DE RECHTVAARDIGMAKING
Toen de mensch in den staat der rechtheid stond, had hij een bepaalde taak, een roeping, hem van Godswege opgelegd, te vervullen.
Van die taak spreken de woorden van Genesis, dat God de Heere hem in den hof deed wonen om dien te bebouwen en t e bewaren. Van die roeping getuigt evenzeer het gebod om niet te eten van den boom der kennis des goeds en des kwaads.
Het spreekt haast vanzelf, dat we deze roeping en taak ons niet eeuwigdurend kunnen denken. De gedachte aan een taak en roeping roept ook voor ons besef de gedachte aan een vervulling van die taak en roeping op.
Van die vervulling gewaagt de boom des levens. Want al was het den mensch geoorloofd te eten van zijn vrucht, deze vrucht is voor hem niet anders dan een belofte van het eeuwige leven, dat hem wacht. Wijl deze belofte in een zichtbaar onderpand is uitgedrukt, hebben tal van vroegere theologen in de vrucht van den boom des levens een sacrament gezien in den zin, waarin de Heid. Catechismus het woord sacrament verklaart.
De roeping en taak van den mensch, die naar Gods beeld is geschapen, wordt In den Catechismus genoemd : opdat hij God zijn Schepper recht kennen en van harte liefhebben zou, terwijl het doel, waartoe de vervulling der roeping zou lelden, dus wordt omschreven : opdat hij met Hem. in de eeuwige zaligheid zou leven om Hem te loven en te prijzen.
Gelijk de overtreding het oordeel des doods over den mensch zou brengen, zoo zou bij volbrenging der goddelijke roeping de belofte des eeuwigen levens vervuld worden. Dit eeuwige leven moet dan tevens gedacht worden als de eeuwige rust, het einde van alle verzoeking en strijd in den zin, waarin Augustinus den staat van den mensch in het paradijs weergaf als een toestand van kunnen zondigen, maar het eeuwige leven als een toestand van niet meer kunnen zondigen.
Toen de mensch viel, kon er dus van een tweeerlei gebrek worden gesproken. Eenerzijds was daar de overtreding, door welke de mensch zich zelf onder het rechtvaardig oordeel Gods had gesteld, maar anderzijds was daar ook het in ge breke blijven van het vervullen der goddelijke roeping.
Daaruit volgt, zullen wij in de eeuwige rust kunnen ingaan, dat dit tweeërlei gebrek moet worden vervuld. Eenerzijds is het dus noodig, dat de schuld worde verzoend en in dien weg het oordeel des doods, waaronder wij liggen, worde weggenomen, maar anderzijds blijft het evenzeer noodig, dat de goddelijke roeping, den mensch gesteld, tot den einde toe worde volbracht.
Wanneer deze dingen ons duidelijk zijn, valt er klaar licht op het semi-pelagianisme, dat niet alleen in de Roomsche Kerk, maar ook onder het Protestantisme zoo sterk is. Men laat n.l. het eene gebrek door Jezus vervullen en het andere door den mensch zelf. De verzoening der schuld zoekt men in Jezus' bloed, maar de vervulling der goddelijke roeping legt men op den begenadigden mensch. Daarmede wordt niet ontkend, dat de genade van Christus tot het vervullen van deze roeping sterkt, maar 't Is in elk geval de mensch, die deze roeping in zijn leven vervullen moet, zoodat de vervulling zijn gerechtigheid voor God wordt, die hem de toegang tot het eeuwige leven ontsluit.
Lijnrecht tegenover dit semi-pelagianisme staat de verklaring van den Catechismus, dat Jezus öf geen volkomen Zaligmaker is of de geloovigen moeten alles in Hem hebben, wat tot zaligheid noodig is, dus ook de vervulling der roeping, met welke de mensch eens van God is geroepen.
Aan dit laatste denkt de apostel, als hij spreekt van de gehoorzaamheid van Eénen, door welke velen tot rechtvaardigen gesteld worden.
