De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

15 minuten leestijd

De voorstellen tot reglementswijziging op de a.s. Classicale Vergaderingen.
Woensdag 26 Juni a.s. hebben we weer onze gewone jaarlijksche Classicale Vergaderingen. Hier en daar zullen de Bestuursverkiezingen wel de aandacht trekken. Vooral in Classes waar het „spant" tusschen de orthodoxen en de vrijzinnigen. Er kan soms voor een Classis, maar ook zelfs voor een Provinciaal Kerkbestuur — en daardoor voor de Synode — van die Bestuursverkiezing zoo véél afhangen. Men zij dus op z'n hoede. Men doe z'n plicht. Ook in deze hebben we getrouw te zijn. En saam hebben we den nood der Kerk te gedenken in ons gebed! De eere Gods vordert, dat we het goede zoeken voor onze Nederlandsch Hervormde Kerk. En wat zou het heerlijk zijn, wanneer de Kerk des Heeren, zooals de Heere haar plantte in ons Vaderland, weer als een getrouwe getuige van Jezus Christus mocht staan in het midden van het volksleven. Dat de belijdenis van den Naam des Heeren ander ons leven mag !
Wat de Synodale Voorstellen aangaat, waarbij van de Classicale Vergaderingen advies gevraagd zal worden, moeten we helaas ! zeggen, dat het dit jaar „weinig zaaks" is, uitgezonderd de kwestie van het Reglement op de Suppletiebeurs voor predikantsweduwen en -weezen.
Daarover zullen we dan ook afzonderlijk spreken. Eerst iets over de andere voorstellen. Die gaan zoowat geheel over de opleiding van predikanten en wel over het Hooger Onderwijs, dat de Kerkelijke Hoogleeraren geven aan onze studenten.
Over die opleiding is eigenlijk maar één klacht en dat is, dat zij totaal onvoldoende is voor onze a.s. predikanten. Van 't geen zij straks in de practijk noodig hebben, als ze onder de menschen komen, hooren ze zoowat niets en bepaalde „vakstudie" krijgen ze niet. 't Blijft alles „in de ruimte". Wetenschappelijk, filosofisch, dogmatisch, kerkelijk — alles „in de ruimte".
Keer op keer zijn er al voorstellen gedaan om de opleidlng te veranderen en te verbeteren. Maar we hebben bij ons eenerzijds het Rijk (b.v. voor Hebreeuwsch een hoogleeraar in de letteren, voor Oud-en Nieuw Testament, voor Kerkgeschiedenis, voor Wijsbegeerte en Ethiek professoren, door het Rijk benoemd!!!) en anderzijds hebben we de (Synode, die de kerkelijke hoogleeraren benoemt (op voordracht van een Commissie uit de Kerk). Onze Minister van Onderwijs en de leden van de Commissie van Voordracht (en de leden der Synode) zijn dus belangrijke personen in deze, die alles in hun hand hebben (de Curatoren en leden van de theologische faciliteiten natuurlijk meegerekend).
Hoe moeten we nu tot een betere opleiding komen ?
De Kerk zal zich hebben te bezinnen. Maar dit jaar krijgen we niet veel bijzonders. Laat ons maar even een en ander noemen.
Men wil het College van Kerkelijke Hoogleeraren niet uitbreiden, hoewel er om gevraagd is. Maar nu wil men aan de twee kerkelijke hoogleeraren van elke Universiteit (Utrecht, Leiden, Groningen) opdragen, dat men het onderwijs van „Inwendige Zending" er maar even bij zal nemen. Wie met aandacht volgt, wat er in Nederland (gelukkig!) aan „Inwendige Zending" gedaan wordt, zal voelen, dat het geen peulschilletje is, als men dat zoo maar even bij de vakken van de kerkelijke hoogleeraren voegt. Wij zouden zeggen : men kan 't beter laten. Want practisch haalt het niets uit; en dan denkt men misschien nog, dat er dan toch maar een reuzenverbetering aan de opleiding is aangebracht!
