De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

10 minuten leestijd

De theologie van de vorige eeuw ten onzent kenmerkt zich door een buitengewone afhankelijkheld van het buitenland, in het bizonder van Duitschland. Al kan het niet ontkend worden, dat de vaders der ethische richting ten onzent, als Chantepde de la Saussaye en Gunning, mannen van groote bekwaamheid zijn geweest, zoo is toch voor een ieder duidelijk, dat bij verdere zelfstandige verwerking der grondleggende gedachten deze de ethische richting bepalende gedachten voor het grooste deel van buitenlandsche theologen zijn overgenomen.
Vooral de bekende Duitsche theoloog Ritschl heeft op de ontwikkeling der ethische theologie een grooten invloed uitgeoefend. Zijn verdere theologische gedachten daarlatend, willen wij nu slechts even wijzen op de eigenaardige wijze, waarop hij de Schriftuurlijke verzoeningsgedachte omvormt, zoodat verzoening niet anders wordt dan de verzoening van den mensch met God, waarbij dus de mensch zijn vijandschap laat varen en berouwvol Gods vergeving aanvaardt.
De beteekenis van Jezus' lijden en sterven wordt daardoor een gansch andere, dan die onze belijdenisgeschriften op grond van Schriftuurlijke gegevens daaraan toekennen. Het leven van Jezus zoowel als Zijn sterven, dient enkel om de liefde Gods tot openbaring te brengen. Door Zijn algeheele liefdevolle overgave bedoelt Jezus ons tot het geloof in Gods liefde te brengen.
Deze gedachte werkt ook sterk door in Gerritsen's opvatting van de rechtvaardigmaking. De verlossing, die in Christus Jezus is, krijgt bij hem een anderen zin, dan waarin wij deze woorden hebben uiteengezet. Dat Christus de straf draagt, die wij hebben verdiend, opdat wij van het oordeel zouden warden ontslagen, dat Hij de eisch der wet vervult, opdat wij rechtvaardig zouden worden gerekend in Zijn gerechtigheid, acht Gerritsen beide gedachten te zijn, die in onzen tijd niet meer te handhaven zijn.
Op bladz. 243 van het genoemde werk schrijft hij het volgende :
»Overnemen van strafschuld toch kan nimmer „plaats vinden. De een kan niet voor den ander „in de gevangenis gaan zitten. Alle zedelijk leven, „dus ook alle zedelijke schuld is daartoe van een „ te individueel karakter. Die misdoet, moet daar „voor persoonlijk boeten. Overname van straf is „daarom feitelijk In de rechtswereld onbekend „en ongeoorloofd. Doch nu bestaat strafschuld „menigmaal in het moeten betalen van een boete. „Boete kan door een ander worden betaald en „aldus meent men, dat wel degelijk naar zuiver „recht overname van straf kan plaats vinden. „Doch dat is inderdaad niet het geval „Straf kan naar strikt Recht door een ander niet „voor een ander worden gedragen. Men kan zich „dus nimmer op onze rechtspleging beroepen om „daarmede de gedachte, dat Christus onze schuld „heeft betaald, te rechtvaardigen. Men heeft, „wanneer men dit doet, het woord schuld in de „beteekenis, welke het in de koopmanswereld „heeft, n.l. verplichting tot het betalen van een „som gelds genomen. Maar in dit laatste geval „bevindt men zich niet meer op juridisch terrein.