Zoo ook in het bekende woord, waar hij Jezus noemt als van God ons gegeven tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en een volkomen verlossing. Rechtvaardigheid is hier meer dan verzoening, al sluit ongetwijfeld het meerdere het mindere in. In plaats van het woord rechtvaardigheid wordt ook gerechtigheid gebezigd, waarom wij Christus noemen naar het profetische woord de Heere, onze Gerechtigheid.
Deze rechtvaardigheid of gerechtigheid van Christus is dus gelegen in Zijn gehoorzaamheid, d. i. de vervulling, met welke Hij de goddelijke roeping vervuld heeft, die wij nagelaten hadden te volbrengen. Want ofschoon Hij als het Eeuwige Woord mede de wet heeft gesteld, heeft Hij als het vleèschgeworden Woord zich onder de wet gesteld, zooals de apostel zegt, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. Zoo vond de Zoon des menschen op Zijn weg ook de boom der kennis des goeds en des kwaads en den Satan, die met zijn leugenen Hem wilde verleiden om van de verboden vrucht te eten, maar het zwaard des Geestes was aan Zijn heup gegord en met het daar staat geschreven zond Hij den menschenmoorder van zich. Volhard heeft Hij in de taak. Hem van den Vader opgedragen, tot den einde toe, en deze taak was zwaarder dan die van den mensch in het paradijs, dewijl Hij deze taak had te vervullen onder den vloek in een wereld van ellende in plaats van in een paradijs. Daarom wordt met zulk een nadruk gezegd, om. de volkomenheid van Zijn werk naar voren te brengen, dat Hij gehoorzaam is geweest tot in den dood des kruises.
Deze roeping nu heeft Hij vervuld ten bate der Zijnen. Zooals Hij het kruis heeft gedragen om de zonden der Zijnen te verzoenen, zoo heeft Hij Zijn schouderen gebogen onder alle gebod der goddelijke wet, opdat Hij met deze Zijn gerechtigheid de Zijnen zou kunnen bekleeden voor God.
Hier is dus sprake van dien gezagenden ruil, van welken Luther gewaagt, waardoor onze zonden op Christus zijn gelegd en Zijn gerechtigheid op ons. Paulus drukt het dus uit: dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
Dat maakt de rechtvaardigmaking van Gods Kerk zoó volkomen, dat zij wordt rechtvaardig gesproken in die volmaakte borggerechtigheid van den Middelaar. Niet alleen de schuld is verzoend, maar ook de goddelijke roeping volkomen volbracht, en zoo wordt die gerechtigheid van Christus haar toegerekend, dat zij voor God staat, alsof zij in eigen persoon alles volbracht had, wat Christus voor haar volbracht heeft. Daardoor is zij dus volkomen rechtvaardig voor God en is haar daarmede tevens de toegang tot het eeuwige leven ontsloten. Volmaakt in Hem.
Hier is het, dat alle scheiding tusschen God en mensch is weggenomen ; hier wordt het Abba, Vader, op de lippen gelegd, hier getuigt de Heilige Geest aan onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Hoe zalig is het, om dit in den weg des geloofs te mogen verstaan en als een Simeon met Christus in de armen voor God te verschijnen. Toen ik dit had leeren kennen, zegt Bunjan, was ik als de rijke menschen, die wel wat goudgeld in de zak hebben, maar hun schatten hebben zij thuis veilig geborgen in kisten en kelders. Toen had hij zijn schat in den hemel, Christus, de Heere, zijn Gerechtigheid en al wat hij hier genoot en smaakte van Gods goedheid en genade, was maar wat kleingeld uit die hemelsche schat genomen, ras weer uitgegeven en verteerd, maar onaangetast bleef zijn schat, altijd even volmaakt was die gerechtigheid van zijn Borg, een gedurige toevlucht in zijn zeer diepe armoede.
