KERKELIJKE RONDSCHOUW
NOG EENS: DE SUPPLETIEBEURS.
Voor onszelf zijn we nog niet klaar met dat punt van de Agenda der komende Classicaie Vergadering, die a.s. Woensdag 26 Juni gehouden wordt. Wij vinden het prachtig, dat er getracht wordt een suppletie of aanvulling te verkrijgen van het predikants weduwen-en weezenpensioen. Want dat is nog lang niet in orde. Daarvoor is door de Kerk maar slecht geborgd. Want bij een kerkelijke tractementsregeling toehoort ook een kerkelijke regeling van het emeritaatspensioen en óók een kerkelijke regeling van het weduwen-en weezenpensioen. Maar van die kerkelijke regeling is helaas weinig terecht gekomen. Voor politieagenten, spoorwegambtenaren, wethouders, onderwijzers, leeraars enz., is. er natuurlijk een regeling vanwege het lichaam, waartoe men behoort, maar voor de weduwen en weezen van predikanten ontbreekt dat voor een groot deel en collecteert men op Oudejaarsavond. Het is dus wel heerlijk als de Kerk wat wil doen. Dat moeten we niet gering achten. En we zijn dankbaar, dat velen in de gemeenten dat mee voelen.
Maar gaat de Kerk nu eigenlijk wat doen ? Of zegt het voorgestelde Reglement op de Suppletiebeurs : nu moeten de dominees met elkaar wat gaan doen ? Waarbij de Kerk dan in dit ontwerp-reglement geen vinger uitsteekt om te helpen of hij te passen, 't Is enkel en alleen : de dominé moet dit betalen en dat storten ; — maar van de Kerk is. geen sprake.
Dat doet ons onwillekeurig vragen : zullen de ouderlingen op de a.s. Classicale Vergadering mee willen stemmen als dit voorstel ter behandeling wordt voorgelegd ? Of zullen ze zeggen : dit is louter en alleen een kwestie van de dominees en daarmee bemoeien we ons liever niet; want het gaat om betalen en dat moeten de dominees maar onder elkaar uitmaken, of ze ieder voor zich zooveel honderd gulden zullen gaan betalen voor deze Suppletiebeurs ?
Dat we deze dingen zeggen en zóó zeggen, komt niet hieruit voort, dat we „vijandig" staan tegenover dit voorstel. Want het zou ons. wat waard zijn, als er een behoorlijke regeling voor de predikantsweduwen en weezen getroffen kon worden. Waarom zijn zij minder dan elke onderwijzeres ?
Maar waarom moeten de predikanten hier nu alles doen van hun tractement, en .dat, nu de tractementen toch al niet zoo heel hóóg zijn (uitzonderingen daargelaten). En dan — als de premiebetaling jaar aan jaar zoo hoog moet zijn ?
Het mooie is, dat we met elkaar gaan probeeren wat ieder voor zich persoonlijk niet kan. Als nu de premie maar niet zoo hoog was. Ieder moet ƒ 2.50 's jaars contributie betalen, ook de ongehuwde. Dat is dus wel om te doen, Maar dan komt het quotum : leder die nog geen 45 jaar is betaalt ƒ 10.— voor iedere ƒ 100.—, welke bij hem aan de ƒ 1000.— pensioen ontbreekt. Wanneer hij dus nu ƒ 200.— of ƒ 300.— zou hebben te wachten, zou de Suppletiebeurs ƒ 800.— of ƒ 700.— bij.betalen en zou het quotum per jaar ƒ 80.— of ƒ 70.— zijn. Een predikant van 45—55 jaar zou in dat geval 8 X 20 of 7 X 20 gulden, dat is dus 160 of 140 gulden per jaar moeten betalen.