Een tweede voorstel is : de mogelijkheid scheppen om aan bepaalde personen leeropdrachten te geven voor vakken, die door de kerkelijke hoogleeraren niet worden onderwezen. Dat lijkt ons beter dan het eerste voorstel, dat de kerkelijke hoogleeraren niet met iets nieuws komt belasten en dat toch de mogelijkheid schept, dat over belangrijke zaken, rakende ons kerkelijk leven (diaconalia, sociaal werk, psycihologie, enz. enz.) met de studenten gesproken wordt door personen, die daarvoor geschiktheid hebben. Natuurlijk zou het beter zijn. Indien er een derde hoogleeraar kwam, of dat er een lector kwam, die èn iets van de vakken van de kerkelijke hoogleeraren konden overnemen (b.v. inzake Kerk, Kerkrecht, liturgie, dogmatische onderwerpen, Ethiek, Zending enz.) èn buiten die vakken extra dingen konden behandelen. Kon men tot dat laatste besluiten, dat n.l. èn van de vakken van de kerkelijke hoogleeraren èn dingen daarbuiten gaande bij leeropdracht door anderen zullen behandeld worden, dan stemmen wij gaarne vóór.
Een derde voorstel is om het vak Christelijke Zedekunde of Christelijke Ethiek te schrappen, omdat het toch al behandeld wordt en omdat de kerkelijke hoogleeraren reeds te veel vakken hebben. Men wil het dan aan 't oordeel van de kerkelijke hoogleeraren overlaten of men het geven zal of niet. 't Wordt daar dus facultatief, waarbij de kerkelijke hoogleeraar naar eigen oordeel zal beslissen (misschien ook wel wenschelijk, omdat hij het beste weet óf en hoe de Christelijke Zedekunde door een der Rijkshoogleeraren in de theologie wordt onderwezen; ).
„Zonder meer" schrappen, zouden wij niet adviseeren.
Een vierde voorstel is, dat ƒ 25.— moet worden betaald door de theologische studenten (boven 't gewone academiegeld) om, de colleges te kunnen bijwonen van de kerkelijke hoogleeraren. Komen er nu bijzondere leeropdrachten (al spreekt men niet van bijzonder hoogleeraar of lector) vanwege de Kerk, dan is het blijkbaar niet duidelijk in Artikel 16 Regl. Hooger Onderwijs, dat men voor z'n ƒ 25.— ook die bijzondere colleges kan en mag bijwonen. Daarom wil men dat nadrukkelijk omschrijven, ƒ 25.— is toch al een koopje, en nu krijgt men nóg meer waar voor z'n ƒ 25.— !
Wij vinden het prachtig, dat men die leeropdrachten ten behoeve van de studenten wil geven, zonder dat het den studenten een cent kost. Maar is het niet een beetje royaal ? Zouden de studenten niet wat meer kunnen gaan betalen voor dat onderwijs van de kerkelijke hoogleeraren ? En zou er dan geen uitbreiding kunnen komen van dat tweetal ? b.v. te Utrecht, om daar maar mee te beginnen ?
Hierover schreef prof. Brouwer, kerkelijk hoogleeraar te Utrecht, het volgende :
Wie de Academische toestanden kent, zal van leeropdrachten weinig heil kunnen verwachten. En dat is eigenlijk het eenig positieve, dat gegeven wordt. Noodig is een algeheele herziening van de opleiding, die door de Kerk wordt gegeven. Allereerst een derde docent. Waarom kan men niet beginnen met dien in Utrecht te benoemen, waar gedurende de laatste veertig jaren doorloopend meer theologische studenten zijn geweest dan in Leiden en Groningen samen ? Als die er is, dan moet de opleiding van het candidaats-examen tot twee jaren worden verlengd en ingericht worden met werkcolleges, waar de candidaten onder leiding der hoogleeraren zelf iets presteeren. En moet worden ingevoerd.
Wat de financieele moeilijkheden aangaat, schrijft prof. Brouwer :
De gelden voor een derden docent zijn makkelijk te vinden uit een verhooging van het inschrijvingsgeld. Dat werd in 1877 bepaald op ƒ 25.—, en dat is nu, in 1935, nog altijd ƒ 25.—, en dat, terwijl het index-cijfer, vergeleken met 1877, zeker op 200 te stellen is; m.a.w. wat toen ƒ 25.— beteekende, zou nu ƒ 50.— moeten zijn. Verder zouden er examengelden ingevoerd kunnen worden. Waar^om moet de Kerk de examens gratis afnemen ?
