De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

9 minuten leestijd

In den Heidelb. Catechismus wordt in het stuk der voldoening aan. Gods gerechtigheid een enkele keer gesproken van betalen. Herhaaldelijk geschiedt dat in de vijfde Zondagsafdeeling.
God wil, zoo luidt het antwoord' op de twaalfde vraag, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede, daarom moeten we aan haar of door ons zelf of door een ander volkomen betalen.
Als iets later gevraagd wordt, waarom de Middelaar een waarachtig en rechtvaardig mensch moet zijn, zegt het antwoord: omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menschelijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde en dat een mensch, zelf zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen.
Deze uitdrukking, aan Gods gerechtigheid voor de zonde betalen, is als zoodanig niet aan de Schrift ontleend. Zij wordt in de Schrift alleen bij wijze van vergelijking gebruikt. In het bizonder moet hier gedacht worden aan de gelijkenis van den onbarmhartigen dienstknecht (Matth. 18) en aan de gelijkenis van de twee schuldenaars (Lukas 7), waar Jezus de schuld, die men jegens God en den naaste heeft, vergelijkt bij een geldschuld, waarvan' men de betaling kan eischen of kwijtschelden.
Ook mag hier gedacht worden aan de uitdrukking rantsoen of losprijs, die gedurig wordt gebruikt van de overgave van Jezus' leven in den dood, welke uitdrukking eveneens is ontleend aan het gebruik in het toenmalige leven, om door een geldsom iemand uit gevangenschap of ballingschap los te koopen. Maar dat ook hier weer vergelijkender wijze wordt gesproken, blijkt daaruit, dat de apostel zich haast om te zeggen, dat Christus de Zijnen niet gekocht heeft met goud of zilver, maar met Zijn dierbaar bloed.
Tegen het gebruik van het woord betalen, om den weg der verzoening, den weg van de handhaving des rechts, aan te duiden, gelijk de Catechismus doet, is geen bezwaar, als men maar immer bedenkt, dat slechts bij wijze van vergelijking zoo wordt gesproken. Een zekere voorzichtigheid is echter gewenscht, wijl de Roomsche Kerk ons leert, dat hier gevaren dreigen en die nauw daarmede samenhangen, dat men vergeet met een gelijkenis te doen te hebben. Een vergelijking tusschen twee geheel andersoortige levensgebieden wischt het verschil niet uit. Waar dat gebeurt, zooals bij Rome, is er niet slechts gelijkenis, maar mag van gelijkheid gesproken worden.
De leer van de overtollige goede werken bij Rome, is de meesten onzer niet geheel onbekend. De heiligen hebben gedaan boven hetgeen zij verplicht waren te doen. Deze overtollige goede werken hadden zij voor hun eigen zaligheid niet noodig. Zij hebben ze als een erfenis aan de Kerk gelaten, die daarin een fonds heeft, waaruit zij putten kan om anderen te helpen.
Het gaat in dit verband niet over de vraag, of het mogelijk is om meer te doen dan God vraagt. Het gaat ook niet over de toerekening van deze goede werken aan anderen, dan die ze gedaan hebben. Het hoofdbezwaar ligt thans hier, dat die goede werken evenals een geldsom gedacht worden een zekere op zich zelf staande kwantiteit te zijn. Zooals Rome de genade als een op zich zelf bestaande grootheid beschouwt, die als zoodanig aan een mensch meegedeeld en in hem ingestort wordt, zoo oordeelt zij ook over de goede werken. Het betalen aan Gods gerechtigheid krijgt daardoor den zin van een overleggen van datgene, wat men schuldig was, in den vorm van een bepaald op zich zelf staand goed, dat voor Gods aangezicht wordt neergeteld, zooals men een geldsom neertelt.
Door deze gedachte wordt den eigen aard van het religieuze leven geweid aangedaan. Men komt dan als van zelf weer op de lijn der heidenen, die meenen, dat God het onze noodig heeft en verrijkt wordt door onze offergaven, iets, waartegen de profeet in Psalm 50 zoo heftig toornt, wijl Hij, de algenoegzame in zich zelf, van menschenhanden niet gediend wordt als iets behoevende.
