De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DEN HEILIGEN GEEST SMARTEN AANGEDAAN.

10 minuten leestijd

Maar zij zijn wederspannig geworden, en zij hebben Zijnen Heiligen Geest smarten aangedaan; daarom is Hij hun in een vijand verkeerd. Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.* Jesaja 63 vers 10.

In bovenstaand tekstwoord worden wij herinnerd aan Israels geschiedenis. Een geschiedenis van zonde en schande. Als ge de voorafgaande verzen leest, dan is daarin sprake van de wonderlijke goedheid die God aan dit volk had bewezen. Met welk een trouw had de drieëenige God dit volk geleid ! Met welk een liefde het omringd ! In al hunne benauwdheid was Hij benauwd. Hunne nooden waren Zijne nooden. Hun strijd Zijn strijd. Spreekt daarvan niet de wonderlijke uittocht uit Egypte, de bewaring in de woestijn, de menigvuldige uitredding uit den diepsten nood ?
Als de profeet bij dit alles wordt bepaald, verheft zijn hart zich tot dankzegging en lofverheffing van dien Naam, prijzenswaard en heerlijk, die zich aan dit volk had verbonden. Hoe treffend ziet hij uitkomen, in profetisch zien, het lijden van het Lam Gods, geslacht van de grondlegging der wereld af, voor dit volk der verkiezing. Het is de arbeid geweest van dien „Engel van Gods aangezicht", waardoor Israël behouden is geworden.
Paste het hun dan niet, wier gansche bestaan een wonder was. Hem te leven, te zijn een theocratisch volk, levend onder de Godsregeering, wanneer na veel omzwervingen, onverdiend de Geest des Heeren hun rust geeft in Kanaan's landouwen ?
Maar nu de werkelijkheid. Israël wil geen theocratisch volk zijn. Het is een volk van aanpassing aan wereld en heidensche cultuur, 't Wischt de van God gewilde grenslijnen uit. De verkregen verlossing wordt niet met dankbaarheid bekroond. Het uit zichzelf onverbeterlijke hart van Israël verstaat de uitzonderingspositie niet, waartoe het geroepen is. Niet als een stad boven op eenen berg wil het lichten boven de wereld, maar het begeert de zondige gelijkschakeling met de rondomliggende volkeren.
Hoe sterk komt die begeerte uit in het verlangen naar een koning, in een residentiestad en paleis, uitdrukking gevend; aan wat Israël geworden is. Israël grijpt naar een kroon, wil zich zelf een kroon op het hoofd zetten, en het wil niet dienen, dienen den Allerhoogste om aan eene verlorene wereld eenmaal te geven een lijdenden Man van Smarten, gekroond met doornen.
Zeker, Gods raad zal bestaan en Israël zal eenmaal den Christus voortbrengen, maar om Hem — den grond van hun zijn — dan aanstonds te verwerpen, te bespuwen, te kruisigen. Die wederspannigheid kenmerkt de gansche historie van Israël. Amper immers heeft dit volk, na de doortocht door de Roode Zee, gekomen achter de veilige scheidslijn, gezongen : „O Heere, wie is als Gij onder de goden ? Wie is als Gij, verheerlijkt in heiligheid, vreeselijk in lofzangen, doende wonder ? Gij hebt Uw rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft ze verslonden. Gij leidt door Uw weldadigheid dit volk dat Gij verlost hebt. Gij voert ze zachtkens door Uwe sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid" — of, in de woestijn Sin aangekomen, murmureeren zij en hun hart ligt weer aan de andere, aan de verkeerde kant der scheidslijn : „Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren, toen wij bij de vleeschpotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten".
De liefelijke woning van Gods heiligheid was toen wel heel verre van deze gedeelde harten. Het blijkt telkens gedurende Israels volksbestaan. De Geest des Heeren maakt zich los van land en volk. Hij trekt zich terug.
