De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

KERK EN STAAT (2)

12 minuten leestijd

KERK EN STAAT. (2) Wij keeren terug tot hetgeen prof. Diepenhorst schrijft in „Ons Isolement" (blz. 429 enz.). Want door de Verklaring van dr. Kuyper, in 1897 en 1913 gegeven, zijn we afgedwaald van het boek. „Scheiding van Kerken Staat wordt bepleit. Bij vrijheid van de Kerk tegenover den Staat zal de Kerk zich in volle zelfstandigheid', overeenkomstig haar hooge roeping kunnen ontplooien. De Staat heeft af te zien van elke pretentie om over de Kerk eenige voogdij uit te oefenen. Weinig verheffenden indruk maakt dan ook het genoemde Artikel 173  der Grondwet: „De Koning waakt, dat alle Kerkgenootschappen zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat". Eene onverdiende en onnoodige vernedering bevat deze bepaling, die den indruk wekt alsof de Kerken een dreigend gevaar voor den Staat zouden vormen. (Onderstreeping van ons, red. W.).
„De vrijheid der Kerken, om zich geheel naar eigen levenswet en beginsel in te richten, moet zonder reserve worden geëerbiedigd. Daarom zet Artikel 22 van Ons Program ook :  „Het komt den Staat niet toe, zich met de inwendige aangelegenheden der Kerken in te laten".
Dit beginsel wordt gehuldigd in het eerste artikel van de Wet op de Kerkgenootschappen (1853), - aldus luidend : „Aan alle Kerkgenootschappen is en blijft - de volkomen vrijheid verzekerd alles wat hunnen godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft, te regelen".
Die woorden „is en blijft" hebben we te danken aan Groen van Prinsterer, die met deze redactie wilde uitdrukken, dat deze vrijheid in het wezen der Kerken besloten ligt en dat haar vestiging en bewaring niet van Staatsgunst afhankelijk is of mag zijn. De aard van eene Kerk eischt, dat zij als „eene volkomen maatschappij" in haar sfeer algeheele zelfstandigheid hebbe. Daarmee is niet overeen te brengen eenig preventief toezicht van Regeeringswege. Terecht werd dit beginsel ook door de Staatscommissie voor de regeling der rechtspositie van de Kerk genootschappen, ingesteld bij Kon. Besluit van 16 April 1921, met groote stelligheid in haar Rapport (1922) op den voorgrond geplaatst.
„Scheiding van Kerk en Staat" (héél iets anders dus dan scheiding van Godsdienst en Staat, wat de A.R. Partij geenszins wil ; zie o.a. Artikel 3 van Ons Program) „Scheiding van Kerk en Staat wordt verlangd, omdat de Kerk Kerk moet blijven. Niet omdat de Kerk is gelijk te stellen met eene particuliere vereeniging, maar omdat zij is eene publiekrechterlijke organisatie, die haar eigen leven naast den Staat heeft te leiden.
Erkenning van het publiek recht der gezindheden, is een gedachte, die Groen nimmer heeft losgelaten. De Kerk is méér dan eene Vereeniging, door een groep religieuse menschen opgericht tot bevrediging van haar godsdienstige behoeften. De Kerk is een goddelijke instelling, de openbaring van het lichaam van Christus".
De Kerken zijn maar geen vereenigingen die in den Staat zijn toegelaten en die slechts geduld worden, voorzoover ze bestaanbaar zijn met de publieke orde en rust. Kerken danken niet aan het goeddunken van den wetgever of grondwetgever haar bestaan. Tegen die fatale beschouwing is Groen steeds opgekomen. In „Adviezen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal" (Utrecht, 1857, Deel II, blz. 247) lezen we o.a. :
„Dan zou er geen recht voor de Kerken zijn dan hetgeen de wetgever willekeurig schept of genadig duldt. De Gezindheden hebben hier te lande een historisch bestaan, zij zijn niet getolereerd bij de genade der Grondwet. Dit systeem van eigen recht moet gehandhaafd worden, anders huldigt men het revolutionair systeem van den absoluten Staat, die een eigen godsdienst schept of zich aan ongodisterij overgeeft en wiens vrijgevigheid zich bepaalt tot het toelaten van 't geen aan den Staat niet hinderlijk is. Dan hebt ge een Staat die duldt en bekostigt wat de Regeering goedkeurt en voor onschadelijk houdt. Deze godsdienst kan ieder oogenblik veranderen, naar goedvinden van het Gouvernement. Ge hebt dan, ten slotte, eene burgerlijke of maatschappelijke of politieke godsdienst van Staat, enz."
