De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

7 minuten leestijd

Wij hebben eenigszins uitvoerig stilgestaan bij den objectieven grondslag van de rechtvaardigmaking, zooals die gelegen is in de verlossing, die in Christus Jezus is, wijl juist in dit stuk het verschil ligt tusschen ons en de beschouwing der ethische richting ten opzichte van de rechtvaardigmaking.
De opvatting der moderne richting kunnen we hier laten rusten. Voor haar bestaat heel de rechtvaardigmaking in de vergeving, waarmede de hemelsche Vader onze zonden ons vergeeft. En nu moge er verschil zijn onder de modernen en de een dit natuurlijk en vanzelfsprekend vinden, terwijl de ander hier van een nochtans van het geloof tracht te spreken, (waarbij dit nochtans niet zoozeer tegenover het beschuldigend' geweten staat, maar meer tegenover het raadselachtige van dit leven en de verborgenheid van Gods liefde), in dit opzicht zijn zij één, dat die vergeving der zonden niet gegrond is in de verlossing, die in Christus Jezus is. Niet, dat zij alle beteekenis voor het godsdlenstige leven aan Jezus ontzeggen, niet, dat sommigen hunner niet een groote plaats geven aan de Christus-idee, maar dit is iets gansch anders, dan wat de Schrift verstaat onder de verlossing, die in Jezus Christus is. Voor een Borg, voor een Middelaar, voor een Zaligmaker, voor een Jezus, die gestorven is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking, is in hun belijdenis, of liever in hun beschouwingen geen plaats.
De ethische richting wordt echter in den regel tot de orthodoxie gerekend, en daarom geacht veel dichter bij ons te staan. Hoe zij over de dingen oordeelt, ook over het stuk der rechtvaardigmaking, boezemt onze menschen daarom veel meer belangstelling in. Toen ik b.v. dezen winter door de Gereformeerde Jeugdcentrale te Rotterdam werd uitgenoodigd om over de verschillende richtingen te spreken, werd ik verzocht te handelen over de ethische, de confessloneele en de gereformeerde richting. Men had de moderne richting buiten beschouwing gelaten, eenerzijds ijl zij zoo ver van ons afstaat, anderzijds, wijl in Rotterdam de predikant van moderne richting in de Hervormde gemeente geen plaats heeft. Maar met de ethische richting heeft men daar en elders vaak ook gedurige aanraking. Daarom ish et gewenscht iets over de opvattingen der ethische richting met betrekking tot bepaalde punten te weten.
Kan men echter wel spreken van een gevoelen der ethische richting ten opzichte van een betaald leerstuk ? Is de ethische richting wel een tamelijk gesloten eenheid, zoodat zij er een bepaalde belijdenis op na houdt ? In zekeren zin niet. Zij is wel een gesloten geheel, maar niet daarin, dat zij haar eenheid grondt op een eenheid in belijdenis. De vertegenwoordigers der ethische richting loopen in hun beschouwing van bepaalde stukken soms zeer uiteen. Men heeft er een linksche en een rechtsche groep. De linksche groep vloeit in de moderne richting over, de rechtsche leunt tegen de confessloneele richting aan. Toch reiken de linksche en de rechtsche groep elkander zeer broederlijk de hand, wijl het z.g.n. ethische beginsel hen verbindt.
Het is niet gemakkelijk met een paar woorden dit ethische beginsel weer te geven. Ofschoon de historie er wel licht op laat vallen en eveneens doet zien, dat de naam volstrekt niet willekeurig gekozen is.
Onlangs las ik een stuk van een vertegenwoordiger der ethische richting, die zich niet voor zijn richting, maar voor den naam der richting eenigszins scheen te schamen, wijl die volgens hem zoo weinig zeggend was. Deze schaamte was misplaatst. Het ware beter geweest, dat zij de richting inplaats van den naam gegolden had, want de naam is misschien nog het voornaamste sieraad dezer richting.
De naam ethisch is gekozen door D. Chantepie de la Saussaye, en zoowel in de 'keuze van den naam als in het beginsel, dat die naam bedoelt uit te drukken, verraadt zich de hand van den meester.
Het wezen en de kracht van de gereformeerde belijdenls heeft de la Saussaye niet gekend. De orthodoxie zijner dagen heeft hij vereenzelvigd met de scholastieke vorm, waarin hij haar ontmoet had. Daarom verwachtte hij van de bestaande orthodoxie, die hij slechts zeer eenzijdig kende, geen herleving van Kerk en Christendom.