Het goeddunken van eigen hart wordt dan gevolgd, maar onderwijl tevens de ijdele waan gevoed : „des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren tempel zijn deze".
Maar een tempel zonder Heiligen Geest is geen tempel. Zulk een tempel moet tot gruis ineenstorten. En hij is ineengestort.
Want zij hebben Zijnen Heiligen Geest smarten aangedaan, daarom is Hij hun in een vijand verkeerd ; Hij Zelf heeft tegen hen gestreden.
't Heeft ons veel, heel veel te zeggen. Er wordt veel gesproken over de werking des Geestes. Maar wat God goed en noodig heeft geacht met nadruk van dien Geest te zeggen — ahoewel wij het konden weten — wordt door menschenkinderen maar al te zeer vergeten, n.l. dat die Geest is de Hei1ige Geest.
Het is die persoon van het Goddelijk Wezen, Die in bij zonderen zin deze eigenschap laat geiden. Hoe zou Hij deze dan niet laten gelden in het werk der genade ?
Of komt dit niet uit, wanneer Hij door de band des Woords in het zondaarshart Zijn machtig en onwederstandelijk werk aanvangt ? Dan wordt die mensch opmerkzaam gemaakt om acht te geven op hetgeen hem van Godswege gezegd wordt. Dit is een innerlijk proces, het proces der wedergeboorte, waarvan ge wel kunt zeggen wat het is, maar niet hoe dit in het hart van elk van Gods kinderen wordt opgemerkt en ondervonden. Als we dan ook eenige dingen opnoemen, meent dan niet dat wij een logische ontvouwing kunnen geven des geestelijken levens.
Wij zitten niet in de stoel Gods. Maar de ondervinding van hem of haar, in wie de trekking des Heiligen Geestes zich openbaart, doet opmerken, vroeg of laat, onrust, verlegenheid. God is dan de centrale gedachte van het leven geworden. In het licht dat er van Hem uitgaat, verschrikken de ontdekkingen, die men bij zichzelf opmerkt. De liefdesverhouding tusschen den Heiligen Geest en Gods kind wordt altijd uit de droefheid geboren, omdat het is een Heilige Geest, die in den aandrang om binnen te komen een hart vindt vol onreinheid, en daar zich niet mede kan vereenigen, zoodat Hij doet ontwaken het besef van heiligheidsgemis, of wilt ge 't anders, van zondekennis, waaraan die zonden, welke 't liefst zijn, wel .allereerst herinneren.
Hij maakt tot schande, opdat er ruimte kome voor Christus. Hij laat het onheilige bedrijf van de kruisnageling in het hart erkennen, als eigen boosaardig werk. „Den Vorst des levens hebt gij gedood".
Zoo komt een verloren menschenkind, met de hand op de borst — daar zit de schuld — als een boeteling onder de ijzeren nagelpunt, die Jezus' voeten houdt verbonden. Ik ben die man, maar is er nog redding, redding ook voor mij ? Of zou die Heilige Geest, als de Geest der genade en der gebeden, anders doen zoeken en anders doen smeeken ?
Of zou Hij tenslotte anders doen gelooven, als de Geest des geloofs, door aan het einde, als een donkere hemel zich welft over een schuldenaar en deze zich laag neerbuigt in de vallei des ootmoeds, te doen zien op de geweldige liefde van Jezus voor goddeloozen en vijanden ?
O, we weten het wel, dat te voren soms heel wat zijpaden ingeslagen worden, waardoor gepoogd wordt wat bij zichzelf te vinden, wat aangenaam is. In zekeren zin is dit te begrijpen, omdat hierin de gedachte leeft in het reine te komen met Gods geboden.
Maar de grond, om voor God te bestaan is alleen de toegerekende gerechtigheid van Jezus Christus, het eenige zalige vredeoord. Hem wil de Heilige Geest verheerlijken en we doen wél, daarop acht te geven in prediking en woord.
Maar o, bittere klacht der verguisde liefde, die hier spreekt uit ons tekstwoord! Waar is. nu de vreeze Gods bij die God zoeken, bij die God kennen ?
