UIT DE AFDEELINGEN
KAMPEN. Woensdag 10 April vergaderde de afdeeling van den Gereformeerden Bond in het Broederhuis. Deze vergadering stond onder leiding van den voorzitter, ds. Wesseldijk, welke liet zingen Psalm 119 : 3 en opende met gebed, vervolgens voorlas Psalm 64 en naar aanleiding hiervan een openingsrede hield.
Hierna kreeg de heer A. Scholten het woord voor zijn inleiding „De Gezangenkwestie". Wegens te korte voorbereiding kon spreker dit onderwerp maar oppervlakkig beschouwen. Het niet of wel zingen van de Gezangen mag nooit zoo gezien worden, alsof men dan voor of tegen de waarheid is. Wij moeten kunnen verdragen, dat binnen het raam der belijdenis onze naaste de dingen anders ziet dan wij. Spreker stelt de vraag : hoe is onze waardeschatting der Psalmen ? Deze vraag is belangrijk, want hoe hooger wij de Psalmen aanslaan - des te minder behoefte hebben wij aan Gezangen, en hoe grooter onze critiek op de Psamen is, des te harder roepen wij om Gezangen. Bij ons bestaat alleen critiek op de vorm, stijl en taal en toonzettinig der Psalmen, doch bij de modernen geschiedt dit op den inhoud. De critiek, dat bijna geen lied in de Psalmenbundel gevonden wordt, die de Kerk op haar hoogtijdagen zingen kan, is ten eenenmale geheel onjuist. Hierop antwoordt spreker, dat weliswaar Christus in het Oude Testament in windselen verscholen ligt en in het Nieuwe Testament te voorschijn treedt, nochtans iedere Psalm Messiaansch is. Gelijk een tuil rozen heel de kamer met haar geur vervuilt, zoo is heel het Oude Testament vol van Jezus Naam, . Gezangenvoorstanders beroepen zich vaak op Efeze 5 : 19 en Col. 3 : 16. Een man als Geesink zegt hiervan : Alleen Gods Woord in het Kerklied, wijl het menschenwoord, daartoe gebruikt, gevaar biedt voor de zuiverheid van het belijden, tevergeefs beroept men zich daartegen op Efeze 5 : 19 en Col. 3 : 16. Dit beroep gaat daarom niet op, wijl op deze plaatsen naar goede uitlegkunde, volstrekt niet gesproken wordt van het lied in den publieken eeredienst; het gaat daar toch niet over het Kerklied, maar over het lied in de particuliere bijeenkomsten der geloovigen.
Velen met afwijkende gevoelens hebben altijd getracht hun meenlngen in die Gezangen te doen opnemen, en zoo doende hun leer bij het vok ingang te doen vinden. In de eerste eeuwen der Kerk waren het reeds Arius en Paulus van Lamosaite, die met succes gepoogd hebben hun dwaalleer via het Kerklied te verbreiden. Hierin werden zij nagevolgd door Appolinarius en anderen.
Dat van Gereformeerde zijde altijd verzet gerezen is tegen het Gezangen zingen vloeit dit voort uit een goed beginsel : in de Kerk alleen Gods Woord.
Dit onderwerp werd met volle aandacht aangehoord. Een aangename gedachtenwisseling was hiervan het slot.
De penningmeester deelde nog mede, dat aan het Hoofdbestuur was afgedragen voor het Studiefonds ƒ 795.76. Als bizonderheid zij nog vermeld, dat het busje van broeder Roest in den loop der jaren heeft opgebracht de prachtige som van ƒ 2747.56. Voorwaar een groot stuk werk.
Na het zingen van Psalm 25 : 2 sloot de voorzitter deze laatste vergadering van dit seizoen met gebed.
De Secretaris, H. v. WINSUM.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's