Aan de andere zijde heeft hij het gevaar, dat van het opkomende modernisme Kerk en Christendom bedreigde, zeer goed onderkend en hij heeft het als een goddelijke roeping gezien om daartegen te getuigen en zoo mogelijk dit gevaar te bezweren. Daarom zoekt hij naar een nieuw uitgangspunt, vanwaar zoowel een wetenschappelijke als een geestelijke herleving verwekt kan worden en waardoor het mogelijk zou zijn ook in een nieuwen tijd met nieuwe vragen het evangelie van Jezus Christus te handhaven.
Eenerzijds wil hij zich dus keeren tegen de nieuwere wijsbegeerte dier dagen (Opzoomer's empirisme)), die in haar toepassing op de theologie den grondslag van het evangelie ondermijnde, zooals het modernisme spoedig deed zien, en anderzijds wenscht hij het intellectualisme van de scholastiek te ontgaan, waardoor eveneens te kort werd gedaan aan het wezen van het Christendom. Het is er hem om te doen geweest den geheel eigen aard van het leven des geloofs te onderkennen en uit te drukken. Daarvoor kiest hij het woord ethisch, en het valt niet te ontkennen, gezien de vijand tegen welke hij zich keert, dat deze naam veelzeggend is en bij een gezonde ontwikkeling een heel andere beduidenis zou gehad hebben, dan hij nu in den loop der historie heeft verkregen.
Van zulk een gezonde ontwikkeling is echter geen sprake. De vader der ethische richting, die zeer terecht de wijsbegeerte en het intellectualisme ter voordeur heeft uitgewezen, wijl zij niet In staat zijn den waren aard van het leven des geloofs te verstaan en te verklaren, heeft onmiddellijk de wijsbegeerte de achterdeur weer ingelaten. Wij zouden ook kunnen zeggen : Hij heeft een bepaald soort wijsbegeerte de deur gewezen, maar een ander soort wijsbegeerte te hulp geroepen. Het theologisch beginsel, dat besloten ligt in de aanvaarding van het evangelie als bizondere openbaring Gods, heeft hij vermengd met een humanistisch beginsel, dat z.i. alleen in staat was den christen tot zijn wetenschappelijke roeping te bekwamen. In deze vermenging van het theologisch en humanistisch beginsel ligt de tweeslachtigheid, die de ethische richting van den aanvang gekenmerkt heeft en nog Immer kenmerkt. Daaruit laten zich ook de groote verschillen binnen de ethische richting verklaren, wijl van beslissende beteekenis kan zijn, welk beginsel met duiding van het andere den toon aangeeft.
Hier ligt natuurlijk ook de reden, om welke men niet kan zeggen : zoo denkt de ethische richting over de rechtvaardigmaking. En toch is er bij alle onderling verschil een geestesverwantschap, wijl men niet meer tot de ethische richting zou behooren, zoo men met dit humanistiche beginsel volkomen brak. Daarom heb ik nog immer een vertegenwoordiger der ethische riching over de rechtvaardlgmaking gehoord, die, wat onze belijdenisgeschriften in dezen zeggen, volkomen onderschreef. Wel tracht men vaak de bijbelsche en geijkte uitdrukkingen te behouden om het contact met de Schrift en de gemeente niet geheel te verliezen, maar ze worden dan met een andere inhoud gevuld.
Om niet in algemeenheden te blijven hangen, is het mijn bedoeling te wijzen op wat een van de edelste vertegenwoordigers van de ethische richting, zooals hij door eigen geestverwanten is genoemd, wijlen dr. J H. Gerritsen, over de rechtvaardigmaking heeft geschreven in een studie, opzettelijk aan dit onderwerp gewijd. De volledige titel van het werk luidt: Rechtvaardigmaking bij Paulus in verband met de prediking van Christie in de synoptici en de beginselen der reformatie.
Daarnaast zullen we ook een oogenblik naar voren brengen, wat dr. J. Riemens Jr. in zijn Christelijke Dogmatiek over ons onderwerp zegt. Dit laatste is een klein werkje van populairen aard, in 1924 bij Callenbach in Nijkerk uitgekomen, en dat in zijn titel reeds een eigenaardige geesteshouding van een groot deel der ethische richting typeert. Terwijl Bavinck zijn dogmatiek Gereformeerde Dogmatiek noemt, noemt dr. Riemens de zijne niet Ethische Dogmatiek maar Christelijke Dogmatiek. Het is een bewijs, hoezeer de ethische richting meent het wezen van het Christendom gegrepen te hebben, in onderscheiding van alle andere richtingen, en hoezeer zij zichzelf het hart der Christelijke Kerk acht te zijn. Niettegenstaande al het vage en zwevende, dat de ethische richting eigen is, is zij nochtans zichzelf bewust en eischt krachtens dit zelfbewustzijn bijna immer de leiding voor zich op.
O. a/d U.
Woelderink.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's