DE RECHTVAARDIGMAKING
In de behandeling van de Christelijke dogmatiek van dr. Riemens kunnen wij kort zijn. Dit werkje mist zoowel de oorspronkelijkheid, die aan het geschrift van dr. Gerritsen niet geheel ontzegd kan worden, als de helderheid en onbevangenheid, waarmede die schrijver zijn oordeel en overtuiging tot uitdrukking brengt.
Een van de dingen, die bij lezing van deze dogmatiek het meest opvalt, is de groote vaagheid, die aan de dogmatische voorstellingen van dezen schrijver eigen is. Heel de grond van de gereformeerde dogmatiek wordt omgewoeld. Men krijgt den Indruk, dat voor een ethisch theoloog geen enkel leerstuk in zijn ouden vorm, zooals het in onze belijdenisgeschriften ons verschijnt, gehandhaafd kan worden. Daardoor wordt de verwachting van een nieuwen opbouw gewekt. Maar tevergeefs zult ge naar de nieuwe constructie zoeken. Het is en het blijft critiek, al is die critiek hier en daar, waar zij zich richt op de scholastische bewerking der leerstukken wel raak. Zoodat ge ten slotte niet weet, waar ge met een ethische theologie aan toe zijt. Alles staat wankel en aan het eind staat toch alles weer overeind en gaat men voort de oude overgeleverde uitdrukkingen te gebruiken. Het is, al is de vergelijking een weinig plat, nieuwe thee in de oude trekpot. Wie alléén op de trekpot ziet, denkt, dat hij de oude thee krijgt voorgezet, maar wie de thee zelf proeft, bemerkt, dat hem onder een oude vorm iets gansch nieuws wordt voorgezet.
Wij zullen, hetgeen we gezegd hebben, eerst aanwijzen ten opzichte van de erfzonde, wijl de leer van de erfzonde ten nauwste in verband staat met de leer van de verlossing, die In Christus Jezus is.
Op pag. 62 lezen we: „Maakt de erfzonde den „mensch schuldig ? De uitdrukking erfzondigheid = erfelijke zondigheid, is beter dan „erfzonde. Er bestaat immers geen afzonderlijke „soort van zonde, welke erfzonde zou moeten „heeten. In de Christelijke theologie dient de leer „der erfzonde om den nadruk te leggen op de „behoefte aan verlossing, die algemeen menschelijk is".
Voor wie nauwkeurig leest, is het duidelijk, dat van de beide begrippen erfschuld en erfsmet, die meestal geacht worden in den eenen naam erfzonde samengevat te zijn, de eerste bij de beschouwing geheel wordt voorbijgegaan, zoodat de oude leer van de erfzonde met zijn wondere diepten eenvoudig wordt getransponeerd in de erkenning van de algemeene zondigheid van het menschelijke geslacht.
Op pag. 68 wordt met name de erfschuld ontkend. „De leer, dat wij allen in Adam gezondigd hebben", berust op een verkeerden uitleg van Rom. 5 vers 12, terwijl in 1 „Cor. 15 vers 22 wel staat, dat allen in Adam „sterven, maar niet, dat zij in Adam allen „gezondigd hebben. Er bestaat zeker organisch „verband in het menschelijk geslacht, een gemeenschappelijke vloek, maar de leer van een „(uiterlijk) toegerekende zonde van Adam gaat „buiten het religieus bewustzijn om".
Het is volkomen onjuist, dat de leer van de erfzonde alleen rust op Rom. 5 vers 12. Ook al meent men, dat de Statenvertaling hier niet volkomen juist is, dan neemt dat niet weg, dat de vergelijking tusschen den tweeden en eersten Adam, die de apostel hier in dit hoofdstuk maakt, de grondslag vormt van de leer der erfzonde, evengoed als van de leer der toegerekende gerechtigheid. Aan de kracht van deze vergelijking kan noch dr. Gerritsen noch dr. Riemens nog eenig ander theoloog ontkomen, en daarom moet uit het laten vallen van de leer der toegerekende gerechtigheid noodzakelijk voortvloeien het laten vallen van de leer der erfschuld, terwijl eveneens omgekeerd, wie de leer der erfschuld laat vallen, de leer van de toegerekende gerechtigheid van Christus niet kan handhaven. En het blijkt later, dat ook bij dr. Riemens in de behandeling van de leer der verlossing voor de toerekening van Christus' gerechtigheid geen plaats is, al keert hij zich niet zoo klaar tegen deze leer als dr. Gerritsen.