Men zegge niet: het brengt te veel kosten voor de studenten mee. Dit mag nooit een argument zijn om de verbetering van de opleiding tegen te houden. Maar bovendien heeft het Rijk zulke scrupules nooit gehad. Het heeft eenvoudig de collegegelden met 50% verhoogd en er is niemand minder aan de Academie komen studeeren. Bovendien heeft het bepaald, dat ook voor het vijfde en zesde studiejaar college-geld moet worden betaald, en het komt er. Waarom moet de Kerk dan om financieele redenen haar opleiding zoo gebrekkig laten ?
Met dat laatste zijn we het roerend eens. De Kerk moet hier hoogere financieele eischen stellen. Dat is heelemaal niet onredelijk. En het practisch resultaat kan groot zijn.

Het Reglement op de Suppletiebeurs voor predikantsweduwen en - weezen.
Iemand, der zaken kundig, was zoo vriendelijk op ons verzoek het volgende ter plaatsing toe te zenden :
Onder de voorstellen tot reglementswijziging vinden wij óók het Reglement op de Suppletiebeurs voor predikantsweduwen en - weezen.
Dit ontwerp is een geheel nieuw Reglement. Immers ondanks het Rijks-weduwenpensioen én de Synodale Weduwenbeurs, is het pensioen van de nagelaten weduwen en weezen onvoldoende.
Reeds jaren wordt getracht door de bekende Oudejaarsavond-collecte den nood der achtergebleven weduwen te vervullen.
Daarom komt de Synode met het Reglement op de Suppletiebeurs om afdoende te helpen.
Een veertigtal quaestoren van Classicale Weduwenbeurzen kwam in Mei 1934 bijeen en benoemden uit hun midden een 5-tal personen om de Synode een ontwerp aan te bieden, met gevolg dat nu dit Reglement door de Synode aan de Kerk ter overweging gegeven wordt. De Classicale Vergaderingen, en dus ook de ouderlingen, zullen hun stem daarover moeten uitbrengen. Immers geen Reglement krijgt rechtsgeldigheid dan door de Classicale Vergadering heen.
Het Reglement wenscht aan iedere weduwe een pensioen te verzekeren van ƒ 2000.—. Het gaat stilzwijgend uit van de gedachte, dat aan alle weduwen, tenminste als het Pensioenfonds mettertijd de uitkeering van ƒ 500.— zal verleenen, aan ondersteuning ƒ 1000.— zal worden uitgekeerd.
Het Reglement richt zich dus alleen maar op de verkrijging der tweede duizend gulden (Suppletie-beurs).
Gevraagd kan worden of, gezien den moeilijken toestand op oeconomisch terrein deze som niet lager gesteld moet worden en een pensioen van 1500 a 1600 gulden niet voldoende moet worden geacht ?
Jaarlijks moet door lederen predikant, gehuwd of ongehuwd, ƒ 2.50 voor de beurs worden gestort. Hoe gaat het nu met de premies der gehuwde predikanten ?
Voor de ƒ 1000.—, die door de nagelaten weduwe of weezen wordt toegezegd, wordt van den predikant een quotum gevraagd van 10%. Hij zal dus ƒ 100.— moeten betalen.
Een predikant, wiens leeftijd tusschen de 45 en 55 jaar valt, moet het dubbele betalen; hij, die de 55-jarige leeftijd overschreden heeft, het drievoudige. Gevraagd kan worden of deze premie niet te hoog is voor de jonge predikanten, die aanstonds van een laag tractement, boven de gewone lasten, meestal ƒ 350.—, ook nog ƒ 100.— zullen moeten betalen ?
Bovendien klemt de vraag, of de emeriti predikanten in staat zullen blijken het hooge quotum te betalen, terwijl hun pensioen betrekkelijk veel lager is dan van hun toekomstige weduwe. Het quotum wordt verlaagd voor ieder, die lid is van een of meer Classicale Weduwenbeurzen. Stel, dat een predikant zijne weduwe toegezegd weet de som van ƒ 500.— uit Classicale beurzen, dan wordt gerekend, dat zijn toekomstige weduwe reeds voor ƒ 500.— verzekerd is. Hij behoeft dan slechts een jaarlijks quotum van ƒ 50.— te betalen, terwijl de ouderen respectievelijk ƒ 100.— en ƒ 150.— moeten bijdragen.