Zoo zouden er nog tal van „.gevallen" en berekeningen kunnen gemaakt worden ; maar we zullen dat niet doen. Het was er ons — na hetgeen de vorige week reeds .geschreven is ter toelichting — nu slechts om te doen de wenschelijkheid van een behoorlijke regeling van weduwen en weezenpensioen nog eens te bepleiten ; te zeggen, dat de predikanten zelf alles, alles willen doen wat mogelijk is; maar tegelijk nog eens te zeggen, dat het wel mooi in art. 1 staat: „Door de Nederlandsche Hervormde Kerk is opgericht een weduwen-en weezenbeurs enz.", maar dat de Ned. Hervormde Kerk in dit Reglement niet veel meer doet, dan een plan voorleggen, waarbij de dominees alles moeten bijdragen en de Kerk niets doet.
Toch hopen we, dat het Reglement kan worden aangenomen; waartoe de zakelijke toelichting ter vergadering veel zal kunnen bijdragen. En als we het aannemen, laat er dan bescheidenlijk bij uitgesproken worden dat de Classicale Vergadering (niet de dominees, maar de Class. Vergadering) hoopt en verwacht, dat de plaatselijke Kerkvoogdijen overal zullen doen wat mogelijk is om de zware premiebetaling der predikanten over te nemen of te verlichten.
En wat dat betreft weten we, dat vele Kerkvoogdijen het belang van deze zaak voelen. Laat men daar niet aanstonds zeggen : wij kunnen het niet doen.
Want de dominees kunnen 't óók niet doen. En toch moet er wat gebeuren. En dan met elkander.
Laten de ouderlingen ons helpen hier een weg te vinden die mogelijk is en beantwoorden aal aan het doel. Want de ouderlingen hooren er óók bij ! Omdat de gemeente er bij hoort. Kunnen we 't daarom mogelijk samen in or.de maken ?
't Zou te wenschen zijn !
DE OVERIGE VOORSTELLEN.
Voorstel 1 moet aangenomen worden als het Voorstel van de Suppletiebeurs wordt aangenomen. Voorstel 1 zal dus na Voorstel 15 aan de orde moeten worden gesteld.
De Voorstellen 2, 3, 4, 5, 6, rakende het Hooger Onderwijs, hebben we reeds .besproken.
Voorstel 7 is: van de tractementen der dominees moet wat af. De 12 tweejaarlijiksche verhoogingen van ƒ 160.— moeten nu voor vast worden teruggebracht op ƒ 120.—. Voor vele predikanten is dat dus 10 X ƒ 40.—, voor velen ook 12 X ƒ 40.—, dat is ƒ 480.— minder tractement. Tijdelijk was het al zoo; nu wordt het vast gelegd in het Reglement, 't Moet. 't Kan niet anders.
Voorstel 8—14 raken alle het Reglement op de Predikantstractementen en geven onderscheidene wijzigingen en verbeteringen.
ROME EN DE KERK.
We lazen in „De Tijd", Roomsch dagblad, van Zaterdag 8 Juni j.l., in een artikel, gericht tegen dr. Kromsigt en de dhr. Amsterdammer, een korte verklaring hoe Rome's Kerkbeschouwing is. We laten het hier volgen :
»Het is niet voldoende een belijdenis uit den Heidelbergschen Catechismus aan te halen, men moet ook haar redelijkheid, aantoonen. Al zou men zich op Christus' woorden zelf beroepen, 't neemt niet weg, dat de waarheid één en ondeelbaar is en dat de werkelijke, historische Chris.us tijdens zijn leven op aarde onmiddellijk en rechtstreeks de Kerk heeft gesticht. Hij was voorspeld, als Profeet, Hoogepriester en Koning. Hij verkondigde drie jaar lang Zijn leer, koos twaalf Apostelen als de leeraren van Zijn Kerk, die Hij volgens de woorden van Petrus .bouwde op een steenrots ; liet die Kerk na Zijn dood voltooien ; stelde Petrus tot Opperherder der schapen en lammeren, gaf aan de Apostelen het bevel om .onder Petrus' oppergezag de volken in de Kerk op te nemen en te besturen (Matth. 28 vers 18—20) en op het Pinksterfeest trad de gestichte, zichtbare Kerk in het volle licht als maatschappelijke inrichting, een zelfstandige maatschappij. De door Christus gestichte Kerk bestaat tot heden, als de vereeniging van alle gedoopten, die onder gehoorzaamheid aan Petrus' opvolger de ware leer van Christus belijden. Het zou een pretentie zijn te beweren, dat een der Protestantsche Kerkgenootschappen de kenteekenen draagt, door Christus te zijn gesticht, en één, heilig, algemeen en apostolisch te zijn. En een nog veel grootere pretentie, dat elkaar tegensprekende en krakeelende kerken de „eenigheid des waren geloofs" vormen. De Waarheid immers is God Zelf en kent geen pluriformiteit. Dat de Zoon Gods Zich een gemeenschap voor het eeuwige leven uitverkoos, is tusschen „De Amsterdammer" en ons geen verschilpunt, evenmin dat rechtzinnige Katholieken en Protestanten verlangen naar het „ut omnes unum sint" (dat ze allen één mogen zijn) voor óns reeds in de ééne kudde, op aarde zichtbaar, onder den éénen herder«.
