De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

22 minuten leestijd

HET EERSTE WERKKAMP VOOR JEUGDIGE WERKLOOZEN.
Wij willen gaarne melding maken van de opening van het eerste Werkkamp voor jeugdige werkloozen te Ede. Onlangs (27 April) is door heel het land voor deze mooie onderneming om. jeugdige werkloozen in kampen saam te brengen, waar allerlei nuttige werkzaamheden kunnen worden verricht, gecollecteerd en de niet onbelangrijke som van ruim ƒ 33.000.— is bijeengebracht. Een halve ton of ƒ 50.000.— is noodig, en dus men is er nog niet. Maar men heeft toch al een prachtig begin en nu kon deze week te Ede het eerste Werkkamp in gebruik worden genomen met het zingen van Psalm 99 vers 2 : „God, die helpt in nood, is in Sion groot Buigt u dan in 't stof !"
Al lang hebben verschillende comlté's en vereenigingen, door heel het land verspreid, veel voor de jeugdige werkloozen gedaan. Maar nu is er weer wat nieuws gevonden. De gedachte kwam op : „laat ons de menschen wat werk laten doen, dat resultaat biedt, dat blijvend is en de moeite waard". De bedoeling is nu in de Werkkampen werk te laten verrichten, dat aansluit aan den maatschappelijken gang. De Centrale voor Werkloozenzorg mag met blijdschap terugzien op de opening van het eerste Werkkamp te Ede, want aanvankelijk is bereikt, wat men zich voorgesteld had. En het laat zich aanzien, dat het zeer zal worden gewaardeerd door heel ons volk, vooral door ons Christenvolk, dat met de jeugdige werkloozen meeleeft. Er zal zooveel mogelijk naar worden gestreefd om in de Kampen een sfeer te scheppen zooals de jongelui die ook thuis aantreffen. Aan onze jonge menschen wordt weer eenige moed gegeven. De Jongelingsbonden en Studentenvereenigingen enz. hebben een verdienstelijk werk gedaan door dit plan aan te pakken en te bevorderen.
Nadat Z.Ex. prof. Slotemaker de Bruine het Werkkamp „'t Wijde Veld" te Ede geopend had, sprak de heer C. Smeenk, lid van de Tweede Kamer als voorzitter van de Commissie van Uit^ voering en zei o.a.:
»Bij de organisatie dezer kampen heeft men zich bovenal laten leiden door de geestelyk-zedelijke overwegingen. De jonge menschen moeten leeren werken, gedachtig aan hetgeen in den Bijbel staat van hen, die het juk in hun jeugd leeren dragen. Bij het vinden van werkobjecten deden zich vele moeilijkheden voor, omdat men niet in concurrentie mocht komen met het particuliere werk. Wat hier gebeurt, is geen werk, dat onder gewone omstandigheden zou geschieden, geen werk, waarvan het economisch rendement vaststaat. Maar daarom is het toch niet zonder beteekenis, omdat het strekt tot behoud van het natuurschoon en van het nationaal boschbezit.
Den kampbewoners hield spreker voor, dat zij flink moeten werken, in hun eigen belang. In dit kamp moet een echt Christelijke geest heerschen. Men moet samen bidden en zingen en samen sterking zoeken door Gods Woord. Wanneer men Hem leert kennen. Die het al regeert, dan is er altijd perspectief. Den kampvader, den heer Visser, en zijn hulpleiders, wenschte spreker Gods bijstand toe. De heer Smeenk verklaarde voorts, dat binnen enkele weken het tweede kamp staat geopend te worden op Oostvoorne en Putten (voor de Rotterdamsche jeugdige werkloozen), waarna een kamp zal worden gesticht in het Gooi (voor de jongelui uit Amsterdam) en daarna één in Twente. Dat .alles is alleen dan mogelijk, wanneer Christelijk Nederland blijft steunen.
Met den wensch, dat God den arbeid moge zegenen en de jongelui hier sterkte en kracht van Boven zullen ontvangen, besloot de heer Smeenk zijn rede«.
Gij allen, die dit leest, en nog niet geofferd hebt, doet het alsnog. Het gironummer is 234919 Centrale voor Werkloozenzorg, Utrecht.

GODSLASTERLIJK.