Maar, zoo vragen velen bij de uiteenzetting van deze waarheid, heeft de christen hier dan geen roeping en taak meer ? Nergens wordt dit door het evangelie ontkend, maar die roeping mag niet zoó gezien worden, alsof de volbrenging daarvan de grond van des christens hope voor de eeuwigheid vormt. De hope des eeuwigen levens rust enkel op het volbrachte wenk van den Middelaar. Indien dat niet het geval ware, was de scheiding tusschen ons en God niet volkomen weggenomen en stond de zekerheid des heils altijd op wankele schroeven. Als onze behoudenis afhangt van het werk, dat wij moeten verrichten in dit leven, en dus van onze volharding in den weg van Gods geboden, dan, dat hebben onze vaderen op de Dordtsche Synode tegenover de Remonstranten duidelijk uitgesproken, is er voor waarachtige zekerheid evenmin plaats als voor waarachtige blijdschap.
Daarom juist is de waarheid van Christus' toegerekende borggerechtigheid zoo troostvol, wijl in deze toerekening besloten ligt, dat wij voor Gods aangezicht staan als die hun goddelijke roeping volkomen hebben volbracht.
Niet, dat wij thans niet geroepen zijn om met een teer geweten voor Gods aangezicht te wandelen ; niet, dat God al onze afwijkingen maar door de vingers zou zien. Neen, de Heere zegt zelfs tot Zijn volk : u alleen heb Ik uit alle volkeren uitverkoren, daarom zal Ik al uw zonden aan u bezoeken. Maar als niettegenstaande dat alles Gods kinderen door het geloof niet verzekerd waren van de vergeving van al hun zonden, niet verzekerd waren van hun rechtvaardigmaking in Christus Jezus, niet verzekerd waren van hun staat voor de eeuwigheid door hun geborgen zijn in den Borg, zoo konden zij nimmer 't hoofd omhoog heffen en zingen van d' eerkroon, die zij dragen zullen, zoo hadden zij nimmer een vrijmoedigen toegang tot God, zoo konden zij te midden van dit leven niet staan in de blijdschap des geloofs.
In het antwoord op de 56ste vraag van den Catechismus drukt de christen het dus uit, dat God om des genoegdoens van Christus wille, alle mijne zonden, ook mijn zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken. In denzelfden zin wordt van de geloovigen in het antwoord op de 81ste vraag gezegd, dat zij nochtans vertrouwen, dat hun zonden hun om Christus' wil vergeven zijn en dat ook de overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is.
Ofschoon de geloovigen in zich zelf nog zondaren zijn, zooals zij telkens tot hun smart ervaren, zijn ze nochtans door het geloof in Christus rechtvaardig en volkomen voor God. De aanklevende verdorvenheid' en de gedurige openbaring daarvan maakt hun staat voor de eeuwigheid niet wankel en doet de hope des eeuwigen levens niet te niet. Dat is het wondere van het nochtans des geloofs.
Zullen Gods kinderen door dit wonder des geloofs in de ruimte worden gesteld, zoo behoort hun oog ontsloten te worden voor den rijkdom van Gods genade in Christus, in het bizonder voor de door Hem aangebrachte borggerechtigheid.
Niet, dat wij met onze uiteenzettingen daarvoor het oog (kunnen ontsluiten. Ik heb mij eens laten verleiden om een mensch, die hongerde en dorstte naar Gods genade, de lezing van een bepaald boek aan te bevelen, dat God had willen gebruiken om mij te overtuigen, dat er een volmaakte gerechtigheid is in Christus, die volkomen rechtvaardig maakt voor God. Heimelijk dacht ik, dat het gebrek aan licht, waaronder die ziel gebogen ging, misschien daardoor kon worden weggenomen. Maar spoedig bemerkte ik tot mijn beschaming, dat God deze eer voor Zichzelf behoudt om de duisternis tot licht te stellen. Niettegenstaande echter de erkenning van des Geestes werking in wondere vrijmacht, rust op alle predikers de roeping om de volkomen verlossing, die er is in Christus, met al de gaven, die hen gegeven zijn, onophoudelijk te prediken, opdat de duisternis, in welke Gods Kerk in onze dagen leeft, geen vrucht zij van een prediking, die den Christus verbergt, in plaats van Hem te openbaren.
Wij moeten onophoudelijk door de prediking des Woords van onze rustplaatsen worden afgedreven, opdat wij in oprechtheid met den apostel mogen belijden van niets te willen weten dan van Jezus Christus en dien gekruisigd.
O. a/d IJ.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's