De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

9 minuten leestijd

Vraag: Behoort Calvijn ook niet tot de „Afgescheidenen" ; en moeten wij hem nu niet in de afscheiding van „het Hervormd Kerkgenootschap" volgen ?
Antwoord: Calvijn heeft zich óók afgescheiden, maar van de Roomsche Kerk, die tot een valsche Kerk geworden was, staande onder haar eenig hoofd, de Paus. Niet, dat dit hem gemakkelijk gevallen is ; steeds had hij groote eerbied voor haar gehad en het viel hem zwaar haar te verlaten. „De eenige reden, dat wij de Roomsche Kerk verlaten hebben, is deze, dat zij de zuivere belijdenis der waarheid niet kunnen verdragen. Daarenboven hebben ze ons door hunne banvloeken uitgeworpen om den naam van Christus. Dewijl de beide meest belangrijke merkteekenen (zuivere bediening des Woords en rechte bediening der Sacramenten) daar zijn uitgewischt, zoo mist bij Rome elke vergadering en het gansche lichaam den wettigen vorm der Kerk".
„Om den naam van Christus", zijn Luther en Calvijn en Zwingli vervloekt. En Calvijn zegt, dat in elke vergadering (elke plaatselijke Kerk) en het gansche lichaam (de Kerk in haar geheel genomen) der echte bediening des Woords en der Sacramenten ontbrak en dat de wettige vorm van Kerk gemist werd.
Wij gelooven niet, dat er iemand in gemoede zal durven beweren, dat dit geldt van de Nederlandsche Hervormde Kerk (die Ned. Hervormde Kerk heet, krachtens haar eigen geschiedenis en krachtens haar eigen Reglementen zelfs en daarom recht heeft, om door ieder fatsoenlijk burger van Nederland ook Kerk genaamd te worden en niet Kerkgenootschap" ; onze Hervormde Kerk heeft recht op haar eigen naam !). Wij maken ons sterk, dat noch Luther, noch Calvijn de Roomsche Kerk de valsche Kerk zouden hebben genoemd, als de Roomsche Kerk toen geweest was zooals nu de Ned. Hervormde Kerk ten onzent. Dat Calvijn in z'n hart een vijand was van Kerkscheuring blijkt wel uit het volgende. Toen hij in 1538 uit Geneve verdreven was en andere predikanten hem en zijn vriend Farél hadden vervangen, dachten vurige aanhangers van Calvijn ernstig over scheuring (misschien zou men in onze dagen zeggen „om een Evangelisatie op te richten"). Maar dan schrijft hij zijn vrienden in Geneve deze merkwaardige woorden :
„Een onzuivere leer is geen beletsel. Er is geen Kerk waar geen overblijfselen van onwetendheid meer zijn. Het is voldoende, als de fundamenteele leer van Christus' Kerk aanwezig is. Er moet onder de Christenen zulk een afkeer van scheuring zijn, dat zij die altijd, zoo immer mogelijk, vermijden".

Vraag: Is het geoorloofd bij bijzondere gelegenheden in de kerk met open schaal te collecteeren aan de deur, of is dat zonde te achten ?
Antwoord : Het gewone bezwaar tegen collecteeren met „open schaal" is, dat zulks de hoogmoed in de hand kan werken. Met gebaar kan men dan iets extra's op de schaal leggen, om gezien te worden. Onze ervaring is, dat men heel goed ongemerkt geven kan bij zoo'n collecte. En omdat zoo'n schaalcollecte gewoonlijk iets extra's geeft, omdat ieder het voelt, dat het om iets extra's te doen is (wat volstrekt geen kwaad kan) is bij tijden een „open schaalcollecte aan de deur" wel goed. De Kerk, de armen — ook nu en dan onze Vereenigingen — mogen wel eens iets extra's hebben. Natuurlijk blijven er altijd bezwaren. Maar dat is bij het collecteeren met het zakje ook. Of is dat niet een welkome gelegenheid voor gierigaards ? Om er zoo weinig mogelijk in te doen ?
Stellen we dus, dat de schaalcollecte de hoogmoed in de hand kan werken, en de collecte met het zakje de gierigheid — dan zitten we tusschen twee vuren. En de Schrift laat ons aangaande de hoogmoed niet ongewaarschuwd, maar de gierigheid is geen minder kwaad. Zingen we Psalm 119 vers 18 niet telkens ? En is de gierigheid geen wortelzonde ?
Wij hebben tegen het collecteeren bij gelegenheden met open schaal geen bezwaar. Maar een ieder moet ook in deze maar oordeelen naar z'n beste weten. Alleen, laten we elkaar bij zulke dingen niet veroordeelen, als de een er anders over denkt dan de ander.