In de Nederlandsche Gedachten (20 Aug. 1872) klaagt Groen: „Het publiek recht der gezindheden (deze conditio sine qua non, d.i. deze voorwaarde zonder welke geen godsdienstvrijheid bestaan kan) is, in de sfeer van bestuur en wetgeving, schier in vergetelheid geraakt. Volgens het radicalisme zijn de bestaande gezindheden enkel particuliere vereenigingen ; volgens ons, moeten zij, als godsdienstige belichaming en bezieling der Natie, in de regeling der godsdienstige aangelegenheden van den Staat gekend worden".
Scheiding van Kerk en Staat alzoo om de vrijheid en zelfstandigheid van de Kerk in onzen tijd te waarborgen. Daarin ligt niet opgesloten, dat beide zich als vijandige machten tegenover elkaar of zelfs onverschillig, zonder eenig onderling contact, naast elkaar hebben te stellen. Groen betoogde terecht: „Kerk en Staat onafhankelijk beide, reiken elkander, waar onderwerpen van gemeenschappelijk belang zijn, in gemeen overleg de hand".
De Overheid heeft de hooge en geheel eenige waarde van de Kerk te erkennen en moet het zich een eer rekenen bij de regeling van geestelijke aangelegenheden met haar overleg en beraad te plegen.
Kerk en Staat beide zuilen daar profijt van trekken.
Echte scheiding van Kerk en Staat — in gezonden christelijken zin — zal óók moeten leiden tot financieele zelfstandigheid van de Kerk. Daarom ook zegt Artikel 22 van Ons Program aan het slot: „ter bevordering van^ een méér dan dusgenaamde scheiding tusschen Staat en Kerk, de verplichting uit Artikel 172 der Grondwet voor de Overheid voortvloeiende, na uitbetaling aan de rechthebbenden van het rechtens verschuldigde, dient te worden opgeheven".
Het betreft hier een teere, moeilijke kwestie. Historisch is die financieele verhouding te verklaren. De oorsprong der regeling is ia de Staatsregeling van 1798 te vinden. Artikel 4 der Additioneele Artikelen verklaart alle geestelijike goederen en fondsen, waaruit te voren de tractementen of pensioenen van de leeraren of hoogleeraren der voormaals heerschende Kerk werden betaald, voor nationaal eigendom. En zij zouden een andere bestemming krijgen dan voor de Kerk gebruikt te worden. Men wilde een fonds vormen voor de nationale opvoeding en de verzorging der armen.
De Kerk zou beroofd worden van haar gelden en berooid achterblijven. Maar men wilde de gemeenten niet plotseling in ongelegenheid brengen en daarom bepaalde Artikel 1 dat nog gedurende 3 jaar de tractementen enz. zouden worden uitbetaald, maar dan zou de financieele band tusschen Staat en Kerk verbroken zijn en de Kerk zou van haar geldelijk bezit zijn beroofd !
Bij de Staatsregeling van 1801 werd deze overgangstoestand bestendigd, totdat een wettelijke regeling zou zijn gemaakt. De Kerkgenootschappen zouden dan het recht verkrijgen van hare leden boven 14 een jaarlijksche bijdrage te vorderen — maar de Staat zou intusschen de geestelijke goederen en fondsen, die onder zijn beheer waren, geheel voor eigen gebruik gaan aanwenden !
Evenwel kwam dit alles niet tot stand ; en de Staatsregelingen van 1805 en 1806 zwegen geheel over de kwestie der uitkeering. Het Koninklijk decreet van 2 Aug 1808 handhaafde de betaling der tractementen en liet toe, dat ook andere dan de Ned. Hervormde Kerk uit de schatkist trokken.