Aldus de Roomsche Kerkbeschouwing.
De éénheid der Kerk ligt bij Rome geheel en al in het Pauselijk instituut. Naar het Woord wordt niet gevraagd, althans niet als éérste voorwaarde en éénige autoriteit. Wat men gelooft en wat men belijdt komt er niet zoo precies op aan. Alles beslissend is de geestelijkheid, het Instituut van het Pausdom, en die zich daarbij voegt en daaronder leeft behoort tot de eene, zaligmakende Kerk — en die den Paus niet erkennen, zullen niet zalig worden. Petrus wordt dan gemaakt tot Opperherder en de Apostelen moesten — naar Christus' bevel — onder Petrus' oppergezag prediken ; en Petrus, de eerste Paus te Rome, heelt in het Pauselijk instituut z'n voortzetting! Zoo zijn gekomen de Pauselijke leeringen en Inzettingen; met Pauselijke onfeilbaarheid vastgesteld uitgelegd en toegepast. En zoo heeft Rome de goddelijke waarheid — uit 's Pausen mond !
't Is alles wel eenvoudig voorgesteld en 't loopt alles gesmeerd, alleen is het jammer, dat voor de Kerk van Christus andere kenmerken gelden, naar het Woord, dat door Christus Zelf ons is geleerd en dat in .de Schriften tot ons komt.
Het onderscheid tusschen Rome en den orthodoxen Protestant is, dat Rome den Paus tot hoogste autoriteit en geestelijken vader verheft, en de orthodoxe Protestant erkent Gods Woord als bron voor leer en leven, gelijk in de Nederlandsche Geloofsbelijdenis aanstonds door onze Gereformeerde Vaderen is uiteengezet.
Daar vinden we dan ook een héél ander Kerkbegrip dan bij Rome.
BEZUINIGING OP HET ONDERWIJS.
Er moet bezuinigd worden. En niet weinig. Men moest allen, die onder de huidige omstandigheden .de menschen opruien met hun stekelige opmerkingen en tranen lachen, als de huidige Regeering weer grooter zorgen krijgt, buiten de grens van ons Vaderland kunnen zetten, want 't zijn volksbedriegers, die meewerken om alles in de war te sturen en ons volk in de grootste ongelegenheid te brengen. Slechte Vaderlanders zijn het. Daarom moet men ze ook niet vertrouwen.
Er moet bezuinigd worden. En niet weinig. De toestand van 's lands financiën is niet rooskleurig. En de toestanden onder het volk zijn angstaanjagend. Daarom moeten we allen meewerken om te doen wat onze hand vindt om te doen. Eendracht maakt macht. Als er ooit een gevaarlijk spel gespeeld wordt door verdeeldheid te zaaien, is het nu ! Waarbij Satan lacht!
Zoo moet er ook op Onderwijs bezuinigd worden. De laatste jaren is er al heel wat gedaan om de uitgaven te concentreeren en daarmee te besnoeien.
Zoo is er indertijd een wettelijk voorschrift gekomen, dat er geen nieuwe scholen mogen worden opgericht (geen Openbare- en geen Bijzondere Scholen) dan wanneer de school zal worden bezocht door :
60 leerlingen in gemeenten met minder dan 25.000 inwoners;
90 leerlingen in gemeenten van 25.000—50.000 inwoners;
120 leerlingen in gemeenten van 50.000—100.000 inwoners;
150 leerlingen in gemeenten boven de 100.000 inwoners.