Want nietwaar die Geest Gods is een Heilige Geest. Wat wordt er veel gesproken over Geesteswerk! Een aparte vroomheid, waarvan de Schrift niet weet, schijnt er in onze dagen door te ontstaan, waardoor twist en nijd geboren wordt, waardoor men gereed staat, alsof het een kleinigheid ware, iemand te plaatsen buiten het Koninkrijk Gods, waardoor men het gehalte van waarheidsgetrouwheid bepaalt naar wat een mond zegt of een oor hoort.
Het was toch in de Pinkstergemeente wel anders. Niemand zal toch van die gemeente in twijfel trekken dat de Heilige Geest in haar woonde: Wat lezen wij van haar ? Dit: „en dagelijks eendrachtelijke in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid, des harten, en prezen God, en hadden genade bij het gansche volk". Er volgt nog meer: „en de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden". Eendrachtelijk bijeen — eenvoudigheid des harten — genade bij het gansche volk — toebrenging tot Gods Koninkrijk.
Ge zult zeggen, maar 't was toen een bijzondere tijd. Ongetwijfeld. Doch stel dit er tegenover, wat wil God ? Wat wil de Heilige Geest ? Tegen dien wil passen geen redeneeringen. Dan weet Hij zich nog in een vijand te verkeeren.
Is dit niet zoo in het leven van die God vreezen ? Of is David in zijn val daarvan niet het treffende voorbeeld ? Hoe miste hij niet de vreugde des heus, hoe vaak hij ongetwijfeld ook toen naar Gods huis is opgegaan !
Wat zou dikwerf de reden zijn van zooveel machten, 'dat het weer donker is, de vertroostingen weer weg zijn en van zoovele angstige, soms ook gewoonte-vragen meer.
Is dit iets heel gewoons ? Zoo gaat men het achten. Maar dit is zeker, als de vreeze Gods niet uitkomt, dan gebeurt er wat.
Laten wij toch niet zoo gemakkelijk zeggen, krachtens de kennis van ons geloofssysteem, de zonde komt Gods kind niet te boven, neen, hij komt die niet te boven, maar als hij haar koestert, haar voet geeft, dan voltrekt zich een proces in zulk een hart.
Als de liefde onbeantwoord blijft, andere wegen worden ingeslagen, berekeningen gemaakt, links en rechts gezien, gelogen, achtergeklapt, de werken des duivels gedaan, als „vromen" elkaar niet kunnen dulden, als de afgod van het eigen „Ik" niet wil getroffen worden, wanneer men een bepaalde boezemzonde liefheeft, aanhoudt, dan gebeurt er iets. Neen, dan gebeurt er veel. Dan is er wederspannigheid tegen den Heiligen Geest en verkeert Hij in een vijand. Dan wordt het van binnen koud, doodsch, kil.
Wat dan te denken over veel ijdelen „geestes"strijd in onze dagen ? Waarbij alles er maar op door kan, alsof er geen tien geboden des Heeren zijn. We kunnen over ellende spreken en onderwijl aan geen enkele van onze vele zonden van eiken dag denken.
Luidt niet één der laatste Bijbelwoorden : „Zalig zijn zij, die Zijne geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens en zij door de poorten mogen ingaan in de stad. Maar buiten zullen zijn de honden en de toovenaars en de hoereerders en de doodslagers en de afgodendienaars en een iegelijk, die de leugen liefheeft en doet”.
Wat dan te doen ? Is het Schriftwoord te eenvoudig, strandt het op onze spitsvondige redeneeringen, dat Schriftwoord, dat zegt: „Indien wij onze zonden .belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid”.
Moet er dan niet veel goed gemaakt tegenover God en mensch, want het gaat om de eere van den Heiligen Geest ?
Tenslotte, wilt ge de duidelijke scheiding aangeduid zien, de lijn, waarvan ge óf ter eener of ter anderer zijde staat, die de spanning brengt in het leven der waarlijk Godvreezenden, waardoor ze telkens noodig hebben de toevlucht te nemen tot den Heere om bescherming, bewaring, vergeving en opscherping der liefde, dan vindt ge die in 1 Corinthe 16 vers 22 : „Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking. Maranatha. Jezus komt”.

Ede
J. Ch. W. Kruishoop

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's