Terwijl wij de verwarde inhoud van dit betoog wat zijn inhoud aangaat, nog een oogenblik laten rusten, willen wij reeds hier even de vinger leggen op de formeele zijde van deze redeneering, die zuiver rationalistisch is. Want om te weten, of de straf, die iemand heeft verdiend, door een ander kan worden gedragen, keert dr. Gerritsen zich niet tot de Schrift om door haar geleerd te worden, maar onderzoekt hij de rechtsbegrippen, zooals die onder ons leven en in onze wetgeving tot openbaring komen en wijl bij ons, als iemand tot gevangenisstraf is veroordeeld, niet een ander voor den veroordeelde in de gevangenis kan gaan, besluit hij daaruit, dat ook Jezus' de straf onzer zonden niet kan dragen in onze plaats. Twee grove fouten worden hier door hem gemaakt. In de eerste plaats gaat hij aan de rechtsbegrippen, die onder ons geldigheid hebben, een absolute beteekenis toekennen, alsof haar geldigheid onomstootelijk vaststond. De vraag, in hoeverre deze rechtsbegrippen samen kunnen hangen met het Germaansche en Romeinsche recht en als zoodanig met het Germaansche en Romeinsche heidendom, schijnt zelfs geen oogenblik bij hem te zijn opgekomen. Dat in Israël andere rechtsbegrippen werden gevonden, kon hem toch niet onbekend zijn. En in de tweede plaats begaat hij de fout om wat als recht onder ons geldt ten opzichte van de verhouding der menschen onderling, zoo maar zonder meer over te dragen op de verhouding tusschen Jezus en ons. Als hij uit het feit, dat onder ons iemand niet voor een ander in de gevangenis kan gaan, de gevolgtrekking maakt, dat overname van strafschuld niet moge­ lijk is, ook niet door Jezus, maakt hij door deze conclusie Jezus tot een individueel lid van deze menschheid, gelijk ieder onzer daarvan een lid is. Er is waarlijk geen diepzinnig betoog noodig om in te zien, dat de openbaring als bron onzer Godskennis hier geheel op zij wordt geschoven en deze bron gezocht wordt In de begrippen, ook de zedelijke en rechtsbegrippen, die de mensch in zich zelf en in de wereld rondom hem vindt. Het is zoo zuiver rationalistisch mogelijk. De humanistische inslag der ethische theologie is hier wel zeer breed.
Zooals dr. Gerritsen staat tegenover het werk der verzoening, zoo staat hij ook tegenover de toerekening van Christus' gerechtigheid.
»Doch hiermede", zoo vervolgt hij op pag. 244, „is de onzuivere gedachtengang der rechtzinnige dogmatiek nog niet ten einde. Want, nadat men alzoo op onjuiste wijze heeft bewezen, dat de „straf van den een door den ander kan worden gedragen, gaat men aan de hand van het formeele begrip schuld van de rechts-en koopmanswereld over tot de zedelijke wereld en zegt, dat Christus ook de zedelijke schuld, die wij aan God hebben om Hem volkomen lief te hebben, heeft betaald en meent op deze wijze de leer der justistia imputata — dat is de leer der toegerekende gerechtigheid — te hebben gerechtvaardigd. Doch ook deze overgang is niet geoorloofd.
Feitelijk stamt de kerkelijke leer van de toegerekende gerechtigheid niet uit de rechtswereld, maar uit die van het koopmansbedrijf en ontvangt zij daardoor een bedenkelijk mercantiel karakter, dat, wanneer het leven, dat de onjuiste theorie corrigeert, is verdwenen, een zeer noodlottigen invloed op geheel het zedelijk geestelijk bestaan des menschen kan uitoefenen, ja tenslotte mede kan werken geheel het zedelijk leven des menschen te vernietigen.
Een tweede bezwaar tegen de leer der toegerekende gerechtigheid is dit, dat zij alleen geldigheid bezit, waar men zich de verhouding van God en mensch geheel uitwendig, als n.m.l. in rechtsverhoudingen bestaande, denkt.
Tenslotte volgt de conclusie. Deze bedenkingen tegen de leer der toegerekende gerechtigheid zijn m.i. van te groote beteekenis, dan dat zij in een zuiver ethische theologie kan blijven gehandhaafd.
Uit deze laatste woorden blijkt, dat dr. Gerritsen zich bewust is niet slechts een particuliere gedachte voor te dragen, maar in overeenstemming spreekt met zijn geestverwanten, zoodat hij het een verloochening van den grondslag der ethische theologie beschouwt, als men opnieuw de reformatorische leer van de toegerekende gerechtigheid van Christus zou aanhangen.
Hetzelfde rationalisme, waarop wij boven gewezen hebben, speelt dr. Gerritsen hier weer parten. Hij tracht Gods werk, in het bizonder het werk der verlossing, te verstaan van den mensch uit en te verklaren vanuit de begrippen, die de mensch heeft aangaande recht en zedelijkheid enz., terwijl juist des menschen weg, ook de weg, waarin hij verlost wordt, .alleen kan worden verstaan vanuit het licht, dat God van den hemel daarop laat vallen.