Als in den weg der verzoening de gerechtigheid haar loop heeft en de schuld wordt gedelgd, blijven op op ethisch-religleus terrein, waar het goede en het kwade nimmer als op zich zelf bestaande kwantiteiten gedacht kunnen worden, maar altijd gezien moeten worden als het goed en het kwaad, door den mensch bedreven en gedaan, waarvoor die mensch verantwoordelijk blijft. Daarom wordt die mensch door God in het gericht gesteld.
Van hieruit valt er licht op de waarheid, dat er een Verlosser wordt gegeven en niet maar een verlossing zonder meer.
Bij een geldstuk komt het er op laan, dat het geld, dat men schuldig is, op de een of andere wijze verkregen wordt. Voor den schuldeischer is het een onverschillige zaak, waar de schuldenaar het vandaan haalt. Als dat geld er komt, is de zaak in orde. Zoo is het echter niet bij den mensch, die schuldenaar is voor God. Hier gaat het niet om het gemis van een onpersoonlijke grootheid, die men gerechtigheid kan noemen, zoodat, als die op zich zelf staande grootheid er maar is en voor Gods aangezicht wordt neergeteld, de zaak in orde is. Het gaat hier niet om dingen of zaken. Schuld en gerechtigheid zijn geen op zich zelf staande grootheden, zooals de goede werken der heiligen in de Roomsche Kerk, die men kan neertellen en opsommen, een voor een. Het gaat hier om God en mensch in hun wederzijdsche betrekking. De gerechtigheid Gods is daarom niet anders dan .de rechtvaardige Rechter van hemel en aarde, eischende Zijn recht, en de schuld des menschen wijst ons altijd weer heen naar den schuldigen mensch, die vrijwillig en moedwillig gezondigd heeft tegen den hoogen God en daarom het oordeel moet dragen, dat hij verdiend heeft.
Juist, wijl het niet gaat om op zich zelf staande dingen en zaken, maar om den mensch, den geheelen mensch, .daarom heeft de Zoon van God de menschelijke natuur aangenomen en is ons in alle dingen gelijk geworden, Opdat het recht der wet aan Hem vervuld zou worden en Hij de straf zou dragen, die ons den vrede biedt. De verlossing is geen onpersoonlijke gebeurtenis, of hoe men het noemen wil, maar is gegrond in den persoon en het werk van den Verlosser. Daarom worden wij gerechtvaardigd uit Zijne genade door de verlossing, .die in Christus Jezus is.
Dit maakt, dat de verlossing zoo veelzijdig is en dat de rechtvaardigmaking van den zondaar in het evangelie op zoo volkomen grondslag rust, want de Verlosser heeft niet alleen het oordeel gedragen en den vloek weggenomen, maar Hij heeft de wet des Heeren, den mensch gesteld, volkomen vervuld en daardoor een eeuwige gerechtigheid aangebracht.
Sprekende van den objectieven grondslag der rechtvaardigmaking, mag die laatste zijde zeker niet uit het oog worden verloren. Zonder haar zou de rechtvaardigmaking beperkt blijven tot de vrijspraak van het oordeel, tot de vergeving der zonden, maar door de borggerechtigheid van den Middelaar wordt van den gerechtvaardigden zondaar niet meer geëlscht dat hij na de vergeving der zonden door goede werken zich zelf den Ingang in de heerlijkheid waardig make, zooals ongeveer .de voorstelling van Rome en alle semipelagianen is. Immers in die borggerechtigheid heeft de christen alles, wat van den mensch geeischt kan worden, zoodat de apostel kan zeggen: volmaakt in Hem.
Voordat deze zijide van de verlossing, die in Jezus Christus is, worde uiteengezet, willen wij nog een oogenblik met nadruk naar voren brengen, dat de noodzakelijkheid van den Verlosser voor onze rechtvaardigmaking van groote beteekenis is voor bet leven des geloofs.
