VAN DEN WOORDE GODS
UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.
Genesis 7 : 10, 11. En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren. In tiet zeshonderdste jaar des levens van Noach, in dfe tweede maand, op den zeventienden dag der maand', op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groeten afgronds opengebroken en de sluizen des hemels geopend.
XIV.
Genesis 7 : 10, 11. En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren. In tiet zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des groeten afgronds opengebroken en de sluizen des hemels geopend.
4 e Serie.
Zoo heeft ons dus tot nu toe den gewijde schrijver nauwkeurig meegedeeld al des Heeren bestel aan Noach, opdat hij in gehoorzaamheid des geloofs zelve de hand taan den ploeg zou slaan om tot stand te brengen en te doen wat voor zijne eigene redding noodig was: Dus verschijnt Noach als die bouwer der ark, doch de Heere treedt op als de architect, die tot in die kleinste bijzonderheden hem teekening en bestek voorlegt. Noach werd alzoo de prediker der gerechtigheid, die door de daad dier gehoorzaamheid het Woord Gods spreekt tot de wereld, die in het booze ligt, en daarom niet zal noch wil hooren. De Heere is alzoo rein in Zijn spreken en recht in Zijn richten. En in wat daarna geschiedde, toen de ark gebouwd was en het vee kwam om met het gevogelte des hemels gered te worden, ook daarin betoonde zich Noach als dien man, die met zijn gansche hart tot den Heere zeide: Zie, hier ben ik. Hij stelde tegenover Gods woorden geene redeneering, toonde geene twijfeling, aarzelde niet, maar deed hetgeen de Heere hem oplegde, Ook al zag hij zelve nog niets, dat wees op het naderend oordeel. En toen dit al was gebeurd, ging ook Noach in met zijne zonen, met zijne huisvrouw en de vrouwen zijner zonen. En dat .al uitsluitend op dies Heeren bevel. God sprak en Noach hoorde en gehoorzaamde. Hij blijft daardoor een treffend voorbeeld van ware gehoorzaamheid des geloofs, want voor alle zijne daden had hij geen anderen grond dan alleen het woord, dat de Heere tot hem sprak. Als hij met vleesch en bloed te rade ging, zag hij niets, dat wees op de vreeselijke ontknooping. Dan stond hij met geen enkel ander gegeven, dan de wereld ook had, en hij kon dus te midden van de werkelijkheid, waarin hij verkeerde, geenerlei grond aanwijzen, waarop hij tot staving van zijne prediking een beroep doen kon. Hij stond met niets anders dan met het naakte woord van God. En daarmede kon Noach het niet alleen doen, maar daarmede deed hij het ook. En dit nu is het kenmerk van het waarachtig geloof. Dit heeft nimmer iets anders.
Daarop laat dan ook de Hebreënbrief het volle licht vallen. En daarop mag ook heden ten dage nog wel eens met grooten nadruk gewezen worden, omdat er zoo velen zijn, die het juiste inzicht in dit wezen des geloofs missen. In de eerste plaats blijkt het, dat er velen zijn, die wèl zeggen een beroep op het Woord te doen en die er toch zeer oppervlakkig mede handelen, alsof het aan den mensch zoo maar stond, dat Woord als een ultgangspunt te nemen. Zij beroepen er zich op. Het staat geschreven, en dus zij eigenen het zich toe als iets van zelf sprekends. Het Woord is voor velen een soort axioma, dat zij meenen even verstandelijk te kunnen en te mogen aannemen als dat tweemaal twee vier is. Het is daarmede ook al precies als met het geroep over het verbond. Ook daarmede wordt in onze dagen op de oppervlakkigste wijze omgesprongen. Het wordt door talloos velen klakkeloos aangenomen en indien hunne oogen niet geopend worden, dan zal het ongetwijfeld van velen gelden, dat zij met al deze verstandelijke grondstellingen eenmaal zullen zoeken in te gaan, maar niet zullen kunnen. Immers, het zou niet mogelijk geweest zijn, dat Noach de geloofsgehoorzaamheid betoond had, indien hij Gods' woorden niet waarlijk had gehoord. Als het Woord Gods niet door zijne ziel geklonken had en alles in hem had omgezet, dan was Noach geen Noach geworden. Velen, die zich o zoo gemakkelijk op het Woord beroepen als de meest vanzelfsprekende zaak, hebben toch blijkbaar dat Woord van God nooit gehoord als een levend Woord, waaruit zij herboren werden als uit een zaad der wedergeboorte. Daarom blijkt er in het leven van velen, die op het Woord zich beroepen, niets van de geloofsgehoorzaamheid. En zoo is het met het zich beroemen. Op bet verbond precies zoo. Daar wordt o zooveel over gepraat en mee geredeneerd om af te komen van hetgeen, absoluut noodlg is om het Koninkrijk Gods , zelfs te kunnen zien, zooals de Heere Jezus ons van de wedergeboorte met grooten nadruk heeft geleerd. Daarvan moeten dan ook velen eigenlijk niets hebben, omdat zij de kennis daaraan geheel missen. Zoo stellen zij zich met zulke woorden gerust en blijven in die wereld doorleven zonder ooit te komen tot de ware kennisse Gods. Zij veronderstellen, dat het alles voor hen in orde is, hoewel zij niet weten, dat zoo hun aardsche tabernakel verbroken wordt, zij een gebouw hebben, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen Gods. De ware geloofsverzekerdheid is vooral in onze dagen een zeldzaam goed.