De Suppletiebeurs is bereid te restitueeren de onkosten, verbonden aan toetreding tot dergelijke beurzen, waardoor deze zeer vergemakkelijkt wordt.
Geen aftrek van het quotum wordt verleend voor hetgeen toegezegd is aan predikanten door de betrokken kerkvoogdijen, zoodat de betaling van het quotum van deze predikanten geëischt zal worden, terwijl het feitelijk voor hun betrekkingen totaal onnoodig is.
Wellicht zijn enkele bezwaren nog te ondervangen, zoodat een einde komt aan den noodtoestand der onverzorgde weduwen en weezen.
Het is gebleken dat, gezien den toestand der Kerk, het ideaal van de Gereformeerde Vaderen, dat iedere gemeente de zorg op zich neemt voor de pensionneering harer predikanten en de verzorging der nagelaten betrekkingen, schipbreuk heeft geleden, zoodat andere wegen moeten worden ingeslagen om tot verzorging der weduwen en weezen te geraken«.

HET VRIJZINNIG „GELOOFSBEZIT”
De Vrijzinnigen stellen altijd den eisch, dat er met hen rekenlng zal worden gehouden in de Hervormde Kerk, en in de plaatselijke gemeente. Maar wie hebben rechten in de Kerk ?
Moet de Hervormde Kerk moeite doen, dat elke willekeurige groep toch vooral bij de Hervormde Kerk zal blijven of naar de Hervormde Kerk zal overkomen ?
Of heeft de Hervormde Kerk een eigen aard en wezen als Kerk; en is dat niet de hoofdzaak waarom het gaat bij de vragen in zake het kerkelijk leven en de oplossing van het kerkelijk vraagstuk ? Immers ja !
De Vrijzinnigen komen altijd opdringerig aanzetten en willen met alle geweld, dat de Hervormde Kerk rekening met hen zal houden. Maar de Hervormde Kerk zal zóó ver moeten komen, dat zij zegt: wij willen en zullen met allen rekening houden, die rekening houden met Christus, zooals de Hervormde Kerk altijd aangaande Christus haar belijdenis heeft gehad.
Al zouden duizenden opdringen, een andere belijdenis hebbend aangaande den weg der zaligheid, zeggende : „wij hooren er óók bij" — dan zal de Hervormde Kerk moeten zeggen: „Gij hoort er niet bij, omdat het ten onzent niet gaat om een willekeurige vereeniging, maar om de aloude Hervormde Kerk die mee gebouwd is en gebouwd wil worden op het fundament van Apostelen en Profeten en niet op een willekeurige verklaring van deze of gene, al spreekt die ook van „geloofsbezit". Even goede vrienden, maar Hervormd is zoo'n belijdenis: niet. De Hervormde Kerk kent een ander geloof en vraagt een andere belijdenis, hierin zich aansluitend aan de kerkelijke belijdenis, die in Goos Woord gegrond is en door de eeuwen is bevestigd.
Zelf zeggen de Vrijz. Hervormden, druk doende met allerlei vage woorden, dat ze dezelfde belijdenis hebben als de Hervormde Kerk van oud als de hare erkent. Maar wij zeggen, dat ze niet dezelfde belijdenis hebben en dat ze een afzonderlijke gemeenschap moeten vormen en niet in de Hervormde Kerk thuis hooren.
Hebben we pas een z.g.n. „Stichtelijke Overdenking" uit het Wekelijksch Orgaan van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden overgenomen, we vonden in het bijblad van „Kerk en Wereld" van Vrijdag 26 April j.l. weer zoo'n prachtig stukje, nu van de hand van den voorzitter van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden te Rotterdam met opschrift „God is Liefde !" (De gewone eenzijdige en daardoor onware voorstelling van d e liefde Gods — alsof men dat nu nóg niet weten moest in de Hervormde Kerk !).
De heer D. E. B. schrijft dan : „Als vrijzinnige Christenen voelen wij ons heel sterk daartoe aangetrokken, omdat ook voor ons God „de Liefde" is.
Zouden wij dan een tekort aan geloofsbezit hebben ? Wij gelooven het niet. Bij aandachtige overdenking mogen wij waardeering, ja soms bewondering hebben voor den diepen zin van sommige orthodoxe dogmata, andere lijken ons in strijd met de door Jezus gepredikte universeele liefde Gods.
