De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

10 minuten leestijd

En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade door de verlossing, die in Christus Jezus is.
Juist wijl de verlossing gegrond is in den persoon en den arbeid van den Middelaar, is zij zoo veelzijdig. Daardoor spreekt de objectieve grondslag van onze rechtvaardigmaking ons niet alleen van verzoening, maar ook van gerechtigheid,  terwijl tevens de verzoening zoowel als de aangebrachte gerechtigheid geen metaphysische, bovennatuurlijke grootheden zijn, die toch eigenlijk met wat God van ons vraagt niets van doen hebben, maar integendeel geheel blijken overeen te komen met dat ethisch-religieuze leven, dat God van den aanvang af in de menschelijke natuur heeft gegrond en van den mensch heeft geeischt
Onder verzoening verstaan wij het delgen van de schuld door het dragen van de straf. De Heere heeft onze ongerechtigheden op den Borg doen aanloopen. De Borg heeft het oordeel gedragen voor onze zonden. Hij is een vloek geworden voor ons.
Onder de aangebrachte gerechtigheid verstaan we, dat de Middelaar bovendien gansch de wet heeft vervuld in onze plaats, opdat deze wetsvervulling ons ten goede zou komen en na de verzoening en de vergeving der zonde niet opnieuw van ons een volkomen onderhouding der wet gevraagd zou worden ter zaligheid. Want dan was het nog verloren. Dien, die geen zonde gekend heeft, heeft God  tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. (2 Corinthe 5 vers 21). Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch velen tot zondaars gesteld zijn gewonden, alzoo zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen tot rechtvaardigen gesteld worden. (Rom. 5 vers 21).
Oudtijds was men gewoon deze onderscheidlng weer te geven door te spreken van C'hristus' lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid. Tegen deze uitdrukking kan echter terecht bezwaar worden ingebracht, wijl gehoorzaamheid toch altijd dadelijk is. Het begrip gehoorzaamheid sluit dat in zich. Beter is het daarom te spreken van Chrlstus' lijden en gehoorzaamheid, zooals de Heidelb. Catechismus in het antwoord op vraag 79 ook doet. Alleen moet er dan voor gewaarschuwd worden, dat men deze beide niet van elkander scheiden mag, wijl de gehoorzaamheid juist in het lijden volbracht is. Hij heeft gehoorzaamheid geleerd, uit hetgeen Hij heeft geleden.
Doordat de verzoening in den persoon van den Middelaar gegrond ligt, wordt ons veel klaar, wat anders bezwaren zou wekken, Immers de vraag komt menigmaal op, op welke wijze onze schuldenlast op den Borg gelegd is.
In de eerste plaats is het hier weer van beteekenis onze schuldenlast niet te zien als een op zichzelf staande metaphysische grootheid, maar als schuld in ethisch-relligieuzen zin. Dat onze zonden gelegd zijn op het Lam Gods wil zeggen, dat zij Hem zijn aangerekend, alsof Hij ze zelf in eigen persoon had bedreven en dat Hij daarom behandeld is, als ware Hij zelf de zondaar bij uitnemendheid.
Deze overdracht van onze zonden op Hem mag daarom in geen enkel opzicht  gedacht worden als in mechanischen zin verloopende. We mogen ons in Jezus' leven niet een bepaald oogenblik denken, waarin deze overdracht plaats vond, zooals dat in den tempel plaats had, als de handen op den kop van het offerdier werden gelegd. Door Zijn geboorte uit deze menschheid heeft Jezus niet alleen deel aan ons bloed, maar ook aan onze schuld. In het organisch verband met de menschheid aanvaardt de Middelaar tevens den vloek, onder welke zij ligt. Hij is geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. De Catechismus drukt het dus uit, dat Hij den ganschen tijd Zijns levens op aarde den toorn Gods tegen de zonde des ganschen menschelijken geslachts heeft gedragen.