Hoe geheel anders is Noach's exempel. Hij hoorde Gods stemme en hij gehoorzaamde, blind voor de uitkomst. Gods woorden waren hem genoeg en daarom hij lette niet op de uitwendige omstandigheden, vroeg niet naar den spot der wereld, achtte er niet op, dat zij hem voor een dwaas uitmaakte en ondanks het onredelijke, dat er voor liet natuurlijk verstand in lag, ging hij door, want de Heere had tot hem gesproken en Zijne woorden had Noach verstaan. En wanneer ons alzoo die geloofsgehoorzaamheid van Noach geteekend is in de enkele mededeeling, dat hij alles deed „gelijk God Noach geboden had", dan komt in het 10e vers de korte samenvatting van al hetgeen er nu in het aangekondigde oordeel lag besloten, want de Schrift zegt, dat na die zeven dagen, die de Heere had aangekondigd, „de wateren des vloeds op de aarde waren". Zulk eene voorafgaande samenvatting, waarvan nu in de volgende verzen de nadere specificatie van de gebeurtenissen verhaald wordt, behoort blijkbaar bij de eigenaardige methode van deze bijbelsche geschiedschrijving. Men heeft dit natuurlijk trachten te verklaren als gevolg van de verschillende bronnen, die de auteur zou hebben gebezigd, maar wie den bouw van dit zondvloedverhaal in het oog vat, die moet wel opmerken, dat de schrijver, telkens als hij in zijn verhaal tot iets nieuws komt, eene in weinige woorden vervatte, korte beschrijving voorop stelt, waarvan hetgeen voIgen zal de nadere en volledige ontwikkeling is. De auteur voert ons schrede voor schrede langs den weg der historie, houdt bij elke schrede even stil, teekent ons in weinige woorden den gang van wat er volgen zal, om dan daarna dit volgende ons in bijzonderheden te beschrijven. Zoo staat in Genesis 6 dus eerst Noach's verkiezing, de verdorvenheid der wereld en in het 13e vers de aankondiging van bet oordeel, dat de Heere brengen zal over de aarde, vermeld. Daarna volgt dan de beschrijving van het reddingsplan. Noach had genade gevonden, de ondergang der wereld wordt aangekondigd, doch daarna worden de bijzonderheden van hetgeen Noach te doen had verhaald. Hoofdstuk 7 vangt weder aan met in enkele woorden te zeggen, dat Noach en zijn huis in de ark moet gaan en daarop volgt dan weder de uitwerking van al wat hij nu heeft te doen en van al wat er met dezen ingang in de ark saamhangt. En zoo wordt ons in Genesis 7 : 10 in een paar woorden de uitvoering van het gansche oordeel eerst genoemd, terwijl in hetgeen er volgt, wederom de gedetailleerde, tot in bijzonderheden afdalende beschrijving gegeven wordt van de uitwerking van het oordeel, dat in den vloed wordt voltrokken. Het laden der ark was ons beschreven en als Noach de opdracht, hem door den Heere gegeven, volbracht had, dan wordt voor een oogenblik het verhaal onderbroken, staat de auteur stil om ons in een paar woorden een overzicht te geven over de .geweldige verschijnselen, die hij straks in bijzonderheden zal verhalen. „En het geschiedde", zoo zegt de Schrift, „na die zeven dagen", 'die in vers 4 waren aangekondigd, en waarin Noach de ark geladen en daarna ook zelve met de zijnen was ingegaan, „dat de wateren des vloeds op de aarde waren". Daarin wordt alles gezegd, wat ons nu in hetgeen volgt in bijzonderheden wordt voorgesteld. De wateren waren op de aarde, door die woorden wordt de gansche zondvloed in zijn vollen omvang beschreven. De schrijver dwingt zijne lezers even stil te staan, opdat zij het geheele oordeel zuilen overzien. Wij worden als het ware gebracht op een hoogte, vanwaar wij heel den vloed in zijn opkomen, stilstand en kentering overzien moeten. En de elkander opvolgende momenten, die geleid hebben tot het zijn op de aarde van de wateren des vloeds, worden in wat daarna komt geteekend.
