De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

12 minuten leestijd

SCHEIDING VAN BELOFTEN en VERDRUKKING DER KERK.
Bij het angstig opdringen van de N.S.B., die, door de vroegere propaganda van de S. D. A. P. geleerd, zich niet vijandig betoont tegenover den Godsdienst, maar intusschen zegt, dat de Godsdienst zich dan ook voegen moet naar den Staat — zien we telkens naar Duitschland én vragen ons af : wat is daar geworden van de plechtige beloften ten opzichte van de Kerk afgelegd?
Heeft Hitler, in tegenwoordigheid van Hindenburg, niet beloofd den strijd tegen de Evangelische Kerk niet te zullen aanbinden. ?
En wat doet nu zijn vriend de Rijksbisschop Muller; wat doet nu Alfred Rosenberg en zoovele anderen ?
De Evangelische predikanten van Würtemberg hebben zich, naar aanleiding van de strenge maatregelen, die tegen de predikanten van de belijdenisbeweging worden genomen, met het volgende telegram tot Hitler gewend :
„Wij zien met ontzetting, dat, terwijl openlijke aanvallen op het Christelijk geloof worden toegestaan, het zeer moeilijk en zelfs onmogelijk wordt gemaakt, in het openbaar te antwoorden op die aanvallen op het evangelie van Christus. Wij verzoeken den leider en rijkskanselier de Evangelische Kerk de vrijheid toe te staan in het openbaar tegen het nieuwe heidendom te prediken en zoo spoedig mogelijk alle bestaande beperkingen in te trekken."
Nu weten we van zeer nabij, dat de Hitlerpartij aldus redeneert : „de Kerk, de Kerkleeraars, moeten zich niet met politiek bemoeien en moeten niet tegen den Staat ageeren en opzetten tegen de regeering. Als ze dat niet doen zullen wij de Kerk en de Kerkleeraars geen stroohalm in den weg leggen."
Dat zegt ook Alfred Rosenberg, die het boek schreef : „Mythe van de 20ste eeuw" en die in dat beruchte boek het Christendom radicaal veroordeelt om het oude Duitsche heidendom aan te prijzen. Duitschland moet van het Christendom af geholpen worden en de oude heidensche godsdienst moet weer de godsdienst van heel het Duitsche volk worden.
En moet, mag nu de Kerk maar zwijgen ? Mag nu de Protestantsche, Evangelische, Belijdeniskerk zwijgen ? Kan en mag en zal de Roomsche Kerk zwijgen ?
Een Staat die zulke dingen zou eischen van de Kerk van Christus, 't zij - de naam dan Evangelische Kerk, Luthersche Kerk, Roomsche Kerk is, 't doet er niet toe — een Regeering die van de Kerk eischt, dat zij zulke dingen zwijgend zal dragen,
begrijpt niets van de positie en van de taak en van het karakter der Kerk. En de Kerk moet met zoo'n Regeering in botsing komen !
En dan heeft men beloofd, dat men de Kerk zal eerbiedigen en vrij laten en nooit aan de rechten der Kerk zal raken.!
Wanneer men een vogel wil vrij laten snijdt men haar dan de vleugele af of stopt men haar in een getraliede kooi ?
Wanneer men een visch wil vrij laten verbiedt men haar dan het water te kiezen voor haar woonplaats ?
Wanneer men de Kerk wil vrij hebben verbiedt men haar dan haar belijdenis te handhaven en den Christus te belijden als den eenigen Zaligmaker en den Bijibel als Gods Woord en het Christendom als de ware godsdienst enz. enz. ?
Daarom is het zoo dwaas van Alfred Rosenberg dat hij zoo toornt tegen de Roomsche Kerk, omdat de Roomsche geestelijken zijn heidensch, anti-christelijke boek : „Mythe van de 20ste eeuw" zoo scherp becritiseeren en veroordeelen.
