De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE REFORMATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE REFORMATIE

IN DE CLASSIS NEDER-VELUWE VAN 1593 — 1620

8 minuten leestijd

13. ERMELO.
De beschrijving van het kerkgebouw, dat reeds in het jaar 1006 wordt genoemd, is te vinden in de voorloopige lijst van Ned. Monumenten, blz. 80 en 81, en mogelijk vindt men ook nog iets in Ned. Arch. Kerkgeschiedenis 1852. Met de Reformatie werd in 1592 Ermelo Ingedeeld bij de Classis Neder-Veluwe. Oudtijds heette het dorp Armel, Ermel of Ermelen. De beteekenis der dorpsnamen is te vinden bij P. Nijhoff, Bijdragen V.
In 1592 stond te Ermelo als pastoor Georgius de Cota, ook wel Coeth, van Coot (en) geheeten. Tegen 4 Juli 1592 opgeroepen om onderzocht te worden naar zijn kennis en gezindheid, werd hij gelijk alle andere pastoors onvoldoende onderlegd bevonden, doch met dit verschil, dat hij en de pastoor van Nunspeet de reformatorische artikelen (zie Waarheidsvriend no. 15, 16 en 17) onderteekende.
Zoo had het dus allen schijn, dat Ermelo, althans de pastoor, voor de Reformatie was gewonnen.
Op de vergadering te Oldebroek den 14 en 15 November gehouden ontbrak hij : „die van Armel heeft sich deur een missive ontschuldicht, dat hy den 14 Novembris syns Scholtensz kindt doopen ende ook heuen moste". Doopen en trouwen belette hem dus het bezoeken der vergadering, welk verzuim steeds nauwkeurig werd onderzocht, vooral wanneer men iemand niet vertrouwde, gelijk zulks met de Coot bijna steeds het geval was.
In 1593 is de Synode van 25—29 September te Arnhem bijeen, alwaar deze besluit, nu de Coot reeds ten tweeden male „een nederslach gedaen heeft" en nochtans den dienst te Ermelo waarneemt, men zijn zaak bij het Hof van Gelderland zal aanhangig maken, ten einde zijn afzetting te bewerkstelligen. Uit dat jaar zijn er geen Classicale acten, en ook in 1594 lezen wij niets van hem. Het meest waarschijnlijk is dat hij provisioneel geschorst is.
In 1595 dringt de Synode te Harderwijk den 15 Juli vergaderd op zijn afzetting aan, hetgeen echter niet doorgaat, en zoo zien wij hem 2 Juni 1596 als afgevaardigde van Ermelo op de Classicale vergadering te Harderwijk.
Tot nog toe was hij nog niet erkend als een lid van de Classis, hoewel hij reeds lang de hervorming was toegedaan, en de vergaderingen bijwoonde. Derhalve besloten de broeders, daar hij beloofde zijn leven te zullen beteren, hem als lid van de Classis aan 'te nemen, echter op conditie van een proeftijd, en onder voorbehoud van Synodale goedkeuring; én daar hij des Heeren Heilig Avondmaal nog niet gebruikt had, werd hem opgedragen dat waar te nemen in de naastbij gelegen plaats. Tenslotte besloot de Classis om aan het Hof te verzoeken of dit maatregelen wilde nemen, dat de altaren die nog op vele plaatsen stonden, werden weggeruimd, inzonderheid te Ermelo, alwaar de Schout de Overheidsplaccaten dienaangaande niet had laten voorlezen noch had aangeslagen, en zich ook niet bereid had verklaard dit te willen doen, tenzij de Overheid hem dit alsnog schriftelijk opdroeg. Kort daarop verschenen er eenige metselaars, door het Hof gezonden, die overal de laatste sporen van Roomsche practijken opruimde.
Zoo was dan George van Coot door de Classis gehandhaafd, maar een week later oordeelde de Synode, dat hij niet voor een wettig dienaar kon aangenomen worden. Derhalve moest het Hof er weer in gemoeid worden, doch de broeders begrepen, dat dit niet gemakkelijk ging, evenmin als in 1593, en te moeilijker zou het zijn, daar de pastoor zeide de Reformatie te zijn toegedaan. Zoo was het immers ook met die van Oosterwolde gegaan, die ook gehandhaafd is. Indien dan het Hof hem niet wilde afzetten, dan moesten de Classicale broeders van Neder-Veluwe op het stichtelijkste met hem handelen.
Het bleek echter, dat men den ouden pastoor van Ermelo niet in een predikant kon veranderen. Op de vergaderingen verscheen hij niet, en de Classis vertrouwde hem niet. Derhalve droeg de Synode van Nijmegen den 24 Mei 1597 aan Johannes Plookenius, predikant en procureur in kerkelijke zaken, op om bij het Hof tegen de Coot te procedeeren. Dit besluit werd 13 Juni 1598 nog eens herhaald. Alles echter zonder resultaat. In 1599 kwam zijn zaak weer in de Synode, waar met klem werd aangedrongen op zijn afzetting en intrekking van zijn salaris, daar hij een moordenaar en kroeghouder was, die bovendien in allerlei opzichten onordelijk leefde.
