MEDITATIE
Altijd de dooding van den Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. 2 Corinthe IV : 10.
Zoo is het de wil van God. Lijdien, dood en opstanding behooren in den Gezalfde onlosmakelijik bij elkander. De overste Leidsman en Voleinder des geloofs moest overgeleverd worden tot dien kruisdood en alzoo in Zijne heerlijkheid ingaan ; allen, die naar Gods vrijmachtig welbehagen geroepen wonden Hem te volgen, zullen leeren, dat de weg naar het Koninkrijk niet anders gaat dan door lijden en verdrukking.
Wij maken van het opstandingsgeloof zoo gemakkelijk een Schibboleth. En het is een Schibboleth, ja meer dan dat. Wat zijn de kinderen Gods, wat is de gemeente des Heeren zonder een levende Zaligmaker ? Maar dit is zeker ook waar, dat het een Schibboleth is, dat door den natuurlijken mensch nooit verstaan kan worden.
De Opgestane is niet aan vleeschelijke menschen verschenen. Ook het heilgeheim van de Opstanding wordt alleen aan Zijn vrinden, naar Zijn vrééverbond, getoond. De natuurlijke mensch hoort de klanken, maar komt tot de zaak zelve niet; de natuurlijke mensch gebruikt de Manken van de Opstanding bij gelegenheid, om daar zelf iets mee te worden, maar wordt door den Gezalfde niet gekend en kent zelve den Christus niet recht.
Er is een rechtmatige vrees, dat deze dingen onder ons en door ons te weinig bedacht worden. Het gevaar is, dat wij zelf zoogenaamd de waarheid bezitten, ook die waarheid van de Opstanding en daarmee ons verheffen en meenen iets te zijn, daar wij in ons zelve niets zijn. Wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen ? en zoo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt ?
Wij maken onze onderscheidingen en we sieren ons met allerlei namen, doch wie zijn wij van nature ? Toch niet anders dan de anderen, die zich mogelijk modem noemen en wier modernisme een dekmantel is voor heel ouderwetsch ongeloof.
Zijn wij zulke geloovige menschen ? En wanneer er geloof mag zijn, dan is dit toch alleen door de genade Gods! Paulus was ook zulk een ongeloovige, ja een verwoed vervolger van den Opgestane. Hij wist zich de voornaamste dier zondaren. Aan dezen voornaamste der zondaren, aan dezen brieschenden vijand is de genade geschonken, dat hij de heerlijikheid van den Verrezene kreeg te aanschouwen. En deze onbegrijpelijke barmhartigheid Gods aan dezen ongeloovige betoond was het, die hem, nadat hij, eenmaal verlicht was, niet moede maakte van den Opgestane te getuigen.
Dat is genade, wanneer de Heere ook onder ons, ja meer wanneer Hij ons wil stellen tot zulke levende getuigen, die in ons zelve niet te roemen hebben, maar slechts roemen kunnen in de barmhartigheid Gods, en ook in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Chrlstus. Dan blijft er geen oorzaak tot opgeblazenheid, dan behoeven wij over het ongeloof van anderen niet verwonderd te zijn.
Wat is de mensch en wat zijn wij van nature anders dan ongeloovige schepselen, die altoos het werk Gods tegenstaan. Doch na ontvangen genade zal er wel een drang blijven, om tot anderen te getuigen van de heerlijkheid van den Opgestane. Dan gaat de liefde van Christus dringen en zal iets verstaan mogen worden van hetgeen de Apostel schreef : Daarom, dewijl wij deze bediening hebben naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zoo worden wij niet moede.
Al scheen het dikwijls een hopelooze zaak, Paulus kon niet laten te getuigen van het Evangelie voor vriend en vijand, voor Jood en Heiden. Dat onze bede zij, dat 'de Heere ook onder ons zulke levende getuigen late ! Zij zijn de beste apologeten, de beste verdedigers van een levend Christendom. Een enkel woord van hen werd door den Heere menigmaal meer gebruikt dan allerlei zwaarwichtige boeken, waarvan het woord van den Prediker nog geldt van vele boeken te maken is geen einde en veel lezens is vermoeiïng des vleesches.
De levende getuigen zijn dragers van hemelsche schatten. Zij hebben mogen spreken en getuigen van hetgeen de Heere zelve hun deed zien en hooren. Maar zijn zij in de wereld zeer gezien geweest ? Hebben zij altoos scharen van menschen getrokken, waren hooge inkomens hun deel ? We weten uit de Heilige Schrift, dat het anders is geweest.
Paulus had een hemelsche schat ontvangen ; hij mocht den Opgestane kennen. Hij mocht het weten met ontwijfelbare zekerheid : Jezus Christus is mijn Heere, mijn Koning, die leeft in alle eeuwigheid. Zijn geloof was een innerlijke vastigheid en daarom sprak hij.