Dat nu weer gemeld wordt uit Duitschland, grenst aan het onmogelijke en ongelooflijke. Men is geneigd uit te roepen : dat kan niet! En toch blijkt het op waarheid te berusten. Het betreft „een Germaansche geloofsbelijdenis". Leest het volgende bericht eens :
»Te Stuttgart is een „Germaansche Bijbel" gepubliceerd, die door de „Reichswart", het officieel orgaan van de Nationaal Socialistische Duitsche Geloofsbeweging het „Evangelie der Germanen" wordt genoemd.
Deze „Bijbel" bevat ook een „Germaansche geloofsbelijdenis", die den tekst van de Apostolische Geloofsbelijdenis op den voet volgt en als volgt luidt:
»Ik geloof in den mensch, den machtigsten heer van alle dingen en krachten op aarde. Ik geloof in den Germaan, Gods geliefden anderen zoon, de heer van zichzelf, die ontvangen is onder een Noordelijken hemel, gebaren tusschen Alpen en zee, geleden heeft onder Papisten en Mammonisten, gelasterd is, geslagen en in ellende gedompeld, veroordeeld door duivels van iedere soort tot de hel, na tientallen jaren van wanhoop en verarming steeds weer opgestaan is uit den staats-en nationalen dood, opgestegen naar de geestelijke wereld van Eckehardt, Bach en Goethe, gezeten met zijn broeder uit Nazareth ter rechterhand van den Eeuwige, vanwaar hij op de wijze van den Verlosser van tijd tot tijd zal nederdalen om de levend begravenen en de dooden op te wekken.
Ik geloof in den goeden geest der menschheid, en de heilige kerk der toekomst, de gemeenschap van elk ernstig, zuiver en onbaatzuchtig willen, de gelijkmaking van alle vergeving, wederopstanding van de volkomen verschijning en een eeuwig leven, zoowel in het verleden als in het hiernamaals«.
't Is Godslasterlijk!

DE WAARDE DER BELIJDENIS.
Moet er in de Kerk een belijdenis zijn ? En zoo ja, welke waarde moet dan aan de beiijdenis gehecht worden ?
Door de jaarvergadering der Vrijzinnig Hervormde Predikanten te Amsterdam (bijgewoond door 95 menschen, een aantal dat grooter is dan ooit te voren opkwam) zijn we tot deze vragen gekomen. Want dr de Vos van Sneek heeft daar gesproken over: ,,Kerk en belijdenis", op welk referaat een breede en belangrijke discussie gevolgd is.
De vergadering stond onder leiding van prof. dr. J. Lindeboom uit Groningen. Aan zijn openingswoord ontleenen we 't volgende :
„Tradities behoeven niet oud te zijn, om nochtans vast en hooggewaardeerd te zijn, bewijze deze jaarvergadering: Zij is geboren uit nood en strijd en zij omvat meer dan vragen van organisatie. Zij is onze wapenschouw en het gaat om 't hanteeren van onze theologische wapenrusting, in hecht en vereenlgd verband. De tijd is voorbij dat rauwe bijvalsbetuigingen klonken wanneer een Ned. Hervormd predikant zijn vooruitstrevendheid demonstreerde door van de Kerk te spreken ais van de aap van het Godsrijk. Maar wij moeten nog leeren spreken. over de Belijdenis.
Armmius durfde van Confessie en Catechismus te spreken als van de stierkalveren van Dan en Berseba. Wij zullen nooit aan dien stierdienst meedoen. Maar het niet volgen van den weg naar Dan en Berseba beteekent nog niet, dat wij op den waren weg zijn van het waarachtige Sion. Dien weg moeten we duidelijker leeren kennen !"
Na deze toespraak, waaruit we bij vernieuwing vernemen, dat het Modernisme vroeger toch wel heel rauw en ruw te werk is gegaan (waarom het toch waarlijk geen wonder is, dat ons voorgeslacht door het modernisme zoo groote schade geleden heeft) krijgt dan dr. de Vos van Sneek het woord voor zijn inleiding over „Kerk en Belijdenis", en zegt:
„Het vraagstuk Kerk en Belijdenis is actueel, niet slechts in verband met het verworpen reorganisatievoorstel maar ook met het verlevendigd kerkelijk besef, het streven de Kerk meer te doen zijn het geweten der samenleving. Voorop gesteld moet worden, dat de Kerk moet belijden. Dat volgt uit haar wezen, waartoe o.a. behoort, dat zij geloofsgemeenschap is. Geloof heeft een inhoud en wel (het evangelie van) Jezus Christus. Dat geloof wil uitgesproken worden, omdat het niet anders kan, uit dankbaarheid, om anderen te winnen, ter meerdere klaarheid en vastheid, ter afgrenzing, om de eenheid te betuigen en te bevestigen.
