VRAGENBUS
Vraag : We hooren spreken bij de geloovigen van hun staat en van hun stand, wat is daarvan de beteekenis ?
Antwoord : De staat is datgene waarvoor we juridisch gerekend en gehouden worden. Zoo is de staat van den geloovige, dat hij rechtvaardig gehouden wordt voor God en zonder zonden gerekend wordt door den Heere, in Christus aangezien en gerekend wordend door den hemelschen Rechter, die, om Christus' wil, een goddelooze rechtvaardigt, om niet, zonder de werken der wet. Dat is de rechtvaardigheid van den goddelooze, van den zondaar, van den onheilige, die in Christus gerekend wordt als hadde hij nooit zonde gedaan en als hadde hij al de geboden Gods gehouden in alle gehoorzaamheid. (Lees Zondag 23 van onzen Heidelb. Catechismus ; die pracht-Zondagsafdeeling. Dat antwoord moest ieder onzer van buiten leeren, mocht het zijn om het geloovig in zich te m.ogen opnemen en bezitten !) Dat is dus de staat van den geloovige, zooals hij nu, in Christus, voor God gerekend wordt en door God gehouden wordt (juridisch, rechterlijk).
De stand is iets anders. Want als we spreken van iemands stand, dan bedoelen we datgene, wat een geloovige in werkelijkheid is; z'n werkelijke, feitelijke toestand in en van zich zelf, voor God. En dan kan de stand van den geloovige zeer verschillend zijn. Hij kan er „goed" voorstaan, wat z'n zieletoestand en z'n levensstand betreft. Hij kan er ook minder goed voorstaan in z'n feitelijke levenstoestand. De rechtvaardige is dan volgens z'n staat voor God rechtvaardig in Christus en wordt (juridisch gerekend) als zonder zonde te zijn, maar z'n stand kan zijn, dat hij in z'n feitelijk leven vol zonden en tekortkomingen is en schuldig staat door z'n overtredingen ; gansch niet beantwoordend aan den eisch van Gods heilige wet, in al haar geboden.
Overal vlekken en rimpels !
De staat van den geloovige, in Christus gerekend, staat vast en verandert niet, maar blijft tot in eeuwigheid. De stand is aan wisselingen onderhevig. „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods". Gelukkig volgt er dan : , ik danke God, door Jezus Christus onzen Heere".
Wanneer wij het over den Heiland en Middelaar Jezus Christus hebben, spreken we ook van Zijn staten; en wel de staat Zijner vernedering en de staat Zijner verhooging. Zoo is Zijn juridische verhouding tot God. In den staat der vernedering wordt Hij (die geen zondaar is) door God tot zonde gemaakt en als zondaar gerekend en behandeld, zijnde de juridische verhouding, waarin de Heiland als Borg voor een zondig volk bij God gerekend wordt. Zijn staat is dus : Zondaar ! Maar Zijn stand voor God — zooals Hij in Zich Zelf is — is : heilig, onnoozel, onbesmet, zonder vlek en rimpel, het heilig Kind Jezus, dat altijd bezig is in de dingen Zijns Vaders !
Vraag : Gaat het genadewerk des Heeren geheel en al om buiten den wil en de eigenschappen van den mensch ?
Antwoord : We spreken van Gods vrije genade, van Zijn souverein welbehagen. Hier is niets uit den mensch, maar alles uit Hem. „Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave ; niet uit de werken, opdat niemand roeme". „Zoo is het dan niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods". Het behoud van den zondaar is van het begin tot het einde Gods werk. Heel het leven der genade is uit Hem. „Uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen".
Maar — nu is dit werk Gods aan en in den zondaar evenwel niet zóó te verstaan, als zou het gansch en al omgaan buiten den wü en de eigenschappen van den mensch. Onze Gereformeerde Vaderen hebben deze moeilijke kwestie onder de oogen gezien, toen de dwalingen der Remonstranten valsche beschuldigingen tegen de Gereformeerde Waarheid onder de menschen brachten. De Remonstranten, die een Pelagiaansche menschbeschouwing voorstonden en den grond der zaligheid in den mensch gingen leggen, beschuldigden de Gereformeerden, dat deze leerden dat de mensch een stok en een blok was. Maar dat is laster. Zeker, het beginsel der genade met al den aankleve van die, is uit God. en niet uit den mensch. Het is niet de mensch die begint, voortzet en voleindigt, maar God, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn. Het is altijd weer genade ; genade vóór en genade na, zoodat dan ook de Heere alléén de roem zal ontvangen tot in eeuwigheid. Maar nu hebben onze Gereformeerde Vaderen, op voorbeeld der Schrift, toch geleerd : de goddelijke genade der wedergeboorte werkt in de menschen niet als in stokken en blokken en vernietigt den wil en zijne eigenschappen niet, dwingt hem niet met geweld zijns ondanks — maar als de Heere met Zijn genade komt te werken, maakt Hij den mensch geestelijk levend, heelt hem, verbetert hem en buigt hem liefelijk en krachtig. Als de Heere den zondaar komt zoeken, die Hem niet zocht, maakt Hij hem zoekende, liefelijk en krachtig in hem werkend. Als de Heere komt omzien naar den mensch, die naar Hem niet omzag, maakt Hij hem uitziende, roepende, vragende, liefelijk en 'krachtig in hem werkend. Alzóó, dat (waar de wederspannigheid en tegenstand des vleesches tevoren ten eenenmale de overhand had) daar nu een gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand begint te krijgen.
Dit gevoelen van onze Gereformeerde Vaderen kan men vinden in het geschrift, dat de contra-Remonstranten tegen de leeringen van de Arminianen hebben opgesteld, nl. in de Vijf Leerregels van Dordt, hoofdstuk III en IV, art. 16
Hier raken we de bekende woorden der Heilige Schrift: het is God, die in u werkt, beide het willen en het wenken naar Zijn welbehagen — waaraan onmiddellijk voorafgaat: werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven.
De Heere wil dus in Zijn werk tot redding en zaliging ons denken, willen en doen opnemen. Wanneer Hij ons aanraakt, raakt Hij tegelijk ons verstand (hoofd), ons gevoel (hart) en wil (hand) aan en Zijn onwederstandelijke genade zet ons denken, willen en doen in beweging. Denk maar aan Manasse, aan Zacheüs, aan Saulus, aan Luter, aan Calvijn en zoovele anderen. Ms Hij zoekt, dan komen er zoekers, , als Hij werkt, komen er werkers, als Hij aanraakt, komen er bidders, als Hij ontdekt, komen er vragers. En die zoekers wil Hij troosten met velerlei beloften, die aan het zoeken verbonden zijn. Die zoekt, zal vinden; die klopt, dien zal worden opengedaan. Zoekt den Heere, zoo zal' Hij Zich ontfermen; roept Hem aan, zoo zal Hij Zich niet doof houden; bekeert u tot den Heere, want Hij vergeeft menigvuldiglijk. (Jesaja 55 vers 6 en 7).
De eisch ligt er dan : de goddelooze verlate zijn weg en de ongerechtige man zijn gedachten.
Achteraf blijkt dus in den weg des zondaars of hij een gekende des Heeren is, als hij door God, die hem zocht, zoekende gemaakt is ; als hij door liefelijken drang krachtig is bewogen, om zich op den weg om te keeren van den zondedienst tot den dienst des Heeren; als zijn gedachten zijn beroerd geworden, om met droefheid te overleggen zijn ongerechtigheden en den Heere te zoeken en op Hem aan te loopen. Denken, willen, doen — hoe staat het 'met ons ? Het is nu de welaangename tijd, de dag der zaligheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's