Nu heeft de Regeering in het „Bezuinigingsplan" voorgesteld, om de genoemde aantallen 60, 90, 120, 150, ook als voorwaarde te stellen voor de subsidiëering van reeds bestaande Bijzondere Lagere Scholen (enkel voor Bijzondere scholen geldend, niet voor Openbare of Gemeentescholen).
Dat beteekent dus, dat wanneer op het dorp A. een Christelijke School is met 51 leerlingen (de doorsnee telling) zoo'n School geen subsidie meer krijgt en dus moet verdwijnen. De kinderen moeten dan naar een naburige School met den Bijbel (de kwestie van vervoer per autobus is allang aan de orde) en zoo kunnen misschien drie kleine schooltjes te A. en rondom A. saamgevoegd (geconcentreerd) worden tot twee of tot één. Zóó stelt men het zich voor.
En in Rotterdam, Utrecht, Groningen enz. zuilen Scholen met minder dan 150 leerlingen moeten worden opgeheven, om te worden ingelijfd bij een of twee Scholen, die in de buurt staan.
De bedoeling is dus opheffen van tal van kleine Bijzondere Scholen.
Van de Openbare-of Gemeentescholen is geen sprake in het Bezuinigingsplan. Die moeten ongemoeid blijven.
En hoeveel Openbare Scholen zouden er anders moeten worden opgeheven als dezelfde eischen werden gesteld als aan de Bijzondere Scholen (wat toch niet onbillijk zou wezen ? )
Op 31 December 1933 was het aantal Openbare Scholen dat in kleinere en grootere gemeenten, op het platteland en in de steden, beneden het aantal van 60, 90, 120, 150 leerlingen blijven, niet minder dan 913. Zeg nu, dat er in den laatsten tijd een paar honderd van die kleine Openbare Scholen zijn opgeheven, dan blijven er toch in elk geval nog wel een 700-taI beneden het peil van het Bezuinigingsplan. Maar die 700 zuilen nu niet worden opgeheven. Eenvoudig omdat de Grondwet zegt, dat er in elke gemeente voldoende gelegenheid moet zijn tot het ontvangen van Openbaar Onderwijs ! De eenige Openbare School op een dorp — zegt men — mag dus niet worden opgeheven ! Maar de eenige Christelijke School op een dorp wèl! En men heeft berekend, dat het aantal Bijzondere Scholen, dat op deze wijze zou moeten verdwijnen, 289 zou zijn.
Eerst geeft men dus het aantal leerlingen, voor een School noodig, nog al opgevoerd : 60, 90, 120, 150; en daarna wil men nu de bepaling maken, dat bestaande Scholen, die dat verhoogde aantal niet hebben, moeten verdwijnen, want ze zullen geen cent subsidie meer krijgen.
Neen, men heeft niet voorgesteld, om dan een evenredig deel van de subsidie te geven aan zulke bestaande scholen; b.v. voor scholen met 50 leerlingen (die 60 moesten hebben) 5/6 deel van de subsidie (waarbij het Bestuur dan 1/6 zou moeten bijbetalen uit eigen middelen). Neen — die school krijgt geen cent en moet dus verdwijnen.
Dat is ('t geldt hier bestaande Scholen) niet billijk. En deze maatregel zou de ellendigste gevolgen hebben.
Want wat zit er dikwijls een geweldig mooi stuk geschiedenis vast aan zoo'n School met den Bijbel, maatschappelijk en geestelijk genomen ! Wat is er gebeden en gestreden, gewerkt en geofferd dikwijls, om zoo'n School met den Bijbel te krijgen en te mogen behouden. En nu zouden al die Scholen beneden de 60 leerlingen enz. moeten verdwijnen. Ze krijgen zelfs geen deel meer van de subsidie ; ze krijgen geen cent straks.