Bezwaren zijn aan het belijden zeker verbonden o.a. die van misverstand, schijn, leerdwang, verstarring. Zij mogen echter niet den doorslag geven, ook omdat zij tot op zekere hoogte te ondervangen zijn.
Veel moeilijker is een ander bezwaar, dat het zwaarste weegt. De vraag rijst, hoe men moet handelen met de minderheid, die het niet met de belijdenis eens is.
Objectief is de christelijke waarheid nu eenmaal niet vast te stellen. Daarbij komt dan de vraag : leertucht of geen leertucht ? Aan beide mogelijkheden zijn groote moelijkheden verbonden. Mag men ieder laten prediken, wat hij wil ? Mag men omgekeerd het gevaar loopen, iemand, een groep, als ketters af te snijden, die later een profeet blijkt te zijn ? De minste moelijkheden ontstaan, wanneer men wel tracht te komen tot een belijdenis, maar geen leertucht toepast. Wij zullen het moeten wagen met de vrijheid, in vertrouwen op de menschen en de werking des heiligen Geestes, uitziende naar den tijd waarin wij allen één zijn, op welken tijd vooruit loopen zonde is."
Tot zóóver dr. H. de Vos. Zijn conclusie was dus, in onderscheiding van vroeger : wel een belijdenis ! Maar haastig voegde hij er aan toe : geen leertucht!
Van de gedachtenwisseling, die op dit referaat volgde, waaraan dr. G. Horreüs de Haas van Zwolle, prof dr. G. A. van den Bergh van Eysinga en dis. B. J. Aris, Voorganger der Vrijz. Hervormden te Amsterdam deelnamen, vermelden we het volgende :
Dr. G. Horreüs de Haas (uiterst links en sociaal-democraat) vestigt er de aandacht op, dat er onder vrijzinnigen tweeërlei soort theolo­gen bestaat. De groep, waartoe spreker behoort, ontkent geenszins, dat de kerk een bepaalde waarheid verkondigt, maar zij is het niet eens met de groep, die meent dat men deze waarheid kan formuleeren. Wanneer men de waarheid Gods uit eigen ervaring heeft leeren kennen en daarvoor heeft geworsteld en gedacht, is het onmogelijk, dat men door een theologisch twistgesprek met andersdenkenden tot een gemeenschappelijke conclusie zal komen en zich plotseling zal informeeren. Het is voor den godsdienstigen mensch onaanvaardbaar, zich te binden aan dergelijke gemeenschappelijke formule. Dit neemt niets weg van de wenschelijkheid, zoo niet noodzakelijkheid, om groepsgewijze de groote waarheden te doordenken en te formuleeren. Dit is de taak van de theologie. Maar men mag deze theologische taak niet verwarren met de boodschap der kerk, die uitkomst is van een zieleworsteling der eeuwen, welke zich in persoonlijke zieleworsteling herhaalt.
Wat nu de leerlucht in de Ned. Hervormde Kerk betreft, deze bestaat reeds in de bepaling omtrent onchristelijken wandel en strijdt met den geest en de belijdenis der Hervormde kerk.
Wat Kerkopbouw hiervan heeft willen maken, is dat men uitgebannen zal worden, zoodra men als uitkomst van zijn gedachtenstrijd en zieleworsteling tot een opvatting omtrent goddelijke waarheid is gekomen, welke een classicale meerderheid niet voor haar rekening neemt. Spr. moet dan ook niets van deze beweging hebben.
Prof. dr. G. A. van den Bergh van Eysinga uit Santpoort (pas door de Gemeenteraad van Amsterdam benoemd als buitengewoon hoogleeraar, met feilen strijd tegen prof. Obbink vrijzinnig in hart en nieren en modern philosooph van binnen en van buiten, zei, dat hij de drie formulieren van eenigheid als toetssteen voor de kerkelijke belijdenis zou willen handhaven, onverkort en geheel, zooals hij ook niet voor een verkorte bijbeluitgave was; maar den Bijbel in z'n geheel wilde hebben. Maar dan niet naar de letter, want de letter doodt, maar naar den geest, want die maakt levend. Die letter is de moordenaar en dien moeten we tegenstaan ; maar de geest maakt vrij. De Vrijzinnigen moeten zóó tegenover de belijdenisschriften der kerk staan, dat zij nooit of te nimmer willen buigen voor de letter, maar de geest moet bindend voor hen zijn !