Vraag: Moet bij het doopen het woord „Amen" gebruikt worden of niet ?
Antwoord : Wij zijn gewoon altijd het woord „Amen" te gebruiken bij het doopen van het laatste kind (ook natuurlijk als er maar één doopeling is). Het woord „Amen" komt wel niet in de Doopformule voor, maar het is een oud gebruik niet alleen in de Gereformeerde Kerk, dat zoo maar niet, zonder oorzaak, moet worden weg gewerkt. En bovendien is de beteekenls immers : dat wij met het uitspreken van het woord „Amen" laten hooren (gelijk bij ons gebed) dat de Doop geschied is ; dat de Doop ten einde liep; maar méér nog, dat de Gemeente, die acht op deze dingen heeft te geven, uitspreekt, dat zij gelooft, dat God getrouw is en dat Hij zal bevestigen wat Hij eenmaal heeft toegezegd.
Onze Heidelbergsche Catechismus geeft— zooals men weet — van het woord „Amen" deze mooie verklaring :
„Amen wil zeggen: het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder van God verhoord dan ik in mijn harte gevoel dat ik zulks van Hem begeer".
Nu is het woord „Amen" bij den Doop niet het slot van een gebed. Maar het is toch wel een betuiging van de zijde der Gemeente, wier mond de dienaar des Woords is, dat zij gelooft, dat God getrouw is en dat Hij, de God des: Verbonds, zal waar maken wat Hij beloofd heeft. Daar is de Gemeente vast van overtuigd ; zij zegt er „Amen" op. In 't Doopformulier staat het woord „Amen" niet. En daarom moet men dengene, die het niet gebruikt bij het doopen, niet veroordeelen. Maar die zich zoo formalistisch beroepen op het tegenwoordige formulier, moeten ook van hun kant zoo verstandig zijn, dat zij in aanmerking nemen, dat het van ouds gebruikelijk is geweest om het woord „Amen" te gebruiken, gelijk het ook in de oude uitgave van het Doopformulier der Waalsche Gereformeerde Kerken hier te lande voorkomt.
Voetius heeft gezegd (zoo oud zijn zulke ongelukkige kwesties al!) : „Het al of niet gebruiken van het woordje „Amen" is waarlijk geen strijd waard". (Politica Ecclesiastica I, blz. 677 ; uitgave Bibl. Reformata, Seiie II, blz. 157). Als wij dus het woord „Amen" gebruiken, doen we het om twee oorzaken : a. om er door te kennen te geven, dat de Doop geschied' is ; b. om de verklaring uit te spreken van de zijde der Gemeente, dat zij gelooft, dat God getrouw is en dat Hij zal bevestigen, wat Hij, de God des Verbonds, beloofd heeft.