En nu zullen er wel een aantal „uitzonderingen" door den Minister kunnen worden toegelaten (die bevoegdheid wil den aan den Minister van Onderwijs geven (§ 25 art. 3), maar dat zou toch verkeerd zijn, om door den Minister te laten uitmaken, buiten den weg der wet, waar wèl en waar niet een bijzondere School (School met den Bijbel, of Roomsche School of Neutrale Bijzondere School) geduld zal worden.
Juist omdat het een groot aantal scholen betreft, die zouden moeten verdwijnen, als het voorstel aangenomen werd — niet minder dan 289 scholen beneden de 60—90—120 of 150 zijn er — is de kwestie van „ultzonderings-school" te mogen zijn niet zoo onbeteekenend. Temeer, waar uit de vroegere plannen van den vorigen Minister gebleken is, dat hij er van de 289 ongeveer 110 wilde opheffen. Dan zouden er dus 180 „uitzonderingen" moeten worden gemaakt door beschikking van den Minister! En dat gaat toch niet! Dan is het schoolwezen 4 veel te veel gebracht in de hand van iemand, die beslissen kan over het leven en over den dood van een school.
Wat zal nu die opheffing van die kleine scholen aan bezuiniging (want daarom Is het toch te doen) geven ?
Als een school wordt opgeheven, moet het personeel worden ontslagen. Maar dan zijn de uitgaven van salaris niet weg. Want de ontslagen onderwijzers worden wachtgelders, die 100% van het salaris krijgen in het begin ; later 60%. Er moeten dus jaren verloopen alvorens de bezuiniging werkelijk intreedt.
En de kinderen, waar blijven die ?
Als ze — en dat moet de bedoeling zijn — naar een andere gelijkgezinde school gaan, moet de school 30, 40, 50 kinderen meer huisvesten. Kan dat ? Moet er dan niet bijgebouwd worden ? En moet het personeel daar niet worden uitgebreid ? Waar blijft het leegkomend gebouw ? Waarborgsom enz. moet door de Regeering vergoed worden. En als het gebouw verkocht wordt (vooral nu) is het geen cent waard.
Waar blijven de schoolmeubels en de leermiddelen ?
Men mag hier waarlijk wei eens eerst uitrekenen wat het werkelijk aan bezuiniging geven zou, als men op deze manier enkele honderden Bijzondere Scholen — veelal de eenige Christelijke School in een gemeente ! — ging opheffen (terwijl 700 Openbare Scholen, die in dezelfde condities verkeeren, zouden mogen blijven bestaan !)
Natuurlijk zeggen we hier volstrekt niets ten nadeele van de gedachte, dat bezuinigd moet worden, waar mogelijk is. En ook niet wat betreft het combineeren van twee Christelijke Scholen die vlak bij elkaar staan en nu als twee scholen duurder zijn dan wanneer ze worden gecombineerd. Versnippering van krachten en verknoeien van geld is uit den booze. Maar wat het Bezuinigingsplan met de kleine scholen voor heeft, is fataal. Dat kan en mag niet. En het brengt ook weinig of niets in het laatje.
Bovendien : zoo weinig mogelijk menschen uit hun werk stooten! Dan is er de kwestie van de Kweekscholen. Als wij 't goed begrijpen, wil men eigenlijk de opleiding aan de Kweekscholen (voor de gewone lagere acte) geheel stop zetten. Alle Kweekscholen wil men om hals helpen. En dan later zal men wel eens zien wat er van die Kweekscholen weer op de been kan worden geholpen. Wij zouden zeggen : laat men dat niet doen. Natuurlijk is nu de overvloed van leerkrachten groot. En dat men daarom het aantal Kweekscholen wil beperken, is te verstaan, 't Is ook verstandig. Maar laat men nu niet heel de opleiding aan stukken slaan. Dat kan en mag toch niet voor een zóó groote wereld als onze Schoolwereld is. En laat men ook in de kringen van de Kweekschoolmenschen zelf niet zeggen : als we verdrinken moeten, dan allemaal maar naar de kelder. Dat moest men niet zeggen. Men moest liever trachten zoo eerlijk en zoo billijk mogelijk het aantal Kweekscholen te beperken, om zoo te redden wat er te redden is en niet de heele opleiding in den grond boren.
