte dat er levensvernieuwing plaats had in de ziel, dan in de natuur ! Werke de Heere dat in ons hart door de overdenking van wat eenmaal plaats had in Jozefs hof.
In onze tekst wordt de Gemeente van Jezus Christus vergeleken met een gebouw. Daarmede vergelijkt ook de apostel Paulus haar. In de brief aan de Efeziërs zegt hij van haar, dat zij gebouwd is op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus de uiterste hoeksteen is, op welke het geheele gebouw, bekwamelijik samengevoegd zijnde, opwast tot een heilige tempel in den Heere.|
Is de Gemeente des Heeren een gebouw, zoo zijn al haar levende lidmaten steenen, die door den Heere uit de groeve van den vorst der duisternis zijn gedolven, aan zijn macht zijn ontrukt en door Hem zijn gereed gemaakt om te samen te vormen het nieuwe Jeruzalem.
Jezus Christus wordt de uiterste hoeksteen genoemd, die heel het gebouw samenhoudt. Zonder die hoeksteen zou het geheel en al als puin ineenstorten. Hij draagt heel dat gebouw.
Van die hoek-of fundamentsteen staat in onze tekst geschreven, dat hij door de bouwlieden verworpen was. Wie die bouwlieden waren, zegt Petrus zoo duidelijk, gelijk wij lezen in het boek der Handelingen. Immers daar staat geschreven, dat hij tot de Oversten, Schriftgeleerden en Ouderlingen heeft gesproken, doelende op Christus: Deze is de steen, die van u, de bouwlieden, veracht is.
Ja, hiertoe was Christus uit den hemel nedergedaald, om de uiterste hoeksteen te zijn.
Maar de Overpriesters wilden daarvan niet weten. In den tempel van eigengerechtigheid en eigenwillige godsdienst paste zulk een steen niet. En daarom hebben zij Hem verworpen.
Dat is niet het werk van een opgezweepte menigte geweest. O neen, het was het wel overlegd plan van de geestelijke leidslieden des volks. Aan hen was de geestelijke opbouw van Israël opgedragen. En dat zij die uiterste hoeksteen, die daartoe onmisbaar was, nochtans hebben verworpen, is te danken aan hun blindheid en diepe verdorvenheid. Zij konden en wilden het niet gelooven dat Een, die daar kwam gezeten op het veulen eener ezelin, de Cluristus, de hoeksteen kon zijn.
Maar de diepste oorzaak was, dat zij de duisternis liever hadden dan het licht.
Gelijk als de afgod der Filistijnen Dagon niet kon blijven staan naast de ank in den tempel, zoo ook kan de zonde niet vreedzaam wonen naast den Vlekkeloos Heilige. Daarom moet de zondaar of zich zelf of Christus veroordeelen. 't Eerste wilden zij niet. Nu deden zij het laatste en hebben niet gerust, voor dat zij Hem verworpen hadden.
Maar Jezus was de Hoeksteen. Dat is onder­ vonden. Wat is er van 't Joodsche volk overgebleven, nu zij Hem hebben verworpen.
Maar zie, de Overpriesters mochten Hem verwerpen, de Heere heeft Hem verhoogd.
Hij heeft Hem uit de dooden opgewekt. De Joden hebben alle krachten ingespannen om Hem in het graf te houden, zij mochten de hulp van Romeinsche soldaten daartoe verkregen hebben, 't heeft niet gebaat.
Zie toen de tijd in Gods Raad bepaald gekomen was, zond de Heere een Zijner Engelen naar den hof van Jozef van Arimathea. Als hij nadert, vluchten de wachters. De steen werd, van 't graf gewenteld en de Vorst des levens werd door den Vader verhoogd en ingezet als de Hoeksteen van 't gebouw Zijner Gemeente.
Ja, dit is van den Heere geschied, 't Is een wonder in onze oogen, zoo riep David door den Geest geleid. Zoo spraken ook de Emmaüsgangers, toen de Heere hen leidde in de Schriften en klaar liet zien, dat de Heere dit alles had gewrocht, opdat Zijn Gemeente niet wankelen zou of bezwijken. Vandaar dan ook, dat David al Gods kinderen opwekt tot vreugde en zegt: dit is de dag, dien de Heere gemaakt heeft. Laat ons op denzelven ons verheugen en verblijd zijn.
Eigenlijk zijn alle dagen door den Heere gemaakt. Hij schiep de dag en de nacht. En thans ook worden alle dagen door Hem , gemaakt. Niets geschiedt er bij geval. Ook de donkere dagen niet en toch kunnen er dagen zijn, waarvan de ziel in 't bijzonder mag en moet zeggen : dit is de dag, dien de Heere gemaakt heeft. Dat kunnen dagen zijn, waarin uitredding kwam in 't natuurlijke, maar in het bijzonder, wanneer de Heere uitkomst geeft in het geestelijke, waarin Hij de heilzon doet dagen.
Dat was 't voor Jacob, toen hij aan de Jabbok kon uitroepen: ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest.
Dat was' 't voor den moordenaar aan het kruis, toen de Heere sprak : heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.
Maar zulke dagen zouden er nimmer geweest zijn, indien de Heere den Christus niet als de uiterste hoeksteen verhoogd had. Indien die dag van Paschen niet geworden was de dag der Opstanding. Nu is voor al Gods volk Paschen een dag der verheuging, zoo zij het recht bezien. Nu is hun zaligheid zeker, 't Gebouw huns heils zal niet, als dat van de dwaze bouwmeester ineenstorten. En toch zijn zij daar dikwerf bevreesd voor, als de stormwinden waaien en de slagregens komen en ze evenals Petrus 't oog meer hebben op het water dan op den Heere.
Laat het uw bede zijn, dat de Heere de kracht Zijner opstanding in u meer en meer verheerlijke, uw geloof verlevendige, opdat gij met de Kerke Gods over heel 't rond der aard moogt zingen :
Laat ons verheugd van zorg ontslagen. Hem roemen - die ons blijdschap geeft.
Maar als wij nog nimmer Paaschfeest hebben gevierd, omdat wij ook dien Hoeksteen tot nu toe verworpen hebben, dat wij dan nog bedenken wat tot onze vrede dienen kan. Christus heeft eenmaal gezegd van dien Hoeksteen, wie op dien steen valt, die zal verpletterd worden en op wien hij valt, die zal Hij vermorzelen.
't Joodsche volk is er over gestruikeld. Stad en tempel zijn verwoest en zelf is 't over heel de aarde verstrooid. Wij behooren niet tot 't Joodsche volk. Wij zijn gedoopt in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Wij zijn naar den Christus genoemd en hooren nog telkens Zijn Evangelie verkondigen. Telkens laat Hij ons daarin noodigen om tot Hem te vluchten en in Hem te zoeken de eene troost in leven en in sterven.
Zoo gij Zijn stem dan heden hoort. Gelooft Zijn heil-en troostrijk woord ; Verhardt u niet, maar laat u leiden.
Ch.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's