Vraag: Is het niet onmogelijk, dat de Heiland met Zijn lichaam ten hemel is gevaren ? Is er geen wet dier zwaartekracht ? En heeft het licht niet 6000 jaar en meer noodig om van den hemel naar de aarde te komen ? Moet die hemelvaart van den Heiland dus niet „geestelijk" genomen worden ?
Antwoord : Toen de wet der zwaartekracht „ontdekt" was juichte men, dat nu het geloof der christenen „naar de maan" was. En het oude, platvloersche Modernisme — zoo heel „wetenschappelijk" zijnde — meende dat de hemelvaart nu wel afgeschreven kon worden. Op Hemelvaartsdag wilde men niet meer preeken (Domela Nieuwenhuis b.v.).
De Heilige Schrift leert ons, dat Gods Zoon vleesch en bloed heeft aangenomen uit de maagd Maria. De vleeschwording des Woords. Met ziel en lichaam is Hij zoo de broederen gelijk — uitgenomen de zonde. Niet alleen met een ziel, ook niet alleen met een lichaam, maar met ziel èn lichaam. Zoo is Hij gestorven, begraven — en aan den morgen van den derden dag opgestaan en met een aanvankelijk verheerlijkt lichaam (waarvan de voorteekenen reeds gezien waren op den berg der verheerlijking) is Hij nog 40 dagen hier op aarde geweest en is; daarna lichamelijk en zichtbaar voor het oog Zijner jongeren naar den hemel gevaren. Engelen zeggen het bovendien, dat de Heere Jezus opgenomen is in den hemel (Hand. 1 vers 11). En Petrus getuigt er van, dat „de hemel Hem moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen" (Hand. 3 vers 21). Wat is het dus een onbeholpen uitvlucht, als men zegt: degenen die Hem hebben zien opvaren, hebben niet gezien waar Hij gebleven is; ze hebben alleen gezien dat een wolk Hem wegnam, en dus weten wij niet waar Hij gebleven is ; het is volstrekt niet zeker, dat Hij in den hemel opgenomen is. Wat een kinderachtige en onnoozele redeneering. Engelen en Apostelen hebben bevestigd, wat ook de Heiland te voren gezegd heeft, dat Hij zou henengaan naar den Vader, dat Hij daar boven plaats zou bereiden voor de Zijnen, opdat zij straks ook zouden zijn waar Hij nu is. (Joh. 14 : 2 en 3).
Of de Heiland niet meer dan 6000 jaar noodig heeft om met Zijn lichaam op te stijgen ? Wat een laffe uitvlucht zit weer in zoo'n vraag. Heeft Paulus 6000 jaar noodig gehad om opgetrokken te worden in den derden hemel ? Maar bovendien : wat doet hier de wet der zwaartekracht bij dit goddelijk heerlijk wonder, waarvan de Gemeente van Christus de heerlijke verzekering heeft, dat haar Hoofd in den hemel is, terwijl de leden Zijns lichaams (voor een gedeelte) nog op aarde zijn ? Benadert men deze dingen dan als een zaak van ons verstand, van onze rekensom. en onze maatstaf ? Is de vleeschwording des Woords dan een gewoon natuurlijk gebeuren en staan we bij dood en opstanding van den Heiland dan bij een gewoon natuurproces ?
Laten wij in deze onze onwankelbare belijdenis vasthouden. En zeker moet door ons geboorte, dood, opstanding, hemelvaart „geestelijk" verstaan worden als „geestelijke" menschen. Maar dat geestelijke van de kinderen Gods cijfert het „lichamelijke" van den Heiland niet weg, óók niet in Zijn hemelvaart. De heerlijke belijdenis van Christus' Kerk is de lichamelijke opstanding en de lichamelijke hemelvaart — zichtbaar voor het oog Zijner jongeren — gelijk we belijden mogen, dat we nu „ons vleesch" in den hemel hebben. Hij het Hoofd en wij, door Gods genade, Zijn leden, wanneer we Hem door den Geest hebben leeren kennen en Hem zijn ingelijfd.
Of wij dan alles van die geboorte, van die opstanding, van die hemelvaart verstaan en doorgronden en verklaren kunnen ?
De verborgenheid der godzaligheid is groot: God geopenbaard in het vleesch.
Een goddelijk en heilig en heerlijk Mysterie. Maar een Mysterie, dat Goddelijke werkelijkheid is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's