STAAT EN MAATSCHAPPIJ
EEN SLUITENDE BEGROOTING.
Het groote bezulnigingsontwerp, dat op dit oogenblik de aandacht van ons volk bezig houdt en van welks Inhoud ook in ons blad van 14 dagen geleden het een en ander werd medegedeeld, heeft — en dat was te verwachten — naast instemming, ook nu reeds heel wat tegenstand ontmoet. Zij, die van een belangrijke verlaging der openbare uitgaven niet willen weten, hebben naar een stok gezocht om daarmede het ontwerp te lijf te gaan en deze stok ook gevonden in de samenkoppeling der bezuiniging aan de verlaging van de zoogenaamde vaste lasten; of met andere woorden : de tegenstanders van het ontwerp stellen den eisch, dat de Regeering zoó tijdig wettelijke maatregelen tot verlaging der vaste lasten zal indienen, dat een gelijktijdige behandeling van het wetsontwerp tot verlaging der openbare lasten met die wettelijke maatregelen verzekerd is.
De bedoeling van deze samenkoppeling is natuurlijk geen andere, dan de bezuiniging op de lange baan te schuiven.
Dat de vaste lasten de belangstelling der Regeering moeten hebben en Inderdaad ook hebben, blijkt duidelijk uit de voornemens van het Kabinet, zoo ten aanzien van de vermindering van de opcenten op de aanslagen in de grondbelasting wegens gebouwde eigendommen ten einde de verlaging van de huren van hulzen mogelijk te maken, als ten opzichte van de vermindering der omzetbelasting voor zoover het gas en electrische energie betreft.
De tegenstanders van de bezuinigingspolltiek der Regeering willen intusschen, dat op het stuk der vaste lasten verder wordt gegaan. En dit kan ook en zal ook moeten, doch daaraan zal vooraf moeten gaan het bultend maken der begrooting.
Dit is de allereerste eisch, die gesteld moet worden.
Wanneer in tijden van watersnood het hoogopstuwende water een gat in den dijk slaat, is niet de eerste vraag deze, op welke wijze zoo aanstonds de dijk in een doeltreffende waterkeering is te herstellen, doch moeten onverwijld alle handen Inééngeslagen worden om het gat te dichten.
Zoo ook staat het met de financiën des Rijks voor het geval, dat deze hopeloos in de war dreigen te geraken. Dan is niet de vraag aan de orde hoe de huishouding van den Staat voor de toekomst beter ware in te richten en naar welke beginselen de lasten, die moeten worden opgebracht, het billijkst over de bevolking waren te verdeelen, doch dan moeten al die maatregelen getroffen worden die dienen kunnen om het land voor den financiëelen chaos te behoeden.
Reeds vestigden wij in het artikel „Nationaal Werk", voorkomende in ons blad van 2 Mei, er met de cijfers de aandacht op, dat in de vier jaren, die achter ons liggen, een bedrag van rond 500 millioen gulden is ingeteerd geworden, welk bedrag uit leeninggeld moest gedekt worden. Dit tekort van 500 millioen gulden was oorzaak dat de Staatsschuld — geconsolideerde en vlottende schuld tezamen — die op 31 December 1930 op 2.682 millioen gulden stond, op 31 December 1934 een hoogte bereikte van 3.362 millioen gulden. Alzoo een vermeerdering van schuld met 680 millioen, of een stijging met 25%.
Dat deze toestand niet zoo kan voortduren, is begrijpelijk. Het gat in de rijksfinanciën, dat reeds te lang open lag, moet onverwijld worden gesloten, zal Nederland niet gedwongen worden zijn monetaire politiek te wijzigen of wil ons land zijn crediet niet ernstige schade toebrengen.
Wat dit laatste betreft, zal men moeten toegeven, dat van de credletwaardigheid van Nederland afhangt, of er voor groote werken, die ter bestrijding van de werkloosheid moeten worden ter hand genomen, een beroep op de geldmarkt met gunstigen uitslag zal kunnen worden gedaan. Aan verzwaring van den belastingdruk valt niet te denken.
Ter illustratie van den teruggang van het welvaartspeil van het Nederlandsche volk en van de belastingen, die geheven worden, moge het volgende dienen : 't Gemiddelde inkomen per aangeslagene in de Rijksinkomstenbelasting over 1915/1916 (inkomen 1914) bedroeg (na correctie met het indexcijfer 1.4) ƒ 3203.—. Over het jaar 1933/1934 (inkomen 1932) toedroeg bet ƒ 2125. De opbrengst der Rijks-, Provinciale-en Gemeentebelastingen bedroeg per hoofd der bevolking In de periode 1910/1914 (na correctie met het genoemde indexcijfer) gemiddeld ƒ 49. In 1932 bedroeg die opbrengst ruim ƒ 91 per hoofd.
Wat voorts de groote inkomens betreft, d.w.z. die van minstens ƒ 100.000, deelt de statistiek der inkomens en vermogens in 1933/1934 melde, dat het aantal dezer inkomens in het belastingjaar 1920/1921 op 1421 stond, terwijl dit aantal in het belastingjaar 1933/1934 teruggeloopen was op 293.
Al deze cijfers geven een duidelijk beeld van den teruggang van het welvaartspeil van ons volk sedert het intreden der crisis.
Het behoeft dan ook niet te verwonderen, dat de inkomsten uit de belastingen elk jaar teruggaan.
Daarom is bezuiniging een onafwendbare eisch voor een goed en juist Regeeringsbeleid.
Ook de tegenstanders van de verlaging van de openbare uitgaven zullen, wil de Nederlandsche Staat niet failliet gaan, daaraan moeten gelooven.
Er moet bespaard worden op de uitgaven.
De Rijksbegrooting dient sluitend gemaakt te worden.
En dat onverwijld.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's