Ds. B. J. Aris, Voorganger der Vrijz. Herv. te Amsterdam merkt op, dat het onderscheid tusschen de menschen van Kerkopbouw en de menschen van Rome en Assen is, dat beiden de belijdenis willen, maar dat ze deze op verschillende wijze willen laten functioneeren. In Kerkopbouw heeft men stelselmatig geweigerd om te voldoen aan den eisch van. Kerkherstel, dat de luchtpijp wil dichtknijpen. In Kerkopbouw heeft men zich van de leertucht alleen voorgesteld, dat deze eerst zal gaan functioneeren, wanneer de betrokken opvatting een gevaar zou worden voor het karakter van geheel de Christelijke kerk. Bijkomstige afwijkingen blijven toelaatbaar.
Dat Kuyper in 1886 zooveel succes tegen de Hervormde kerk heeft gehad, is toe te schrijven aan de omstandigheid, dat de kerk haar taak jegens 'de belijdenis' had verwaarloosd. Er moet een poging gedaan worden, om de kerk weer belijdend te maken en men mag deze poging niet achterwege laten uit vrees voor hetgeen er gebeuren zal, als de kerk optreedt tegen excessen. Het gevaar blijft even groot, indien de kerk zich niet tegen de excessen beschermt. Wij willen als vrijzinnigen toch ook niet elke willekeurige persoonlijke meening gelijkstellen met de schat van de kerk, waaruit wij gemeenschappelijk putten.
Allereerst moeten de vrijzinnigen In eigen groep tot een poging tot gemeenschappelijke formuleering trachten te komen."
Wanneer wij deze dingen over „Kerk en Belijdenis" hooren wordt openbaar, dat er onder de vrijzinnigen van een kentering sprake is. Sommigen spreken anders over de Kerk en anders over de belijdenis dan velen vroeger deden. Maar tegelijk wordt een verschillende mentaliteit onder de tegenwoordige groepeering van vrijzinnigen openbaar. Er zijn er, die spreken willen van dogma's, formuleerding der waarheid, belijdenisschriften — maar er zijn er ook, die er nog niets van willen weten. Ds. Horreüs de Haar maakt van z'n hart geen moordkuil en komt er maar rond voor uit.
Intusschen staat prof. van den Bergh van Eysinga er wonderlijk tusschen. Bekend is, dat hij geheel en al verschilt van 't geen de Heilige Schrift leert en totaal verschillend denkt en schrijft in verhouding tot de belijdenis der Kerk (vandaar dat hij ook de man was voor vele Gemeenteraadsleden van Amsterdam, in tegenstelling met prof. Obblnk, die toch ook waarlijk geen Geref. Bonder is) en nu zegt zoo'n uiterst radicaal theoloog, die niet eens gelooft in de historiciteit van Jezus (dat Jezus dus niet werkelijk heeft bestaan, maar dat het bijbelsch verhaal maar „inkleeding" is van de bijbelschrijvers !) : we moeten de drie formulieren van eenigheid hebben en houden in de Kerk, en dan onverkort, zooals we niet een verkorte bijbeluitgave, maar de Bijbel in z'n geheel moeten hebben !
Wat moet zulk gepraat van zoo'n uiterst modem philosooph nu beteekenen ? Moeten we dat toejuichen en prijzen ? Moeten we zoo'n man een kroon boven op 't hoofd zetten, tegenover anderen die we in de verdachte hoek gaan stellen ?
We moeten heftig protesteeren tegen zulke dwaze, onbetrouwbare philosophisterij. Want het is spelen met woorden; het is ergerlijke misleiding.
We herinneren .ons, dat ds. Post van Rijswijk (modern) indertijd ook zoo'n zotte redeneering hield op een Classicale Vergadering van Den Haag, waar hij, niet zonder bijzondere bedoelingen, triomfantelijk uitriep: ieder kan bij mij in de catechisiatiekamer vinden het mooie boekje Van ds. van Grieken : De Drie Formulieren van Eenigheid!