Wat wij noodig hebben als antwoord op de vraag der ziel: hoe word ik weder rechtvaardlg voor God, is meer dan verzoening en gerechtigheid ; het is bovenal .de kennis van den Verlosser zelf, van Wien de genadegoederen niet kunnen worden afgescheiden.
Als wij door het geloof worden gerechtvaardigd, dan is dat door het geloof in Christus Jezus. De gemeenschap des geloofs met Christus geeft alleen gemeenschap aan .de verzoening en de gerechtigheid, die in Hem zijn.
Hier ligt een ernstige waarschuwing voor hen, die voor hun behoudenis niet anders dan dingen en zaken zoeken ter vervulling van hun gebrek. Men kan deze dingen en zaken omvormen tot gebeurtenissen en bevindingen, maar zonder de ken.nis van den levenden Christus zijn zij allen ij.del. Wij mogen de verlossing, die in Christus is, dus niet tot een middel maken tot rechtvaardigheid en behoudenis, zooals een brug het middel is om van den eenen oever tot den anderen .te komen, maar daarna laten we de brug als een dood middel achter ons. Wij zijn dan, waar we wezen willen en hebben de brug niet meer noodlg. Het gaat in de verlossing en in onze rechtvaardigmaking niet om een dood middel en niet om doode dingen, maar om den levenden Heiland, met wien wij voor eeuwig door het geloof .dienen vereenigd te zijn Zonder de geloovige omhelzing van den Christus, als ons van den Vader tot een Borg en Middelaar gegeven, is er van een rechtvaardigmaking voor de vierschaar éer consciëntie geen sprake. Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus. Het wil zeggen : wij dan door het geloof in Christus Jezus, die onze gerechtigheid is, hebben vrede bij God.

Aantekening
De breuk  van de hervorming met de Roomsche leer beteekent ook een  breuk
met de scholastiek, die in de Roomsche theologie tot opperheerschappij was gekomen. De terugkeer tot de Schrift en een Schriftuurlijke behandeling der aan de orde zijnde vragen beteekende, dat men den wijsgeer Aristoteles zijn afscheid geeft. In die behandeling van de theologische vragen mag deze heidtensche wijsgeer niet de leiding hebben. Luther drukte dit dus uit, dat Arlstoteles nooit iets van die beteekenis van het bruis van Christus heeft verstaan en zijn wijsbegeerte daarom ongeschikt is voor het verstaan van het evangelie des kruises.
Toch zien we bij de hervormers telkens sporen van een scholastleke behandeling. Ook in deze vijfde Zondagsafdeeling is dat het geval. Op de twaalfde vraag, of er een middel is om aam de straf te ontgaan en weder tot genade te komen, zou bij een Schriftuurlijke behandeling -onmiddellijk zijn heengewezen naar den Middelaar, ons in het evangelie geopenbaard, om daarna den rijkdom der verlossing in Hem te ontvouwen.
Zulk een behandeling geeft geen anderen inhoud dan er nu staat, maar volgt een anderen weg om de goddelijke waarheid uiteen te zetten. Door de thans gevolgde redeneeringswijze laadt de Catechismus den schijn op zich, alsof de mensch door zijn redelijk inzicht en godsdienstig besef kan verstaan, wat hij noodig heeft tot zijn verlossing. Dat is toch eigenlijk de gedachte van een Aristotelische overheersching der theoloigie, en daarom raakt de latere gereformeerde theologie, die - opnieuw in de strikken der scholastiek is gevangen, machteloos tegenover het opkomend, rationalisme, vrucht van de nieuwere wijsbegeerte.
Natuurlijk hebben de opstellers van den Catechismus geen oogenbllk gedacht de waarheid uit zich zelf te kunnen uitspinnen. Wat den inhoud betreft, terugkeerende tot de Schrift, hebben zij echter den vorm der redeneering in deze Zondagsafdeeling van de scholastiek overgenomen.


Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's