Wanneer de orthodoxie ons verwijt, dat wij Christus niet als Hoofd en Heer der Kerk beschouwen, heeft zij het toch mis. Immers de belijdenis van Jezus Christus vinden wij in hoofdzaak in de Bergrede. Het Evangelie van Mattheus, hoofdstuk 5, geeft als het ware een samenvatting van Jezus' leer, waarin het o.a. heet:
Zalig, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden !
Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen God zien !
Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden!
Derhalve gerechtigheid, reinheid, liefde en vrede is de boodschap van Christus.
In Christus erkennen wij den Gezondene des Vaders, die ons Gods wezen als Liefde heeft doen kennen.
Door alle eeuwen heen juicht het koor der geloovigen over die eeuwige Liefde Gods, die hemel en aarde omvat, waarvan Dante zingt in zijn Goddelijke Komedie:
„O, eeuwig Licht, dat in U zelf besloten, U zelf begrijpt en door U zelf begrepen En U begrijpend, lacht door Liefde omvloten !" Als wij een andere stem uit de middeleeuwen tot ons willen laten spreken, denken wij aan de woorden van St. Bernardus van Clairvaux :
„God wordt gekend voor zoover Hij wordt liefgehad".
Ook na 8 eeuwen vinden deze woorden nog weerklank in ons gemoed.
Eerstens Is God voor ons de Eeuwige Liefdemacht, die in ons hart gekend moet worden. Ons geloof dient derhalve op Innerlijke beleving gegrond te zijn. In Zijn rijkdom en volheid deelde God zich aan Zijn schepping mede, waardoor wij deel hebben aan Zijn Eeuwigen Geest. Die werelden dacht en zij waren en ons tot Zijn geestelijke kinderen verhief", zooals de dichter zingt. Van Zijn kinderen verlangt God slechts gehoorzaamheid en wederliefde, want Hij had ons eerst lief. Hij wil slechts ons heil, hetgeen uitgaat boven ons geluk en waartoe wij dikwerf langs moeilijke wegen geleid worden.
Wanneer dan ook de vraag rijst: „Wie zijt Gij, eeuwig Onvolprezen, Dat onze mond U noemen moog ? " dan openbaart God zich in het schitterend firmament en in de gansche natuur zoowel als aan ons hart en leert ons Zijn wil en Zijn Liefdemacht kennen. Dan moet het onze begeerte zijn, zij het met vallen en opstaan, als kinderen, den wil des Vaders te doen. De grondtoon van ons hart zal dan toch altijd zijn, dat wij geen rust hebben voordat wij aan Gods Vaderhart rust gevonden hebben en de eenheid in de Liefde Gods mogen beleven.
Het ware geloof is dus een krachtig contact bezitten met de Eeuwige Liefdemacht. Als wij waarachtig gelooven in God als de Eeuwige Liefdemacht zullen wij ons leven in het licht der eeuwigheid leeren beschouwen en glimlachen als anderen sterkere bewijzen verlangen omtrent den Oergrond van alles wat bestaat. Dan aanvaarden wij God als de Eeuwige Kracht, in wiens hoede wij veilig en webewaard zijn, uit Wien, door Wen en tot Wien alle dingen zijn.
Dan leeren wij God ook kennen als de inspireerende Macht, Die ons voert langs de hoogten en diepten des levens. Die ons sterkt in moeite en strijd en ons na dat aardsche leven eenmaal zal voeren naar het Beloofde Land, waar de geest wederkeert tot Hem, van Wien hij is uitgegaan." Tot zoover de heer D. E. B(os) van (Rotterdam. Waarbij wij herhalen, dat dit een belijdenis en een „geloofsbezit" is, dat de Hervormde Kerk nooit officieel zoo kan overnemen, omdat zij dan met het Evangelie van Jezus Christus in strijd zou komen en haar eigen belijdenis zou loochenen.
Het ééne noodige ontbreekt hier totaal.
Geest en hoofdzaak van de Christusbelijdenis wordt hier losgelaten en er wordt totaal iets anders geleerd, dan de Hervormde Kerk moet en wil prediken. De Hervormde Kerk kent krachtens haar leer, een ander „geloofsbezit".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's