De schrijver van dat boekje was misschien degene, die 't minst genoot van deze bekentenis en hij heeft niet nagelaten uiting te geven aan z'n ergernis bij deze en 'dergelijke dingen. We laten ons geen zand in de oogen strooien, ook door beroepsphilosophen niet.
Want wat beteekent het, als zoo'n extra radicaal philosooph zegt: ik wil geen venkorte Bijbelvertaling, ik wil den geheelen Bijbel hebben ; ik wil de drie formulieren van eenigheid hebben in de Kerk ?
't Blijkt wel, dat het phllosophlsterij is, als hij zegt: Haar ik buig mij niet voor de letter ; want de letter doodt; 't Is mij om den geest te doen. Niet de letter van de Heilige Schrift, maar de geest; (geest niet met een hoofdletter!) ; niet de letter van de drie formulieren van eenigheid, maar de geest. En 't Wijkt dan, dat al de letters worden verworpen (zelfs 't geen de Bijbel zegt van de vleeschwording des Woords, van de geboorte van Jezus., van Zijn omwandeling op aarde enz. enz. al die letters worden verworpen!) En de geest die levend maakt, is de eigen philsophen geest, die den Geest Gods in 't aangezicht weerstaat, en neen zegt, waar de Heilige Geest ja zegt, en ja zegt, waar de Heilige Geest neen zegt. Wat de Heilige Geest ons in de Heilige Schrift leert wordt geloochend en wat de geest van den philosooph leert is in alles gansch anders dan Gods Woord ons leert, 't Is niet : „Spreek Heere, Uw knecht hoort." Maar 't is : „luister Bijbel, uw uitlegger weet het beter." Zóó wil men den geheelen Bijbel hebben in de Kerk, om den geheelen Bijbel in de Kerk tegen te spreken.
En iets dergelijks wil men ook met de drie formulieren van eenigheid. Men wil niet, zooals anderen (b.v. de ethischen, waarboven prof. van den Bergh van Eysinga zich hemelhoog verheft, omdat hij veel getrouwer is dan zij een gedeelte van de belijdenisschriften ; neen, men wil en men zegt het nadrukkelijk) heel de belijdenis; de drie formulieren van eenigheid geheel (hoort het!). Maar natuurlijk om ze dan in z'n geheel, met al de letters, te verwerpen (zooals een knap philosooph dat handig kan) en ze uit te leggen met eigen geest — waarbij er dan geen spaan van over blijft!
Maar zóó laten we ons niet bedotten ! Van af de dagen van Prof. Scholten, de vader (een van de vaders) van het modernisme, af tot op den dag van heden, heeft men de Kerk op deze wijze , bij de neus willen nemen, met die fraaie redeneerlng: de belijdenis — maar niet de letter, maar de geest. En 't is nooit anders geweest dan om de waarheid God, in de Heilige Schrift ons geopenbaard en door de Kerk, onder Gods voorzienig bestel en onder de bijzondere leiding des Heiligen Geestes, in de belijdenisschriften. uiteengezet, om hals te helpen.
Aan die philosophisterij moest nu in de Kerk eens een eind komen !
Dit geeft ons aanleiding tegelijk nog iets te zeggen over de belijdenis en haar beteekenls in de Kerk.
Lang heeft men buiten den kring der Gereformeerden over de belijdenis niet zonder groote minachting gesproken. De waarheid is te heilig, te hoog, te breed, te diep enz. enz. om geformuleerd te worden — zegt men. De waarheid is te persoonlijk, om gemeengoed te zijn van allen in de Kerk. En daarom moet men ook geen dogma's geen belijdenis, geen Kerkelijke confessie hebben ; dat kan niet en dat mag niet. Wil men van Kerk spreken, laat men het dan doen als kring van verschillende groepen, die ieder weer vrij voor zich zelf de waarheid, voelen en uitspreken. Verder moet men niet gaan. Ben samenleving dus van groepen, richtingen, partijen, waarbij ieder vrij moet zijn en blijven. Wat de een gelooft naar z'n eerlijke overtuiging is niets minder in waardij dan wat de ander voelt en gelooft en uitspreekt!
Ook hoorde men de bekende klanken : niet de leer, maar de Heer; niet de leer, maar het leven enz.