Het halfslachtige van het ethische standpunt komt het duidelijkst naar voren bij de vraag naar de beteekenis van de erfzondigheid. Het eene oogenblik wordt erkend, dat zij den mensch schuldig stelt, en het andere oogenblik wordt dit weer ontkend.
„Vastgehouden worde, dat de algemeene toestand, die de bodem is van zooveel verkeerd heden, zondig moet heeten. De zonde is door de „gansche menschheid wijd en diep verbreid en „de solidaire zonde geldt als schuld voor God". Maar even later wordt op dezelfde blade., (pag. „65) gezegd : „Erfzondigheid maakt de menschheid schuldig, omdat de mensch persoonlijk „tot daadwerkelijke zanden voortgaat". Uit dit laatste woord volgt, dat de schuld der zonde toch eigenlijk met de dadelijke zonde alleen samenhangt, maar omdat de erfzondigheid en de dadelijke zonde in een onafscheideiijk verband met elkander staan, valt toch iets van die schuld ook weer op de erfzondigheid terug. Zooals wij zeiden, de erfzondigheid is schuld en geen schuld. Voor het besef van dr. Riemens schijnt zoo iets als een halve schuld te bestaan.
„Wat volstrekt buiten verband met het wllsleven van den mensch staat, behoort niet tot het gebied der schuld. Er is in den mensch echter ook een halfbewust, onderbewust willen". Hier schijnt ons de verklaring te worden geboden van deze halve schuld, n.l. in het onderbewuste van 's menschen zieleleven, dat niet volstrekt buiten verband met zijn wilsleven staat, maar dat toch evenmin, wij de mensch zich slechts ten halve hiervan bewust is, geheel en al door zijn wil (in bewusten zin genomen) bepaald wordt.
Dezelfde halfslachtigheid komen wij tegen ten opzichte van den menschelijken wil. Het eene oogenblik wordt de onvrijheid van den menschelijken wil erkend, de gebondenheid van den mensch, en dus ook van zijn wil onder de macht der zonde, en een volgend oogenblik ligt de beslissing over 's menschen zaligheid toch weer In den mensch. „Erfzondigheid is eigenlijk niet anders dan bezonken armwilligheid, een tweede natuur en in wezen onnatuur". In een noot hierbij wordt het Arminianisme verworpen. Doch een paar pagina's verder lezen wij dezen eigenaardigen zin : „Wie in zondige neigingen volhardt, al zijn die neigingen erfelijk, is schuldig voor God, omdat Jezus Christus gekomen is. (Het gespatiëerde in de aanhalingen is immer van den schrijver zelf)
Geen oogenblik denken wij er over om de schuld van den mensch, die in de zonde blijft voortleven, te ontkennen. Wie op grond, van die Schrift de zondige toestand van den mensch als schuld ziet, zal zeker het doorgaan op dien weg als schuld erkennen moeten. Maar volgens dr. Riemens wordt het hem eerst tot schuld, wanneer hij onder het Evangelie leeft. Natuurlijk beseffen wij zeer goed, dat zijn schuld daardoor verzwaard wordt, maar dat is, iets anders dan dat eerst door de prediking van het Evangelie het blijven leven in de zonde als zonde en schuld wordt aangerekend. Hier ligt de gedachte aan ten grondslag — het heele verband maakt dat duidelijk — dat die prediking van het Evangelie den mensch de kracht geeft om zich van de zonde af te wenden. Wanneer hij van deze hem geboden of geschonken kracht geen gebruik maakt, maar zich verhardt, wordt zijn onboetvaardigheid hem als schuld aangerekend. Had ik daarom geen recht om te zeggen, dat aan de eene zijde de onvrijheid van den menschelijken wil wordt erkend en aan de andere zijde toch weer de mensch zelfstandig beslist over zijn zaligheid ?