Hij heeft nu een brochure gepubliceerd in antwoord aan zijn critici, getiteld: „Duistere menschen van onzen tijd." En we lezen daaromtrent 't volgende :
,, Hij betoogt in deze brochure, dat de critiek van den aartsbisschop van München, kardinaal Faulhaber, ingegeven was door een verlangen naar „goedkoop martelaarschap" en vraagt zich af : „kan de politieke en religieuse verdraagzaamheid zoo ver gaan, dat de leidende woordvoerders van de confessioneele minderheid (de roomsch katholieken) van den werkelijken inhoud van een nationale gedachte mogen beweren, dat deze lafaard is vernietigd te worden, in den naam van een ideaal, dat niet gesteund wordt door de meerderheid van het Duitsche volk ? " Hij vervolgt: „Het R. K. geloof heeft, dank zij de Duitsche verdraagzaamheid in religieuse vraagstukken, hetzelfde recht op vrijheid van belijdenis als alle andere godsdienstige leeringen in Duitschland. Men heeft het roomsch-katholicisme bescherming beloofd in de uitoefening van zijn eeredienst, maar de handelwijze van verantwoordelijike r. k. leiders toont aan, dat
zij niet tevreden zijn met dit, maar meenen recht te hebben om het staatsgezag de moraal voor te schrijven en om voor geheel Duitschland hun denkwijze en opvattingen voor te schrijven.
Het zal noodig zijn de sfeer van de r.k.. minderheid te beperken, teneinde dit voortdurende irriteeren van Duitschland onmogelijk te maken en den geloofsvrede te verzekeren, die wordt verstoord door deze uitdagende redes en geschriften."
Het is duidelijk, dat Alfred Rosenberg geprikkeld is door de critiek van de Roomsche Kerk. En nu zegt hij : „Verdraagzaamheid" mag niet te ver gaan !
Ieder voelt wat dat beteekent.
In de concentratiekampen zitten de protestantsche predikanten van de Belijdeniskerk.
Nu zal het ook beginnen tegen de Roomsche geestelijken, die het heidensch boek van Alfred Rosenberg scherp veroordeelen.
Nu zal de Regeering ook daar moeten ingrijpen.
Alle rechten zullen geschonden worden, zoowel van de Evangelische als van de Roomsche Kerk.
De vraag Roomsch of Protestantsch zal niet meer van beteekenis zijn.
Het God-onteerend ongéloof zal Protestant en Roomsche saam murw slaan. Weg met Christus: !
En dat doet de schier almachtige Staat, „die God niet vreest en geen mensch ontziet"' (Lees de gelijkenis van den onrechtvaardigen rechter!)
Vermeerdere onder ons het gebed.
En worde er waakzaamheid en een nuchtere geest onder ons gevonden om de gevaren, die ook ons bedreigen, te onderscheiden !
Want de verwarring en het misverstand en de verdachtmaking gaat ook onder ons rond van overwinning tot overwinning !
Worde er niet één Gereformeerde het slachtoffer van een zoo misleidenide beweging als de N. S. B.

OUD-EN NIEUW TESTAMENT.
De ééne Heilige Schrift bevat twee hoofddeelen, die onderscheiden moeten worden, maar niet gescheiden. Ze zijn verschillend, 't geen uit den naam Oud en Nieuw Testament blijkt, maar ze behooren bij elkaar, omdat het Nieuwe de vervulling is van het Oude en het Oude als een belofte en profetie aan het Nieuwe is voorafgegaan, naar den raad van 's Heeren wil. Die over alles Zijn wijze gedachten heeft laten gaan van eeuwigheid. Ef. 1 : 11.
De beide woorden Oud-en Nieuw Testament zijn schriftuurlijk. Lees maar eens 2 Cor. 3 : 14 : „want tot op den dag van heden blijft het zelfde deksel in het lezen van het Oude Testament". En in vers 3 staat: die ons ook bekwaam gemaakt heeft, om te zijn dienaars van het Nieuwe Testament."