Dan is er het voornemen om kweekelingen met acte in de school te brengen met een beperkt salaris (5 a 600 gulden), maar hun dan een plaats te geven tusschen het gewone personeel als onderwijzer, die geen onderwijzerssalaris heeft. Wij zouden zeggen : dat moest men niet doen. Wil men ze ais hulptroepen gebruiken, in de plaats van de boventallige onderwijzers, die afgeschaft zijn of worden, dat zou toe te juichen zijn. Tal van jonge menschen kunnen dan aan het werk, waarbij de Besturen, waar mogelijk en waar noodig is, uit eigen middelen voor een vergoeding kunnen zorgen (zoo noodig onder wettelijke bepalingen). Maar om die kweekelingen met acte te promoveeren tot onderwijzer en ze intusschen een salaris van een kweekeling te geven, dat brengt heel het onderwijzerscorps in wanorde. Men krijgt dan onderwijzers van 1200 en van 600 gulden in één school, wat de onaangenaamste verhoudingen in 't leven zal roepen en ook met alle regeling der salarissen in strijd is. Te meer te veroordeelen, omdat ook hier het systeem, mee brengt, dat een groot aantal onderwijzers dan vervangen zal worden door kweekelingen, die onderwijzers moeten zijn, maar geen onderwijzerssalaris ontvangen. Want het aantal zal ongeveer zijn : 5/8 onderwijzers en 3/8 kweekelingen met acte. Dus zoo ongeveer halfom half! Voorwaar, geen kleinigheid.
Noch in zijn bevoegdheid, noch in zijn werk zou er onderscheid zijn tusschen den kweekeling en den onderwijzer, maar zijn salaris zou zijn en blijven een klein deel van hetgeen een onderwijzer ontvangt en hij zou ook geen recht hebben op wachtgeld, op pensioen enz. Ons dunkt, dat mag niet.
Natuurlijk voelen wij, dat het o ! zoo makkelijk is om te zeggen : dit of dat mag niet. Maar wat dan wèl noodig is en mogelijk — ja, dat is niet zoo gemakkelijk te zeggen. En die nu afwijst wat de Regeering voorstelt, moet er iets voor In de plaats geven, dat beter is.
In Amsterdam weet men het wèl. Men moet maar eens een brug passeeren of een plein oversteken. Het aantal reclameborden voor de Gemeenteraads verkiezing dat men dan te zien krijgt is legio. En de eene partij weet 't nog smakelijker te zeggen dan de andere. Als men geneigd is, staande voor een bord, om toe te happen, heeft men er oogenblikkelijk spijt van, als men 't volgende bord ziet en leest wat er staat. Want dat is weer véél méér belevend. Zoo lazen we op het bord van de Communisten: »Helpt ons de loonsverlagingen van het Gemeentepersoneel ongedaan te maken en stemt daarom Communist*.
Is 't niet prachtig ?
En zoo willen de Socialisten, zoo willen alle opscheppers tegen elkaar opbieden en het domme deel der natie wordt ontzaglijk bij den neus genomen ; en dat deel zal blijken niet klein te zijn, dat verzekeren we u ! We zullen van die „volksbedriegerij" (om geen ander woord te gebruiken) nog heel wat toeleven ! En rechts zijn er partijen en menschen, die er aan mee doen, om de schare te misleiden, en links zijn er partijen en menschen, die er aan mee doen ! Arm volk, dat zóó misleid wordt en dat zich zoo makkelijk, zoo goedgeloovig laat bedriegen ! En dan zuilen er nog blijde zijn, als het straks de Regeering zoo moeilijk mogelijk gemaakt wondt, misschien wei zóó moeilijk, dat regeeren dan niet meer mogelijk is en anderen geroepen zuilen worden de zaken te regelen. Dan zullen velen blij zijn en in de handen wrijven van plezier. Maar de tranen zullen óók komen. Wee degenen, die er mee oorzaak van zijn, dat ons volk hoe langer hoe meer misleid wordt. Vooral in deze tijden is het misdadig !