Het is soms alsof dr. Gerritsen iets daarvan beseft heeft, alsof het hem smart, dat hij dus den band doorsnijdt, die hem aan de Kerk aller vorige .eeuwen bond, wijl juist de leer van verzoening en rechtvaardigmaking ten allen tijde voor de Kerk het hart van het evangelie is geweest. Daarom verlaat hij een oogenblik 't rationalistische spoor en tracht aan te toonen, dat, al verwerpt hij de reformatorische leer van de rechtvaardigmaking, hij nochtans met zijn inzichten op Schriftuurlijke gegevens zich kan beroepen. In het bizonder meent hij, dat Paulus met zijn beschouwing van de rechtvaardigmaking ons van de reformatorische theologie naar de ethische theologie leidt.
Ik denk, dat menige lezer hier verwonderde oogen zal opzetten. Want als de reformatoren ter verdediging van de leer der rechtvaardigmaking, zooals zij die in hun belijdenisgeschriften uiteenzetten, zich op één apostel hebben beroepen, dan is het wel Paulus geweest. In het bizonder zijn de Romeinenbrief en de brief aan de Galaten de bewijsstukken van de reformatorische gedachten.
Dr. Gerritsen grondt zijn wonderlijk betoog op de bewering, dat bij Paulus: rechtvaardigmaking en bekeering nauw verbonden zijn, en wel op zulk een wijze, dat de rechtvaardigmaking in en op de bekeering rust. Dat vergeving van zonden wordt toegezegd aan wie zijn zonden belijdt en aan wie gelooft, is hem genoegzame grond voor zijn stelling. De bekeering ziet hij als een ethisch levensproces en de rechtvaardigheid, die in het leven der bekeering is ingesloten, leidt tot 's menschen rechtvaardiging voor God.
Met dit beroep op de Schrift gaat ook gepaard het gedurig gebruiken van uitdrukkingen, die in het stelsel van dr. Gerritsen niet passen. Zoo kan hij zich niet los maken van de waarheid, dat Jezus Zijn ziel geeft tot een rantsoen voor velen, ofschoon in dit woord duidelijk de idee der plaatsvervanging schuilt. Zelf schrijft hij op pag. 224 : „De duidelijk uitgesproken bedoeling van Jezus met deze woorden is deze, dat Hij iets geeft in plaats dat een ander iets geeft. De pollod — de velen — moesten hun leven geven of nog eenvoudiger, de polloi moesten sterven. In hun plaats sterft Christus."
Dit en dergelijke getuigenissen meer zijn een bewijs, hoe deze ethische theoloog evenals zoovele andere van zijn geestesrichting uit twee tegenovergestelde geestesrichtingen leeft, Schrift en ratio. Men wil tal van evangelische waarheden, die men van huis uit heeft liefgekregen en heeft weten te waardeeren, niet zonder meer overboord werpen, ofschoon ze in strijd zijn met het gedachtencomplex, waaruit men leeft.
In de vereeniging van twee verschillende levensbeginselen behaalt echter het humanistische beginsel bijna altijd de overwinning over het theologische uitgangspunt. Daarom moet men altijd met eenige reserve staan tegenover het gebruik van Schriftuurlijke waarheden door ethische theologen. Want heel dikwijls heeft een bepaald woord, dat in den loop der eeuwen immer in een algemeen erkenden zin is gebruikt, bij hen een andere beteekenis gekregen. Zoo zegt dr. Gerritsen met den apostel, dat het bloed van Christus reinigt van alle zonden, maar hij denkt daarbij niet aan de verzoenende kracht van Jezus' moed, maar wijl alle levensprocessen bij den geloovige, dus ook de bekeering, rusten in en voortkomen uit de daad Gods van de overgave Zijns Zoons, daarom kunnen we zeggen, dat de overtredingen der geloovigen telkens weer in het bloed van Christus worden verzoend, d.i uitgedelgd". (pag. 251). Anders ultgedrukt, volgens dr. Gerritsen brengt de liefde Gods in Christus Jezus den mensch tot inkeer, verzoent hem daardoor met God en op deze verzoening of bekeering rust de vergeving der zonden. Het is wel een heel eigenaardige redeneering om het bloed van Christus zijn verzoenende kracht te ontnemen en nochtans te blijven zeggen, dat het bloed van Christus reinigt van alle zonden.

O. a/d IJ.

Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's