En zoo stemden vrijzinnigen en ethischen veelal overeen in de ontkenning van de waarde van de Kerkelijke belijdenis, 't Is nergens voor noodlg. En waar er zoo'n belijdenis nog is, moet men zoo'n stuk beschouwen als Kerkelijke antiquiteit, waaruit het pogen der vaderen spreekt van de waarheid in formules vast te leggen, maar waarin tegelijk het Maar bewijs gevonden wordt, dat het zoo niet moet en niet mag geschieden. Zoo'n Kerkelijke belijdenis moet een mislukking worden ! 't Is een juk, een dwangbuis, een sta-in-den weg, een gevaarlijk ding voor ketter jagers, een aanslag op vrije vroomheid en persoonlijke beleving van echt geestelijk leven, enz. enz.
Zóó dacht men en zoo sprak men tot voor kort. En modernen en ethischen waren het in deze niet zelden roerend met elkaar eens. Geen Kerkelijke belijdenisschriften ! 't Zijn restanten van de bekrompen oude tijd en de nieuwe tijd heeft ons andere en betere dingen gebracht!
Maar — in den laatsten tijd is er verandering gekomen, bij de ethischen èn bij de vrijzinnigen. Men gaat weer spreken over de belijdenis. Men verkondigt weer de stelling : de Kerk moet belijden en moet een belijdenis hebben. Men spreekt weer over dogma's, over systematische theologie. De ethischen schrijven dogmatieken, meer dan één in getal. De vrijzinnigen beraden zich op een belijdenis en zijn bezig met een dogmatiek.
Men heeft de oude liturgische geschriften weer ter hand genomen en men zegt telkens : wat mooi zijn die oude formulieren toch. Men gebruikt de oude formuliergebeden weer. Men leest weer de Ned. Geloofsbelijdenis, artikel voor artikel. Men spreekt weer over de drie formulieren van eenigheid.
De belijdenis Is zoo mooi; maar .. tegelijk wil men toch vrij blijven. Een vroom mensch laat zich niet binden door formules. De geschiedenis der Godsopenbaring is niet stil blijven staan — zegt men — drie eeuwen terug. De werking en de leiding des Heiligen Geestes is niet opgehouden drie honderd jaar geleden. En triumfantelijk komt men aandragen (let er maar eens op) met Art. 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis ! Daar staat het zelf — zegt men — dat de belijdenis niet 't hoogste en niet 't laatste is (wat dan wel 't hoogste en 't laatste is zegt men niet altijd even duidelijk, maar gewoonlijk bedoelt men de vrome mensch van vandaag, wat men dan klaar speelt met te spreken van het testimonium Spiritus Sanctus of wel : het getuigenis des Heiligen Geestes !).
Men noemt en roemt zelfs de belijdenisschriften in vele kerkelijke kringen.
Maar hoe mooi dat op 't eerste gezicht lijkt, in werkelijkheid brengt het ons niet wat we hebben moeten. Want het is en blijft veelszins de ondermijning van den werkelijken inhoud der belijdenisschriften.
Men neemt ze dan voor zoover ze met de Goddelijke Waarheid overeenstemmen (quatenus) en niet omdat ze met Gods Woord overeenstemmen (quia). Dat laatste doen de Gereformeerden. Het eerste (quatenus of voor zoover) doen de ethischen. Maar dat beteekent dan in werkelijkheid, dat er veel, héél veel over boord moet worden geworpen als hinderlijke ballast; ja, als schadelijk zijnde voor de echte, rechte openbaring en doorwerking der waarheid !
Zoo wordt de belijdenis dan geroemd, maar tegelijk om hals geholpen, alsof iedere „vrome" persoonlijk (met een beroep op het getuigenis des Heiligen Geestes in eigen hart!) 't recht heeft, om de kerkelijke belijdenis geheel of gedeeltelijk buiten werking te stellen.
Liefde tot de belijdenis, liefde tot den Bijbel — maar tegelijk vrijheid tegenover de belijdenis en vryheid tegenover de Heilige Schrift. En wel een zoodanige vrijheid (met beroep op de letter, die doodt en op den geest, die levend maakt!), dat men met belijdenis en Bijbel doet wat men (, 4e vrome mensch") wil. Vrome vrijheid, met vrije vroomheid, maar waarbij de kerkelijke belijdenis en de Heilige Schrift er dikwijls slecht afkomen !