Dienaars van het Nieuwe Testament dus.. Want Hebr. 1 : 1 zegt: God voortijds vele malen en op velerlei wijzen tot de Vaderen gesproken hebbend door de profeten heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon".
Maar zóó nauw is Oud-en Nieuw Testament met elkaar verbonden, dat de Heiland Zelf zegt: Want indien gij Mozes geloofdet, zoo zoudt gij Mij gelooven, want hij heeft van Mij geschreven. Maar zoo gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijne woorden gelooven ? " Joh. 5 : 46, 47.
Over het woord Testament lezen we in de bekende Inleiding onzer Statenvertaling op het Nieuwe Testament bet volgende :
„Het woord Testament is een Latijnsch woord, waarmede overgezet wordt het Grieksche woord Diathèke, hetwelk de Grieksche overzetters gebruiken om uit te drukken het Hebreeuwsche woord Berith, dat is Verbond. Daardoor wordt eigenlijk verstaan 'het verbond zelf, dat God met de menschen heeft gemaakt, om hun onder zekere voorwaarden het eeuwige leven te geven ; welk verbond tweeërlei is, het Oude en het Nieuwe. Het Oude is hetwelk God gemaakt heeft met den eersten mensch voor den val, waarin het eeuwige leven beloofd wordt onder voorwaarde van een gansch volkomen gehoorzaamheid en onderhouding der wet; en wordt daarom genaamd het verbond der wet, hetwelk God den Israëlieten wederom voorgehouden heeft, opdat zij daaruit zouden leeren verstaan, (dewijl deze voorwaarde bij alle menschen overtreden is, en nu van geen mensch volbracht kan worden) dat zij hun zaligheid moesten zoeken in een ander verbond, hetwelk het nieuwe genaamd wordt, en daarin bestaat dat God Zijn Zoon tot een Middelaar verordineerd heeft, en het eeuwige beloofd onder voorwaarde dat wij in Hem gelooven ; en wordt genaamd het verbond der genade. En dit wordt ook ten aanzien van de verscheiden bedieningen van hetzelve aan de menschen oud en nieuw genaamd. Het Oude is de bediening van dit Verbond voor de komst van den Middelaar, die aan Abraham en aan zijn nakomelingen uit zijn zaad beloofd is en door menigerlei ceremoniën, van Mozes beschreven, afgebeeld. Het Nieuwe is hetzelfde Verbond, nadat de Zoon van God, Middelaar van dit verbond, in het vleesch gekomen is en de verzoening der menschen met God heeft teweeg gebracht."
We bemerken dus uit deze woorden onzer Gereformeerde Vaderen, dat het gaat om een Oud en om een Nieuw Verbond. Het Oude is 't welk God gemaakt (opgericht) heeft met den eersten mensch vóór den val, waarin het eeuwige leven beloofd wordt onder voorwaarde van een gansch volkomen gehoorzaamheid en onderhouding der wet; en wordt daarom genaamd het Verbond der Wet ((het Werkverbond)". En dat Oude Verbond of Verbond der Wet of Werkverbond kwam God nu geduriglijk aan Israël voorhouden, niet opdat ze in een wettische gerechtigheid hun troost zouden vinden en hun grond voor de zaligheid, „dewijl deze voorwaarde bij alle menschen overtreden is en nu van geen mensch volbracht kan worden" — maar de Heere wilde, dat zij onder en bij het Werkverbond „hun zaligheid zouden zoeken in een ander verbond, hetwelk het Nieuwe genaamd wordt, en daarin bestaat, dat God Zijn Zoon tot een Middelaar verordineerd heeft, en het eeuwige leven beloofd, onder voorwaarde, dat wij in Hem gelooven. Dat wordt genaamd het Verbond der genade."
„Het Oude is de bediening van dit Verbond vóór de komst van den Middelaar, die aan Abraham en aan zijn nakomelingen uit zijn zaad beloofd is en door menigerlei ceremoniën of plechtigheden, door Mozes beschreven, afgebeeld".