In de tweede plaats moet opgemerkt worden, dat uit deze wijze van overdracht en toerekening volgt, dat onze zonden niet als telbare en weegbare grootheden mogen gezien. Wanneer wij spreken van de overdracht onzer zonden op Hem, wil dat niet zeggen, dat het aantal zonden, dat op Hem gelegd wordt, geteld kan worden. Het beduidt evenmin, dat het aantal zonden de zwaarte van het oordeel bepaalt, zooals op een weegschaal het toevoegen van een of meer van de te wegen voorwerpen het gewicht verhoogt. Een dergelijk physisch-metaphysisch verstaan der verzoening doet aan den eigen aard van het religieuze leven tekort en verkracht het. Alle bizondere zanden zijn openbaringen van de zonde, door welke de menschheid van God is afgeweken en die in haar woont als een vuile bron, die steeds stinkend water voortbrengt, die in haar werkt als een kracht, waardoor zij voortgaat zich zelf te verderven. Door Zijn menschwording krijgt de Middelaar deel aan deze zonde en staat Hij voor God, alsof Hij deze zonden in eigen persoon heeft bedreven.
Hier ligt de reden, om welke de Heidelb. Catechismus spreekt van den toorn Gods tegen de zonde van het gansche menschelijk geslacht, door den Middelaar gedragen, in navolging van de Schrift, die spreekt van het Lam Gods, dat de zonde der wereld draagt. Van beteekenis is hier ook om te letten op het enkelvoud, waarin gesproken wordt in dit verband. Het is de zonde, waaraan heel de wereld schuldig staat, de zonde, die alle menschen eigen is, de zonde van heel het menschelijk geslacht, die de Middelaar kwam verzoenen. Daarom reinigt Zijn bloed van alle zonden, wijl alle zonden in die zonde begrepen zijn.
De mate van Jezus' lijden bepaalt dus in geen enkel opzicht, aan hoeveel menschen dit lijden ten goede zal komen. Al wend het dubbel getal van hen, die thans gezaligd worden, behouden, daardoor had Zijn lijden niet zwaarder behoeven te zijn, en al werd de helft slechts gezaligd van hen, die nu behoudenis vinden, daardoor zou het werk der verlossing niet minder zijn geweest. Door Zijn strafdragen is de zonde verzoend en is de prediking van het evangelie aan alle creaturen mogelijk, wijl in de verzoening der zonde een bron is geopend, waarin ieders onreinheid kan worden afgewasschen.
Juist daarom is 't niet noodig, dat een mensch eerst wete, dat hij onder het getal der verkorenen geteld wordt, om zich op dien grond Christus te durven toeëigenen. God de Heere volgt een anderen weg. Hij laat ons hier de volkomenheid van Christus' zoenoffer prediken, volkomen om ook onze zonden te delgen, opdat wij tot deze bron vlieden en door een waar geloof met Christus vereenigd, tot kennis zouden komen van onze eeuwige verkiezing tot zaligheid.
Ons betoog zou echter niet volledig zijn, wanneer wij de volkomenheid van dit zoenoffer nog niet van een anderen kant benaderden.
Dikwijls wordt de vraag gesteld, waarom Christus' lijden niet eeuwig geweest is, wijl wij vanwege de zonde toch de eeuwige straffen hebben verdiend en Zijn lijden bedoelt om ons van het eeuwig oordeel te bevrijden.
Het stellen van deze vraag laat zien, dat men den eigen aard van het ethisch-religieuze leven niet genoeg voor oogen heeft en geneigd is, wijl dit leven zich hier in den tijd openbaart, daaraan een tijdelijke en vergankelijke beteekenis toe te kennen.
Als de mensch in het paradijs zondigt, dan verschijnt de zonde ons als in één oogenblik of in enkele oogenblikken gepleegd, maar we zouden ons toch zeer vergissen, wanneer wij daarmede de zonde tot een tijdelijk gebeuren wilden maken met tijdelijke, voorbijgaande beteekenis. Om der wille van de zonde is de mensch onder het eeuwig oordeel gelegd en zij, die zulks voor onrechtvaardig verklaren, dat de mensch om één misstap voor eeuwig verworpen wordt, houden geen rekening met den waren aard der zonde, die volstrekt niet bepaald wordt door den duur voor het bedrijven der zonde noodig.