Deze tweeslachtigheid is niet toevallig, maar is, gelijk wij in den beginne uiteengezet hebben, van den oorsprong af eigen aan de ethische theologie, wijl zij uit tweeërlei beginsel leeft en eenerzijds de Schrift erkent alle bron van onze Godskennis, maar daarnaast ook den mensch als uitgangspunt neemt, zijn zieleleven in Zonderheid dan het zieleleven van den christen, als toon aanvaardt, ja heel de norm der baarheid ten slotte in den mensch zoekt.
Zoo ging dr. Gerritsen hij de beoordeeling van de vraag, of straf, die wij verdiend hebben, door een ander gedragen kan worden, uit van de rechtsbegrippen, die in de menschheid leven en dr. Riemens gaat bij de beoordeeling van tal van vragen uit van het religieuze leven als een algemeen bekende grootheid en tevens norm voor wat waar en niet waar is.
Dat de leer van de erfzonde niet geheel door hem wordt verworpen, is, wijl zij uitstekend dienst doet om den nadruk te leggen op de behoefte aan verlossing, die algemeen menschelijk is. De vraag, of de leer aansluit bij het religieuze leven, .bij een behoefte, die algemeen menschelijk is, schijnt tenslotte te beslissen over haar waarheidsgehalte, niet de vraag, wat de Schrift in dezen zegt.
Op denzelfden grond verklaart de schrijver, dat de leer van een toegerekende zonde van Adam buiten het religieus bewustzijn omgaat. Ik geloof het gaarne, als wij onder dat religieus bewustzijn het algemeen menschelijke moeten verstaan, maar bewijst .dat ooit, dat deze leer geen waarheid is ? Of dat deze leer geen .plaats heeft in het religieus bewustzijn van Gods kinderen ?
Het zal den lezers duidelijk, zijn, dat wat hier geleerd wordt van de erfzonde en van den val des menschen, van de grootste beteekenis is voor de leer van de verlossing, die in Christus Jezus isi, en voor de leer van de rechtvaardigmaking. Wie de leer der erfzonde in haar klassieken zin laat vallen, moet, gelijk aan den eersten Adam, ook aan den tweeden Adam een gansch andere plaats toewijzen als onze belijdenis doet. Wie de erfschuld verwerpt, moet eveneens ontkennen de toerekening van Christus' gerechtigheid. Wie den mensch niet geheel verloren stelt, moet aan de genade een medewerken de beteekenis geven in plaats van haar als een alles werkende kracht te zien.
Toch meene men niet, dat dit alles altijd even klaar gezegd wordt. Ook bij .de uiteenzetting van de leer der verlossing is alles even vaag. De schriftuurlijke waarheden worden niet geloochend, maar erkend en toch ook weer niet erkend. Na de beschrijving der waarheid volgt altijd weer een nadere toelichting, die feitelijk de eerste beschrijving .doet wankelen. Of de schrijver Christus erkent als God en mensch ? Het zou niet moeilijk vallen om u een zin voor te leggen, op grond waarvan ja gezegd moet worden, maar er zijn ook aanwijzingen, die laten zien, dat hij deze woorden in een anderen zin verklaart, dan de belijdenis der Chrlstelijke Kerk aan deze altijd heeft toegekend. Zoo is het met de verzoening en schuldvergeving, zoo is het ook met Christus' gerechtigheid en het volmaakt zijn in Hem. De rechtvaardigmaking wordt in haar objectieven grondslag ten opzichte van de verlossing, die in Christus Jezus is, wankel gesteld en het noodzakelijk gevolg van dit terugwijken van den objectieven grond tes geloofs is de verheffing van het geloof naar zijn subjectieve zijde. Het geloof ontleent zijn beteekenis meer en meer aan zich zelf, aan zijn religieuze en zedelijke waarde.
Zoo alleen is het te verstaan, dat volgens dr. Riemens de Christusgeest, die in de heidenvolkeren voor Zijn komst reeds werkte, menigen helden „in de groote godsdiensten dier wereldgeschiedenis in velerlei wijze Gods gemeenschap „heeft doen vinden", (pag. 70)
Het doet er tenslotte niet toe wat men gelooft, als men slechts gelooft. Maar nooit kan uitblijven, dat dan, indien men consequent is, het geloof zelf de grond der rechtvaardiging wordt, iets wat juist door den Catechismus zoo uitdrukkelijk verworpen wordt.
O. a/d IJ.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's