Maar — en zoo keeren we tot ons onderwerp terug — als we inzake de genoemde Onderwijsbezuinigingen bezwaren hebben tegen datgene wat voorgesteld is, wat kunnen we dan noemen in de plaats van hetgeen we niet willen ; althans niet zóó willen, zooals de Regeering voorstelt? We nemen hier over wat „De Standaard" onlangs schreef. Het is dit:
»Met afwijzing van deze voorstellen zonder meer kan echter niet worden volstaan. Ai verwacht de Regeering, naar het ons wil voorkomen, meer bezuiniging van de opheffing van bijzondere scholen dan daaruit reëel is te verkrijgen, en al brengt het voorstel inzake den kweekeling met acte voorshands alleen bezuiniging in perspectief, dit neemt niet weg, , dat het niet aanvaarden dezer vaststellen gevolgen heeft voor het saneeringsplan van de Regeering, waarvoor 't oog geopend moet zijn. De bezuiniging, welke de Regeering nastreeft, is, dit kan niet genoeg worden 'herhaald, dringend noodig.
Daarom mag hij, die critiek uitoefent op onderdeelen van haar voorstellen, niet volstaan met negatieve critiek, maar dient hij, wanneer hij het pleit voert voor ingrijpende wijziging of afwijzing van bepaalde voorstellen, ook aan te geven hoe de vereischte bezuiniging dan op minder schadelijke en bezwaarlijke wijze is te verkrijgen. Wij zouden de beide besproken voorstellen niet met die vrijmoedigheid veroordeelen, ais 't ons onmogelijk scheen andere, minder bezwaarlijke middelen tot bezuiniging aan de hand te doen. O.i. is liet middelbaar en hooger onderwijs, in vergelijking met het lager onderwijs, te veel van de bezuiniging vrijgesteld. Naar onze meening kan de leerlingenschaal voor het u.l.o. nog wat verder worden verhoogd dan de Regeering voorstelt; ook kan beter eenige verdere verhooging van de leerlingenschaal voor het g.l.o. worden geaccepteerd, dan hetgeen de Regeering op de beide besproken punten aan de hand doet. Voorts wijzen wij op 't ontslag van de gehuwde onderwijzeres, niet-kostwinster op het vaststellen van een lager salaris voor jeugdige onderwijzers, dan het thans geldende (b.v. tot het 24e of 25e jaar), op een verder gaande salarisverlaging voor de ongehuwde
onderwijzeressen, eventueel ook voor de ongehuwde onderwijzers. Wij erkennen gaarne, dat ook dit geen „aangename" maatregelen zijn, maar wij vinden deze, om de noodzakelijke 'bezuiniging te bereiken, in alle opzichten aannemelijker dan de beide voorstellen van de Regeering, waarover wij ons oordeel gaven. Intusschen, kan men betere, d. w. z. minder pijnlijke, maatregelen aan de hand doen, dan zullen wij daarvan met vreugde kennis nemen, want wij zijn gaarne bereid aan het minst bezwaarlijke de voorkeur te geven, mits het doel, dat inzake de Rijksfinanciën moet worden bereikt, daardoor niet wordt geschaad*.
„Die Standaard" noemt dus als objecten van bezuiniging : 1. Het Middelbaar en Hooger Onderwijs ; 2. Het M.U.L.O.
Verder wordt genoemd verhooging van de leerllngenschaal l.o.; ontslag van de gehuwde onderwijzeres, die niet-kostwinster is; verlaging van salaris van de jonge onderwijzers-; verlaging van salaris van de onderwijzeressen, en van de ongehuwde onderwijzers.
Uit de onderwijzerswereld zelf is van meer dan één kant de gedachte naar voren gebracht: laat men het onderwijs nu niet heelmaal kapot maken, met al die drastische maatregelen. En laat men het aantal werkloozen oök niet onnoodig grooter maken dan het al is. Daarom : laat men, waar er bezuinigd moet worden (12 millioen is genoemd) over héél de linie de salarissen verlagen, naar evenredigheid.
Als men zóó voor heel het onderwijs: L.O., M.U.L.O., M.O. enz. de bezuiniging kon treffen, behoefden er niet zooveel wachtgelders te komen door de verhoogde leerlingenschaal enz. Dan maakt men wachtgelders en lijdt het onderwijs, maar de uitgaven blijven — althans voorloopig — even groot.