Doch die hemelsche schat droeg hij in een aarden vat. Aan de buitenkant had dit vat niets sierlijks noch indrukwekkends. In alles verdrukt, doch niet benauwd ; twijfelmoedig (om raad verlegen) doch niet radeloos.; vervolgd, doch niet verlaten, ter aarde geworpen doch niet ten gronde gericht.
Veel eer heeft Paulus in de wereld niet ontvangen. De bezoeken, in Jeruzalem zijn voor hem niet zeer bemoedigend geweest. Aan alle kanten werd hij in zijn werk verdacht gemaakt, op allerlei wijze heeft hij tegenwerking moeten ondervinden. Ik krijg zoo den indruk, Paulus is na zijn dood meer geëerd geweest dan in zijn leven. En zooals het altoos gaat, na zijn dood hebben de bouwers van de graven der profeten niet stil gezeten en juist zij, die klaarblijkelijk een afkeer toonen van het Evangelie, dat de Apostel gepredikt heeft, zijn de eersten, om hunne kransen en eerbewijzen aan het graf van den Apostel neer te leggen.
Doch de Apostel heeft de smaadheid, de verachting, de spot van deze wereld mogen dragen, gelijk zijn hemelsche Heere die in deze wereld gedragen heeft. Hij heeft mogen leeren in diepe wegen, wat het woord van zijn hemelschen Meester zeggen wil : zij hebben Mij gehaat, zij zullen ook u haten. Hij heeft de dooding van den Heere Jezus in het lichaam mogen omdragen in duidelijke merkteekenen, opdat ook het leven van Jezus in zijn lichaam, zou geopenbaard worden.
En niet alleen Paulus, maar met hem de Apostelen en zoovele martelaren zijn levende voorbeelden geweest, dat wat zij gedaan en gepredikt hebben, niet hebben kunnen doen, niet hebben kunnen prediken door eigen kracht. Juist in hunne verdrukkingen werd het openbaar, dat de levende Christus hen staande hield en hen bleef stellen tot levende getuigen van Zijne opstanding.
Dit is de weg, die de hemelsche Koning nog met al Zijn volk houdt. Van nature willen wij eer, aanzien, voordeel; wij willen zoo gaarne wat zijn in deze wereld en dan ontziet de mensch zich niet, om de dierbaarste waarheden te misbruiken, om daarmede zelf te kunnen pronken en daarmede roem bij menschen in te oogsten. Wij zijn van nature zulke zelfzuchtige, eerzuchtige, trotsche schepselen. Maar zulke schepselen mogen in de wereld zijn, die zij zijn — den Levensvorst leeren zij niet kennen.
Dit is genade, wanneer de Heere die zelfzucht, die trots en eerzucht in ons verbreekt en ons nederwerpt als ellendigen, die in deze wereld niets meer te wachten hebben, die niet anders verdiend hebben dan de uitgieting van de verbolgenheid en toorn Gods. Hoe kostelijik is in Zijn oog de dood Zijner gunstgenooten. Hij geeft, wanneer Hij hun zich vertoont in Zijn heerlijkheid, de doodsteek aan hun eigen willen, aan hun eigen kunnen, aan hun denken en gevoelen, zoodat er van dat eigen ik niets, niets meer overblijft.
O dan te leeren, wanneer de Ziel niets meer dan dood om zich heen ziet en weet niet anders-waardig te zijn dan eeuwig in de hel geworpen te worden, dat het leven voor zulke ellendigen gelegen is in den dood van den Zaligmaker. Dat Hij gestorven is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. En dat er nu voor zulke ellendigen een leven is uit Zijne volheid en uit Zijne genade.
Dan wordt het geleerd: Hij, de levende, de dood en hel overwon, is het, die ons ondersteunt, die Zijne gemeente. Zijn duive. Zijn beminde bewaart voor versagen en vertwijfelen. Nog krijgt Zijn gemeente te leeren, altoos de dooding van den Heere Jezus in het lichaam om te dragen, opdat het leven van Jezus juist in dat aan den dood overgegeven lichaam zou openbaar worden. Een plant worden zij met Hem in de gelijkmaking Zijns doods, om ook een plant te zijn met Hem. in Zijne heerlijkheid. En als er dan roem overblijft, is het alleen een roemen in den Heere, dat Hij de Levende nu in 1935 in deze donkere tijden, waarin Hij met land, volk en kerk niet anders dan afbrekende wegen gaat, niet laat varen het werk, dat Zijne hand begonnen heeft en waardoor Zijn volk ook in en door Hem in duistere tijden mag roemen : Wij dan hebben, altijd goeden moed ! Sterke de Levensvorst onze verdrukte en vervolgde geloofsgenooten. Houde Hij ook ons met kracht omvat ?
Delft, L. J. Lammerink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's