Een week later vergaderde de Classis, te weten 18 Juli, alwaar de zaak Ermelo wederom ter sprake kwam. De procureur Plockenius was op reis gegaan, en nu besloot de Classis om aan de Synode voor te stellen een ander te benoemen om te procedeeren, daar er toch eens een eind aan komen moest. Welnu, dat kwam ook spoedig, want de Classis zette er eenvoudig een predikant naast, te weten Wimarus Stipelius. De kerk van Harderwijk had hiertoe alles in het werk gesteld en de Classis, den 15 April 1600 te Epe bijeen, keurde het beroep goed. De predikant, gevraagd naar den staat der kerk, deelde mede dat de lieden wel ter kerke kwamen, doch dat velen des Zondags naar Harderwijk gingen om te koopen en te verkoopen, en voorts dat het noodig was te Ermelo een school op te richten. Ten slotte wat men doen zal met George de Koot, die, hoewel inmiddels afgezet, nog voortgaat met doopen en trouwen in de huizen, zonder zich te vergewissen of de geboden gedaan zijn, terwijl de een nog wel uit een ander „kerspel" kwam. Ja, het ergste van de zaak was dit, dat de afgezette pastoor de pastorie bleef bewonen en die niet wilde ontruimen. Derhalve kwam de zaak in de Synode, alwaar ds. Stipelius de helpende hand verzocht, opdat hij de inkomsten der pastoriegoederen zou verkrijgen alsmede „een woonplatze bij zijner kercken". Deze zaak werd verwezen naar het kwartier van Arnhem. Een en ander gaf langen tijd aanleiding tot onverkwikkelijke moeilijkheden, gelijk blijkt uit de Classicale acta van 1601, als volgt: „Also het Classis verstaet, so van den dienaer tot Ermell als genachburde dienaeren desselven kerspels, datt die lieden haer beklaegen, sender eenige aenwijsingh deswegens ter salicheit. als beesten sterven", waartegen de dienaar protesteert en ten opzichte waarvan hij zijn consciëntie wil vrijwaren, omdat hem in zijn dorp de woning wordt benomen, waardoor zulke toestanden ontstaan ; alsook dat de Schout hem dikwijls het prediken belet, en de pastorie niet ter eere Gods en ter zaligheid der menschen wordt gebruikt, maar integendeel als kroeg is ingericht, waarin tijdens de predikatie getapt wordt, en dat tegen het bevel der Heeren van het Landschap, zoodat de kerkgangers tot drinken worden verleid, zoo is het, dat de broeders bidden, dat de Synode met alle vlijt zorg drage om zulke zonden weg te nemen".
In 1602 werd er wederom op aangedrongen dat de predikant bij de kerk moest wonen. Door al deze moeilijkheden besloot de Classis een eventueel verzoek om te mogen vertrekken, niet van de hand te wijzen. De Synode stond hem toe met Pinksteren (1601) te Apeldoorn te prediken, mits hij in den dienst te Ermelo liet voorzien, doch hij mocht voor ditmaal aldaar het H. Avondmaal niet bedienen.
In 1602 hield hij de Classicale preek te Nijkerk, waar hij de opmerking te hooren kreeg, zich naar zijn gehoor te moeten keeren en niet zoo vlug te spreken. Het volgend jaar werd hij benoemd tot legerpredikant, daar ds. van Mehen van Harderwijk dit niet kon waarnemen wegens het overlijden van zijn collega Wirtzfeldius. Tot 1604 ontmoeten wij ds. Stipelius, en wel voor 't laatst in April op de vergadering te Heerde. Daar komt, evenals reeds vroeger, de reparatie van de pastorie ter sprake, dat later een bron van ergernis wordt.
In 1605 (April) blijkt Ermelo vacant te zijn. Of ds Stipelius is vertrokken, dan wel gestorven, is uit het actaboek niet op te maken. Jonker Paul van Arnhem deed een beroep op de ijver van de Classis om voor Ermelo, waar nog geen kerkeraad was ingesteld, een predikant te zoeken. De gemeente van Ermelo begeerde ds. Jacobus Medenbach van Garderen, die zich aan die gemeente op contract voor zes jaren had verbonden. Men betaalde hem echter zijn tractement niet uit, en zoodoende wenschte ds. J. Medenbach te veranderen van standplaats. De Classis benoemde een Commissie van twee predikanten, n.l. die van Nijkerk en Voorthuizen, om de zaak te onderzoeken, zoodra ds. Medenbach van zijn ziekte genezen zou zijn. Indien de Ambtsjonkers van Barneveld hem geen behoorlijk onderhoud wilden garandeeren, zou hij overgeplaatst worden naar Ermelo. Het blijkt ons dan in 1606, dat dit is geschied, doch de Classis maakte aanmerking op zijn onvoorzichtigheid, daar het Hof nog geen approbatie had verleend en dus zijn tractement niet verzekerd was. Er hebben zich echter dienaangaande geen moeilijkheden voorgedaan. In 1607 bleef hij zonder kennisgeving thuis van de vergadering, waarover hij gecensureerd werd, doch toen hij later te kennen gaf, dat de ziekte van zijn vrouw de oorzaak was, bepaalde de Classis, dat ieder verplicht was bij eventueele wettige verhindering, daarvan schriftelijk kennis te geven. Ook daaraan heeft hij zich niet altoos gehouden.
In 1612 was de pastorie bijna onbewoonbaar. Herhaaldelijk had de predikant aangedrongen om de pastorie te laten repareeren. Niets mocht baten. De predikant werd het zat, en trok er uit, verliet het dorp en vestigde zich ergens in de bosschen van Staverden. Dit wekte te Ermelo groote ergernis en opspraak en bracht veel ongerief te weeg. De kerkeraad van Harderwijk werd er in gemoeid, om den Schout te verzoeken „opdat die weehm tot Ermel gerepariert" en bewoonbaar gemaakt worde, „ende Jacobus so haest sulcks geschiedt is, hem bij sijn kerck ende wooninge sal wederom vervoegen".
Ook dit is weer terecht gekomen, en de gemeente heeft tot in drie geslachten een dominee Medenbach tot predikant gehad.
(Wordt vervolgd).
Vaassen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE REFORMATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's