Wy hebben op deze dingen acht te geven! Want hoe aangenaam 't zijn kan lofprijzingen te hooren op de belijdenisschriften der Kerk (die inderdaad waard 2ajn om in eere te worden gehouden ook in dezen tijd !), wanneer tegelijk ontbreekt de rechte waardeering van de eigenlijke beteekenis dezer kostelijke stukken, moet ons dat op onze hoede doen zijn en ons vermanen tot de uiterste voorzichtigheid. Want dan zou het kunnen zijn, , dat we ons door den schyn der mooie woorden lieten bedriegen en lieten inpalmen, om er heel wat van te verwachten voor de toekomst en dat zou op niets anders dan de bitterste teleurstelling uitloopen. We moeten er voor waken, dat men niet te kort doet aan het wettig eigendom der Kerk en dat 'men de belijdenisschriften niet anders neemt dan die belIjdenisschrlften der Kerk dat zelf willen en bedoelen, naar eigen uiteenzetting, overeenkomstig de Schriften.
Menschen, die praten van een „geest" die leert, dat de bijbelschrijvers het met hun, bekrompen blik en verouderd inzicht bij 't verkeerde eind hebben, vertrouwen we niet. We gaan er niet voor op zij. En we zullen deze „geesten" (want er zijn er vele van dat soort!) tegenstaan, zooveel we kunnen, juist omdat we gelooven in den Heiligen Geest, die in alle waarheid leidt en doet zeggen: „Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad".
Men zal moeten beginnen met de belijdenisschriften der Kerk te nemen, zooals zij zelf genomen willen warden, sprekende naar Gods Woord.
En de Kerk, die zich in deze wegen schikt en gewillig is om in deze oude, beproefde paden te wandelen, zal door Gods genade en naar Gods belofte, mogen staan als een pilaar der waarheid, als een getrouwe getuige van Jezus Christus, zijnde een lichtend licht en een zoutend zout.
Hier ligt de schat der Kerk : Gods Woord. En nasprekende het Woord des Heeren zegt zij : hier is mijn belijdenis!
Die belijdenis zal ons heilig moeten zijn. Door philosophlsche dwaasheden laten we ons dit dierbaar pand, dit vaderlijk erfgoed niet ontrooven.

DE GROND DER ZALIGHEID.
Maarten Luther schreef 20 Mei 1531 onderstaande brief aan zijn Moeder :
„Gij kent het rechte hoofdstuk en den grond uwer zaligheid, waarop gij uw troost zult bouwen in alle nooden, namelijk den hoeven Jezus Christus, die niet wankelen noch falen zal, noch ons kan laten zinken of ondergaan. Want Hij is de Heiland en heet de Heiland van alle arme zondaren en van allen, die in nood en dood verkeeren, zoo zij zich op Hem verlaten en Zyn naam aanroepen. Hij spreekt: Heb goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen". (Joh. 16 : 33). En wij zullen daaraan niet twijfelen, het is gewisselljk waar. En niet alleenlijk dit: Wij worden ook vermaand, dat wij met blijdschap en dankzegging dezen troost aanvaarden zullen. En wie zich door zulke woorden niet wil laten troosten, die doet den liefdevollen Trooster onrecht en de grootste oneer aan, alsof het niet waar is, dat Hij zegt, ons te troosten. Daarom mogen wij ons nu met alle zekerheid en blijdschap verheugen en wanneer een gedachte aan zonde of dood ons wil schrik aanjagen, mogen wij daartegen ons hart verheffen en zeggen : „Zie, lieve ziel, - wat doet ge ? Lieve dood, lieve zonde, waarom leeft gij en verschrikt mij ? Weet ge dan niet, dat ge overwonnen, en gij, dood, dat ge dood zijt ? Kent ge niet lemand, die van u zegt: Ik heb de wereld overwonnen"? Het betaamt mij niet uw verschrikkingen aan te hooren of aan te nemen, doch slechts de troostwoorden van mijn Heiland: Heb goeden moed, heb goeden moed. Ik heb de wereld overwonnen !" Dat is de Overwinnaar, de rechte Held, die mij hiermede Zijn overwinning geeft en beeigent: Heb goeden moed !" Daarbij blijf ik. Aan dit woord van troost houd ik mij vast, daarop blijf ik hier of ga daarheen ; dat bedriegt mij niet. — Daarop beroemt Paulus zich ook en wederstaat den schrik des doods (1 Kor. 15). „De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar Is uw prikkel ? Hel, waar is uw overwinning ? Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus' Amen."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's