De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

7 minuten leestijd

En na acht dagen waren Zijne discipelen wederom binnen, en Thomas met hen ; en Jezus kwam, als de deuren gesloten waren, en stond in het midden en zeide : Vrede zij ulieden ! Daarna zeide Hij tot Thomas : Breng uwen vinger hier, en zie Mijne handen, en breng uwe hand, en steek ze in Mijne zijde ; en zijt niet ongeloovig, maar geloovig. En Thomas antwoordde en zeide tot Hem : Mijn Heere en mijn God ! Johannes 20 vers 26—28.

Waarom, weten wij niet, maar Thomas was niet in de kring der jongeren, als de Heere Jezus aan hen Zich komt te openbaren. Wat heeft hij daardoor veel gemist! Nu zit hij nog in de somberheid en droefheid, dan zou hij geweest zijn in blijdschap, wetende : „de Heere is waarlijk opgestaan".
Hoe komt ook hier de liefde des Heilands voor Zijne jongeren heerlijk aan den dag. Had de Heere Jezus niet kunnen zeggen : Ik ben de jon^geren verschenen, Thomas heeft zich onttrokken, het is alles zijn eigen schuld. Maar niets daarvan. De Heere zal waar maken : „allen, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard". Ook Thomas zal de Heere Jezus uit zijn ongeloovigheid bevrijden en weder stellen in de vastheid des geloofs.
Niets houdt dan den Heere tegen. Ook gesloten deuren zijn Hem geen moeilijkheid om Zijn doel te bereiken. Het stoffelijke is geheel aan het geestelijke onderworpen. Het stoffelijke is er juist om het geestelijke te dienen. Mag eerst gedacht worden aan een geest, lettende op de gesloten deuren en het wonderlijke van toet binnen komen, daarna zal het alles medewerken ten goede en daardoor des te zekerder u de overtuiging geven van de Godheid der verschijning. Bovendien heeft Thomas Jezus met zijn eigen oogen gezien en met zijne ooren de voor hem zoo bekende stem van Jezus gehoord. Gelijk Maria Magdalena bij het graf des Heeren door de stem van Jezus tot de wetenschap wordt gebracht, dat de Heere Jezus Zelf daar bij haar staat, zoo heeft hier ook Thomas alles dat hem op de goede weg kan brengen.
Zal ook het optreden van den Heiland, daar Hij hier handelde naar Zijne gewoonte, niet grootelijks medegewerkt hebben ten goede voor Thomas ?
Hij spreekt de vredegroet uit. Deze woorden van den Heiland, tot u gesproken, zijn meer dan een groet of wensen. Zij zijn een daad voor uw hart, o mensch. „God spreekt en het is er ; Hij gebiedt en het staat er". Dat geldt altijd, dus ook nu. Daardoor ontvingen die mannen vrede in hunne zielen, toen Jezus die woorden sprak. Het was olie op de onrustige baren hunner harten. Uit de benauwdheid brengen die woorden u in de ruimte, van de droefheid tot de blijdschap. Zij houden in het geheele doel van de komst des Heilands op aarde. Wie die vrede mag kennen in zijn ziel, is de rijkste mensch op aarde ; die zal ervaren, dat de rijkdommen op aarde niet in de schaduw zelfs staan kunnen van die rijkdom van Gods kind, in Christus Jezus hem geworden. Die mensch kent dat branden van zijn genegenheên om 's Heeren voorhof in te treên ; die kent dat bezwijken van zijn ziel louter uit sterk verlangen naar de volheid der zaligheid; die verstaat dat strijden voor Gods eer, maar ook het nederknielen in aanbidding voor Gods heerlijkheid en majesteit.
Aanmerkt nu die teedere liefde van Christus voor Zijn schaapsken. Hij is gekomen om dat twijfelende en daardoor dwalende schaap weder terecht te brengen. Hij kent het karakter van dat schaap. Hij behandelt hem geheel naar hij noodig heeft.
Alleen zal ik gelooven op zien en betasten, had Thomas gezegd. Het was niet goed geweest, dat hij geweigerd! had aan te nemen wat zijne medebroederen hem mededeelden. Heeft hij het misschien gezegd om te kunnen volharden in zijn overtuiging : Jezus is dood ? Dan vangt hem de Heere Jezus in de vesting, waarin hij zich zelf heeft opgesloten. Want Christus komt tot hem en houdt hem zijn - eigene woorden voor, en laat hem zien en geeft hem - gelegenheid te tasten met zijn hand. Nu heeft de Heere Jezus hem in 't nauw gedreven. Hij moet zich overgeven ; hij kan niet meer ontkomen. Zal de satan nog hope gehad hebben Thomas aan zijn zijde te zien, thans moet de satan in Thomas ondervinden, dat Christus de Sterkere is, Die de sterke gevangen neemt en hem zijne vaten ontrooft.