In „Oude Paden" lazen we : „Kan die 12 millioen nu niet zóó worden verkregen, dat minder geweldig wordt gehakt in het eigenlijke leven der school ? Kan het niet zóó, dat zooveel mogelijk alles op de gewone wijze blijft functioneeren ?
Zeker kan dat, als al de functionnarissen maar minder loon ontvangen.
Dien kant moet het uit.
Weigert men dit, dan is men zelf oorzaak, dat er maatregelen worden genomen, die het onderwijs schaden, de opleiding bederven, vele goede scholen doen verdwijnen enz. Dan is men zelf oorzaak van de groote moreele schade, die wordt aangericht, als de eene groep onderwijzers uit eigen belang de andere poogt weg te dringen.
De salarissen moeten eenvoudig omlaag. Ieder, die vertrouwend achter onze Regeering staat, stemt dit toe.
De salarislast — 100 millioen in een rond getal — is te hoog voor dezen tijd. Mijn eenvoudige raad, die ik zal blijven herhalen, is: kort zooveel procent op alle salarissen, als er millioenen bezuinigd moeten worden.
Marchant durfde dat nooit aan.
Hij trachtte het aantal onderwijzers in te krimpen door de leerlingenschaal te verhoogen. Maar dat is mis. Dan maakt men wachtgelders en lijdt het onderwijs wel, maar de uitgaven blijven voorloopig even groot. Zóó moet het niet". „In elk geval: nooit wachtgelders maken. In plaats daarvan gelijkmatige korting over alle salarissen. De handelwijze in een goed gezin wijst hier vanzelf den weg. Al de leden van het gezin behooren aan den disch. En mocht het menu schraal worden, dan krijgt ieder 'n schepje minder. Maar allen blijven aan den disch. Niet een paar buiten de deur — terwijl de anderen vroolijk door eten«.
DE NIEUWE SPELLING.
Over het aftreden van Minister Marchant is reeds genoeg geschreven. Het is een wonderlijke geschiedenis. Ieder dacht, dat er een Vrljz. Democraat aan het werk was ten opzichte van het Openbaar-en van het Bijzonder Onderwijs, en 't was een Roomsche, die z'n beslissingen nam en z'n maatregelen stelde !
't Zij zoo. 't Is voorbij.
Maar nu hopen we ook, dat de nieuwe spelling van de baan is. Eigenlijk heeft zoowat niemand 't gewild ; niemand heeft er om gevraagd; velen hebben er tegen geageerd en geprotesteerd. De Groote Pers heeft alles genegeerd. Aan de Scholen is het opgelegd. Voor de examens is het voorgeschreven. Alles op hoog .bevel. Maar officieel begeert niemand het. Gelukkig heeft de Pers 't genegeerd. Gelukkig zijn onze boeken gebleven bij 't oude. We gunnen Minister Marchant wel een standbeeld. Of er een meer of een minder is, doet niet veel ter zake. Maar het standbeeld van de (nieuwe) spelling-Marchant gunnen we hem niet. Dat moet nu maar uit zijn. Wég er mee ! Omdat het niet aan te zien is, zóó leelijk is het. Neen, niet zóó moeten we gaan schrijven. Laten we houden wat we hebben.
Zeer tot onze vreugd lazen we, dat het Ministerie van Justitie goedkeuring van Statuten geweigerd heeft, omdat ze geschreven waren in de nieuwe spelling. Best zoo. Maar — dan moet er nu ook een regeeringsverklaring komen, dat deze onverkwikkelijke geschiedenis tot het verleden toehoort. Dan keeren we ook, zoo ongemerkt mogelijk, op onze Scholen weer terug naar het oude. Want onze scholen mogen niet buiten het leven staan. Het leven wil de (nieuwe) spelling-Marchant niet.
Onze Bijbel, ons leesboek, onze courant enz. enz. staat er gelukkig los van. Nu moet het ook maar wèg. En we moeten maar net doen alsof er niets gebeurd is. Zand er over !
De schoolmeesters moeten ons hier helpen. Willen ze ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's