Deze regeling is in hoofdzaak in de Grondwet van 1814 overgenomen, in 1815 eenigermate gewijzigd en sedert onveranderd gebleven, zoodat op dit oogenblik de Kerkgenootschappen die in 1815 bestonden, van het Rijk financieele baten hebben — maar de Kerkgenootschappen, die na 1815 zijn ontstaan, vallen er alle buiten. De wijzer is in 1815 stil blijven staan. Het is voor den Staat alsof er — wat dat betreft — na 1815 op kerkelijk terrein niets veranderd is. De Kerkgenootschappen van na 1815 bestaan — wat dat betreft — voor de Overheid niet! De publieke kas heeft voor deze na 1815 ontstane Kerkgenootschappen geen cent; en de Grondwet verbiedt ook maar iets aan die Kerkgenootschappen uit te betalen.
Want Artikel 172 eerste gedeelte van de Grondwet luidt: „De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans (d.i. in 1815) door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd".
Terwijl het tweede gedeelte van dat zelfde Artikel luidt : „Aan de leeraars, welke tot nog toe uit 's Lands kas geen, of niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden".
Prof. Diepenhorst merkt tenslotte op :
„De financieele band tusschen den Staat en de Kerk wordt door velen beschouwd als een gevaar én voor den Staat èn voor de Kerk.
Immers door de subsidieering kan de Staat telkens gedwongen worden in kerkelijke aangelegenheden in te grijpen, wat voor de vrije ontwikkeling der Kerken bedenkelijk is. Bovendien loopen de Kerken, die subsidie ontvangen, gevaar, om, wanneer zij plotseling wordt ingetrokken, zooals in verschillende landen door de revolutionaire stroomingen na den oorlog geschied is, van inkomsten berooid te worden en in beklagenswaardige positie te geraken.
De benauwenis, waaronder door het Nationaial Socialistisch drijven groote groepen van Christenen in Duitschland, wat betreft hun kerkelijk leven, zuchten, bevat eene ernstige waarschuwing voor de Kerk, om hare zelfstandigheid tegenover den Staat ongerept te bewaren".

HET ONZE VADER.
Het „Onze Vader" is het gebed dat de Heiland Zelf Zijn discipelen, en in hen Zijn Gemeente, geleerd heeft; en terecht wordt het altijd genoemd „het allervolmaakst gebed". Want onze Heere Jezus Christus heeft al onze geestelijke en lichamelijke nooddruft er in begrepen. Er mag niets af, er behoeft niets bij gedaan te worden. Het is zóó, zooals de Heiland Zelf het ons gaf, volmaakt. De volgorde is van de zuiverste beteekenis. Eerst „de aanspraak" voor de Gemeente des Heeren hier gegeven met de woorden : „Onze Vader, die in de hemelen zijt". Dan de drie gebeden, die in betrekking staan tot eere des Heeren, Zijn Koninkrijk, Zijn wil en woord. Wat het eerste is, is hier ook 't eerste, 't Voornaamste gaat voorop. Niet de mensch, niet de nooden van den mensch, niet de zaligheid van den mensch. De Heere is de eerste — en straks de laatste ook. En als die eerste drie smeekbeden zijn neergelegd voor Gods aangezicht, voor den troon van den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, die om Christus wil „onze Vader" wil zijn — dan komen de drie beden, die betrekking hebben op ons zelf, waarvan de eerste raakt ons dagelijksch levensonderhoud, opdat we uit Zijn hand mogen leven met ons gezin, met de kerk, met ons volk, met alles, waarbij de tweede vraagt om vergeving onzer zonden, zooals wij vergeven onzen schuldenaren ; en waarbij de derde vraagt om 's Heeren gedurige leiding, opdat we bewaard mogen warden te midden van de verleidingen en de verzoekingen, die ons dagelijks van binnen en van buiten bedreigen. Met de doxologie of lofprijzing mag dan worden geëindigd : want U is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
Wanneer wij in de kerk, in ons gezin, m de school van dit allervolmaaktste gebed, om Christus' wil gebruik maken en ons in onze toenadering tot God van dit voorschrift bedienen, zijn al onze woorden overbodig. Dan moet er eerst niet met onze woorden gebeden worden, om dan als sluitstuk het „Onze Vader" te gebruiken. Want dan misbruiken (d.i. verkeerd gebruiken) we het „Onze Vader". Het allervolmaaktste gebed is niet gegeven om als aanvulsel te dienen, als slotstuk bij ons gebed dienst te doen. Het is ons gegeven om het bij ons bidden zóó te gebruiken, zooals de Heiland het gaf, en dan zonder ons begin en ons slot; want zooals de Heiland het gaf is het af, is het volmaakt; — er ontbreekt niets aan ; er mag niets af, er behoeft niets bij ; het moet zóó gebruikt worden, of het moet niet gebruikt worden, 't Is niet gegeven om als aanhangsel of toevoegsel te dienen van onze gebeden. Daar is het te volmaakt voor !