Het karakter der zonde is zoó vreeselijk, dat zij in zich zelf voor ons iets onbegrijpelijks wordt. Want als de mensch zondigt, verheft een eindig en geheel van God afhankelijk schepsel zich tegen een almachtig, eeuwig en heilig Wezen, welks oneindige goedheid hem van alle zijden omringt. Het is niet te verklaren, wat de mensch daartoe drijft. In de zonde ligt een satanische diepte, zooals dan ook de Schrift leert, dat de satan den mensch daartoe gebracht heeft. Wie zegt, dat het niet rechtvaardig is, dat één misstap een eeuwige verlorenheid met zich brengt, ziet van deze satanische diepte der zonde niets ; hij redeneert over de zonde op een rationalistische wijze, alsof deze zich laat verklaren en wegen en meten. Daarom zuilen geen ellenlange betoogen ooit tot kennis der zonde brengen. Maar wie door God met zich in het gericht werd betrokken en in Gods licht ook de zonde kreeg te zien, valt 't oordeel Gods toe, want schoon in den tijd bedreven, wordt de aard en het gewicht der zonde in geen enkel opzicht bepaald door den tijdsduur voor het bedrijf noodig. De zonde is van zoó ingrijpenden aard, dat de mensch, door haar van God zich losrukkend, voor goed van God gescheiden is.
Voor goed wil hier zeggen, dat de mensch niet op zijn weg terugkeeren kan en niet kan herstellen, wat hij verbroken heeft. De zonde heeft den mensch in een hopelooze toestand gebracht. Alleen Gods ondoorgrondelijke genade kan hier redding brengen. En opdat niemand te verontschuldigen zou zijn, geeft de prediking der genade niet ieder mensch één oogenblik om een keuze te doen, maar wordt de mensch zijn heele leven door telkens weer voor deze keuze gesteld. Daarmede echter is de tijd der genade afgesloten. Het is den mensch gezet éénmaal, niet tweemaal, te sterven, en daarna het oordeel.
Wat nu van de zonde geldt, geldt ook van de gehoorzaamheid. Ook haar waarde en beteekenis wordt niet bepaald door den tijdsduur, voor het betoonen der ongehoorzaamheid noodig. Schoon in den tijd volbracht, draagt zij eeuwigheidswaarde in zich en leidt zij tot het eeuwige leven, zooals de zonde tot het eeuwig oordeel leidt.
Indien de mensch in het paradijs staande was gebleven zou geen eeuiwlge strijd en onafgebroken verzoeking zijn deel zijn geweest. Na den strijd zou de kroon der overwinning hem gegeven zijn. Daarom is ook van den Borg geen eeuwige strijd gevergd. Maar meer dan een oogenblik van strijd was Hem beschoren. Zijn gansche leven op aarde was voor Hem een strijdperk, opdat de feestelijkheid en de volheid van Zijn gehoorzaamheid in des te heerlijker licht verscheen.
Door deze Zijn gehoorzaamheid wordt ook de waarde van Zijn lijden bepaald. Niet de duur van het lijden verleent daaraan de kracht der ver­zoening. De losprijs mag niet berekend worden als een telbare of weegbare som, want dan zou de zonde als een aardsche omspanbare grootheid moeten gedacht worden. De gewilligheid, waarmede die Borg het oordeel onzer zonden op zich neemt, geeft dat lijden zijn verlossende beteekenis, en de gehoorzaamheid, die Hij in Zijn lijden tot openbaring brengt en die van eeuwigheidswaarde is en tot een eeuwige overwinning leidt, geeft aan dat lijden de kracht om een eeuwig oordeel teniet te doen.
Zeer duidelijk blijkt echter hieruit, dat Christus' lijden en gehoorzaamheid niet van elkander gescheiden kunnen worden en evenzeer, dat deze verlossingsarbeid niet gescheiden kan worden van Zijn persoon. Zulk een gehoorzaamheid aan den Vader, zelfs tot in den dood des kruises, kan alleen gevonden worden bij Hem, die den Vader kende en liefhad met een onverbrekelijke liefde, welke Hem deed zeggen : Ik ben niet gekomen om mijnen wil te doen, maar den wil Desgenen, die Mij gezonden heeft.
O. a/d IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's