„Het Nieuwe is hetzelfde Verbond, nadat de Zoon van God, Middelaar van dit Verbond, in het vleesch gekomen is en de verzoening der menschen met God heeft teweeg gebracht."
Op het onderscheid en op de overeenstemming hebben wij voortdurend te letten.
Het onderscheid is niet gering. Ze staan tegenover elkaar als het Testament der belofte en der vervulling, van de schaduw en van het lichaam.
We lezen in Hand. 13 : 32 : „En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hunne kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft."
Belofte dus aan de vaderen, aan ons is de vervulling geworden.
Calvijn zegt in zijn uitlegging van dezen tekst: „Maar bovenal verheft hij de grootheid der genade, die ten slotte in Christus ten toon gesteld was. Want zij moeten letten op de vergelijking, welke hij maakt tusschen hem en de vaderen, waar hij zegt dat zij verkregen hebben wat aan de vaderen beloofd was. Want hoe meer vrijgevig de goedheid Gods over hen uitgestort is, des te schandelijker zou hun ondankbaarheid zijn, indien zij dat onwaardeerbare goed gesmaad of geminacht hebben. Want wat zou dit anders zijn dan dat zij een schat, die hun aangeboden, ja zelfs in den schoot geworpen was, voor hun voeten ter aarde wierpen ; terwijl hun vaderen de belofte er van, welke hun van verre vertoond werd, eerbiedig aanvaard en hun gansche leven geduldig verwacht hebben ? "
Ze vormen dus een tegenstelling als belofte en vervulling, ook als schaduw (die aan de verschijning van het lichaam vooraf gaat) en de aanwezigheid van het lichaam zelve. (Dan is, bij de verschijning van het lichaam zelve de schaduw voorbij en wèg).
Lees maar eens wat er staat in Col. 2 : 17 : „welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus."
„Dat is" .— zoo zeggen de kantteekenaren „de beteekende zaak is Christus; dat is in Christus vervuld. Want alle schaduwen des Ouden Testaments hebben op Christus en Zijn weldaden gezien, door Wiens komst zij ook een einde hebben." (Zie art. 25 Ned. Geloofsbelijdenis: „Van het afdoen der ceremoniëele Wet").
Het lichaam d.i. Christus werpt tevoren een schaduw af en geeft een beeld, een afschaduwing van de werkelijkheid die komt.
Zóó is het Oude Testament een afschaduwing van het Nieuwe, een symbool en type van Christus, van Zijn werk, van Zijn weldaden.
Het symbolisch-typische karakter van het Oude Testament moeten wij dus in 't oog houden. Het wijst op het toekomstige op Christus.
Dan is ook verder nu de schaduw nietig en wezenloos, omdat het lichaam, dat is Christus, verschenen is. Het moet ons alles tot Christus brengen, die van alles „de beteekende zaak" was en is.
Hoe prachtig en hoe beteekenisvol de schaduwen, de profetieën, de ceremoniën of plechtigheden onder het Oude Testament waren, toch zijn ze niets in vergelijking met de vervulling, met het lichaam zelve, met Christus, die in de volheid des tijds verschenen is.
Het altaar was prachtig en heerlijk. Maar wij hebben een ander en beter en heerlijker altaar. En daarom moeten we ook niet bij het altaar van het Oude Testament blijven staan, maar wij moeten op Golgotha, aan den voet van het kruis gevonden worden. En we moeten het altaar in den hemel kennen, met het volmaakte offerand, met den verheerlijkten Hoogepriester.
De brief aan de Hebreen is één lofzang ter eere van het Nieuwe Testament, gezongen door iemand die het Oude Testament zoo geestelijk en heerlijk, als een geloovige kennen mocht.
Die bij het Oude blijft staan en het Nieuwe niet in 't geloof aandurft zal in een zwaar oordeel vallen. Of heeft de Heere tevergeefs het Nieuwe gegeven, dat het Oude vervult en verre overtreft ? Is het lichaam, zelve, dat is Christus, tevergeefs gekomen in de volheid des tijds ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's