Want ais de Heere overkomt met Zijn Woord en Geest, dan moet de mensch van het dwaalspoor afgaan en terecht komen in het spoor der gerechtigheid Gods. Thomas moet zich nu gewonnen geven. Thomas moet nu zijne ongeloovigheid vaarwel zeggen. Thomas moet nu zich geheel over geven aan den Christus. Zalig, overwonnen worden - door Gods machtige, onweerstaanbare Geest! Wie dat ervaart, zal de dag en het uur opteekenen, waarin zulk een taak hem geworden is. Zulk een mensch heeft de eeuwigheid noodig om God naar waarde te danken. Zulk een mensch weet geen woorden te vinden, om den Christus' in Zijne liefde naar waarheid uit te beelden.
O, mijn lezer(es) !  dat gij maar zulk een zalig overwonnen worden in Christus moogt kennen ! Is dat nog niet uw deel; God geve u er om te bidden en biddende uit te zien naar dat zalige oogenblik.
Hoort gij wel de terechtbrengende woorden van den Heiland tot Thomas ? „Zijt niet ongeloovig, maar geloovig !" De liefde straalt uit die woorden. Het hart van den Heiland legt zich in die woorden - geheel bloot: „Ik ben niet gekomen om te veroordeelen, maar om te behouden".
De Heiland maant door die woorden af van de weg der dwaling, die tot het verderf leidt; en maant aan te wandelen op het pad des behouds, dat tot zaligheid voert.
Ach ! dat die woorden tot u mogen klinken uit 's Heilands mond door Zijn Geest gedrukt in uw hart, opdat gij opschrikt uit uw eigengemaakte meening en u moet gewonnen geven om geleid te worden tot de wil des Heeren en te komen tot de kinderlijke afhankelijkheid.
„Leer mij naar Uw wil te hand'len, 'k Zal dan in Uw waarheid wandelen ; Neig mijn hart en voeg het zaam, Tot de vreez van Uwen naam".
En hoe zulk een kind des Heeren is? Hij is overtuigd, hij is geheel gewonnen voor de Heere Gods. Zijne belijdenis zal zijn : „Mijn Heere en mijn God". Hij zal den Heere Jezus erkennen als de Zone Gods, als God Zélf. Zijne goddelijke macht heeft hij in zich ervaren. Zijne goddelijke majesteit heeft hij gezien in het werk aan hem verricht. Bij zulkeen is de vastheid in de overtuiging en daardoor de juistheid in de belijdenis aangaande den Drieëenigen God. Maar ook zal hij weten, dat Jezus zijn Heer is. Hoe heeft hij zijne nietswaardigheid., zijne verlorenheid leeren kennen ; hoe heeft hij de grootheid Gods gezien met het oog des geloofs. Hij heeft geleerd de dood op zich zelf te schrijven en het leven te vinden alleen in Christus. Wat - een kostelijke zaak in den weg van Gods genade: zich - geborgen te weten in Christus ; te verstaan, dat Christus is de Rots der eeuwen. Hij kan met den dichter zeggen : „zoo zult Gij zijn voor mijn - gemoed, mijn Rots, mijn Deel, mijn eeuwig goed-."
Ja, mijn lezer(-es) ! Daar moet het heen met ons allen, zal het wel wezen voor tijd en eeuwigheid. De belijdenis van Thomas moet de onze wezen. Zoolang het aldus niet is, staat het niet wel met u. Als gij nog in zelfgenoegzaamheid het leven doorgaat; of als gij misschien als een door onweder voortgedrevene gevonden wordt; het is niet veilig voor u. Want de dood wenkt ieder uur en wee u ! als uw uurtje slaat en gij niet bereid zijt voor die nooit meer eindigende eeuwigheid. Daarom bidden wij u toe, dat gij leert kennen de groote levensvraag : „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal ? " Ziet, dan zal de Heere u op de knieën bij Christus leeren de belijdenis, waarin uw behoudenis ligt; de belijdenis, waarin gij ook uwe zielsvreugde zult ontmoeten, omdat - gij er uw vrede in zult vinden; namelijk de belijdenis van Thomas, gered uit alle twijfel en ongeloovigheid, „Mijn Heere en mijn God".
H.
G. J. K.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's