We zullen dan ook één van beide moeten doen : we zullen óf met onze eigen woorden moeten bidden, het z.g.n. vrije gebed (naar het model van het voorbeeld dat de Heiland ons gaf : aanspraak — Gods eer — onze behoeften — lofprijzing), en dan zonder het „Onze Vader" als toevoegsel. Of we zullen in ons bidden gebruik moeten maken van het voorschrift van den Heiland — maar dan zonder onze aanvullende woorden. Bidden we met onze eigene woorden en voegen we ons daarbij, door Gods genade en Geest geleerd, naar het voorbeeld, ons door den Heere Jezus gegeven, èn wat den inhoud èn wat de volgorde der van God begeerde zaken aangaat, dan kan er geen reden zijn om aan het slot de eigen woorden des Heeren over te nemen, want dan wordt dit een noodelooze herhaling van datgene, wat we reeds voor Gods aangezicht hebben gebracht.
Het is volstrekt niet noodig dit gebed steeds te gebruiken. Wel, dat we bij al onze gebeden dit gebed tot voorbeeld nemen. Maar willen we van het „Onze Vader" gebruik maken, dan moeten we het ook daarbij laten. Het karakter van dit gebed eischt dat.
Nu is het opmerkelijk, dat in bijna al onze formuliergebeden, die in ons Kerkboek staan (er althans in moeten staan) het „Onze Vader" als „sluitstuk" gebruikt wordt. Dat is een kenmerk van onze Gereformeerde liturgie. Zie ook maar onze formulieren.
De Christelijke gebeden — uitgezonderd die vóór en na de handeling der kerkelijke bijeenkomsten en dat vóór de vergadering der diakenen — hebben alle het „Onze Vader" als gebedstoevoegsel.
En ook aan de gebeden of dankzeggingen in de Formulieren wordt steeds het „Onze Vader" toegevoegd, behalve aan die in het Doops-en in het Huwelijksformulier. In het Avondmaalsformulier wordt het „Onze Vader" zelfs tweemalen gevonden, aan het einde én van het gebed én van de dankzegging.
Waarom staat het „Onze Vader" niet in het Doopsformulier; waarom niet in het Huwelijksformulier ? We weten het niet.
Maar die „toevoeging" bij de Gebeden en de Formulieren — in het Avondmaalsformulier zelfs twee maal — hebben we nooit bewonderd. En we zijn het met ds. Lindeboom, van Amsterdam, eens (die er vroeger eens over schreef in Noord-Hollandsch Kerkblad, Nov. 1934), dat het niet aan te bevelen is. Het „Onze Vader" is niet gegeven als sluitstuk, als gebedstoevoegsel.
En het is niet onwaarschijnlijk, dat het nog iets is uit de Roomsche practijken, waar men immers in de Roomsche Kerk overal het „Onze Vader" bij haalde en de menschen niet konden bidden zonder het „Onze Vader" („Pater noster") te gebruiken.
Als algemeene regel zouden wij willen blijven stellen : öf het „Onze Vader" bidden, maar dan het „Onze Vader" alléén. Of met onze eigen woorden bidden (het z.g.n. vrije gebed), maar dan niet het „Onze Vader" als „gebedstoevoegsel". Want als aanhangsel aan onze gebeden is het ons door den Heiland niet gegeven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's