Nu ligt het voor de hand, dat deze eigenaardige letterkundige teekening niet toevallig is. Den schrijver staat daarbij een doel voor oogen. Hij streeft daardoor naar een scherpere teekening, die diepen indruk maken moet op zijne lezers. Hij laat hen bij elken trap, waarop hij ten brengen wil, even stilstaan om vandaar af hun stuk voor stuk de nadere bijzonderheden aan te wijzen. Hij brengt zijne lezers op die wijze voor een vergezicht, dat zij eerst overzien en daarna in onderdeelen in oogenschouw nemen. Zoo stelt hij ons in dit 10e vers eerst als aan den oever, vanwaar wij de wijde zee der wateren in oogenschouw nemen. Wij zien den vloed, zooals. hij niet kwam, maar in zijne volheid was over de aarde, en daarna zullen wij dan vernemen, hoe de vlood is ontstaan en opkwam.
„De wateren des vloeds waren op de aarde". In die weinige woorden wordt heel de zondvloed ons beschreven. Doch ook tegelijkertijd wordt ons daarbij getoond, hoe de Heere Zich bewijst de God Zijns Woords. De zeven dagen, waarvan Hij In vers 4 gesproken had, waren voorbijgegaan. En nu wordt dat Woord ook stipt volbracht. De Schrift leert ons dan ook, dat des Heeren Woord niet is als des menschen woord. Gods woorden zijn daden, worden steeds in de daad, dus in de
geschiedenis verwezenlijkt en voltrokken. Daarom spreekt de dichter in Psalm 105 van een woord, dat de Heere heeft ingesteld, van het Woord Gods, dat kwam (Ps. 105 : 8, 19). En zoo wordt ons hier geleerd, dat hetgeen de Heere tot Noach gezegd had, nu ook punctueel werd volbracht. Het kwam precies, op den door Hem aangegeven tijd. En dat nu zullen wij moeten bedenken. Laat de gansche aarde voor den Heere vreezen, laat alle inwoners der wereld voor Hem schrikken, want Hij spreekt en het is er ; Hij gebiedt en het staat er. De oude wereld was voor dat Woord doof. Zij geloofde het niet, want zij zag geene teekenen, die er op wezen, omdat zij blind was. voor de dingen des Geestes Gods. Zij leefde voort in hare genotzucht en ijdelheid, zooals de moderne wereld dit ook doet. Ook deze toch heeft geen oog en geen oor voor hetgeen de Heere doet. Zij ziet niet, dat Hij den nieuwen hemel en de nieuwe aarde schept en dus weet zij niet, dat de dag des Heeren komt als een dief in den nacht. Zij verwacht niet Gods belofte, daarom, benaarstigt zij zich niet, dat zij onbevlekt en onbestraffelijk van God bevonden worde in vrede. In het gunstigste geval leeft zij als de dwaze maagden. De Heere is echter de God van Zijn Woord en Hij zal gewisselijk komen. Daarom beproeven wij onszelven of wij in het geloof zijn, waardoor wij Hem verbeiden. Zoo Hij vertoeft, verbeidt Hem, Hij zal gewisselijk komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's