De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD.

11 minuten leestijd

Genesis 7 : 10, 11. En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren. In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventiendin dag der maand, op dezen zelfden dag zijn alle fonteinen des grooten afgronds opengebroken en de sluizen

XV.
4 e Serie.
Wij zijn nu genaderd tot de beschrijving van den zondvloed zelven. Twee zaken behooren daarbij wel te worden onderscheiden, namelijk de vorm, waarin ons het gebeurde wordt beschreven, en in de tweede plaats de vraag naar de historische waarde van het zondvloed-verhaal. Wij maken deze onderscheiding, omdat met name de moderne Schriftcritiek daartoe noopt. Wij kunnen de vraag, of wij in den ons ten dienste staanden tekst van doen hebben met de aaneenrijging van jongere of oudere verhalen daarlaten, omdat naar onze overtuiging de auteur het langs den weg der traditie door Gods uitverkoren Kerk .bewaarde en tot hem gekomen berichten-complex heeft bewerkt en bij het licht van Gods Heiligen Geest ons als eene eenheid heeft nagelaten. Met betrekking tot de tijdrekening zijn er echter groote moeilijkheden, die het gevolg daarvan zijn, dat de ons tot beschikking staande gegevens niet zoo maar naar onze voorstellingen aangaande den tijd en den loop van jaren en eeuwen kunnen worden uitgelegd. Dit is dan ook de oorzaak, dat er van ouds af allerlei verschillen zijn ontstaan onder de uitleggers, waaraan niet alleen groote geleerdheid, maar ook een groote arbeid ten koste is gelegd, zonder dat de moeilijkheden zelve er eigenlijk door werden opgelost. Reeds Flavius Josephus heeft in zijn geschrift Joodsche Oudheden, Hfdst. 3, eene beschrijving van den zondvloed gegeven, waarin hij niet alleen het bijbelsch verhaal op zijne manier vervormt, Zoodat alle figuren uit het geslachtsregister tot heerschers en koningen worden gemaakt, maar ook op grond van andere hem ten dienste staande getallen tot eene geheel andere berekening kwam. Naar zijne becijfering zou het aldus verloopen zijn : „Deze groote gebeurtenis (de zondvloed) had", zoo zegt Josephus, plaats in het zeshonderdste jaar van Noach's regeering, in de tweede maand, die door de Macedoniërs Dius genoemd wordt, maar door de Hebreërs Marsuanes. Zóó toch hadden zij in Egypte het jaar leeren verdeelen. Mozes maakte evenwel de bepaling, dat de maand Nisan, die bij de Macedoniërs Xanthicus heet, bij de regeling der feesten de eerste zou zijn, omdat hij in die maand het volk uit Egypte geleld had. Deze maand was hem de eerste in alles, wat op de vereering van God betrekking heeft. Bij het koopen en verkoopen en bij alle andere zaken behield hij evenwel de vorige regeling. Volgens Mozes nu nam de zondvloed een aanvang op den zeven en twintigsten dag van de zooeven genoemde maand. Sedert Adam, den eersten mensch, waren er toen tweeduizend zeshonderd zes en vijftig jaren verloopen. Men vindt de aanwijzing daarvan in onze heilige Schriften, daar de menschen van dien tijd miet veel zorg de geboorte en sterfjaren der uitstekende mannen opteekenden". Tot zoover Josephus, die in plaats van den 17en der maand spreekt van den 27en, een verschil, dat gereedelijk zijne verklaring vindt in den tekst van de vertaling der LXX, die ook spreekt van den 27en der maand. Doch afgezien nu van dit op zichzelf onbeteekenend verschil, waarbij er geenerlei reden is om aan den Griekschen tekst de voorkeur te geven, is er wel ook door onze oudere en beste Gereformeerde exegeten aandacht gewijd aan de door Flavius Josephus op den voorgrond gestelde onderscheiding tusschen het burgerlijke en godsdienstige jaar. (Zie Andreae Riveti Opera Theol. T. I. V. VII Genes. Excerc. 54) Het ligt niet op onzen weg de veelvuldige beschouwingen, die er in den loop der eeuwen over deze bijbelsche Chronologie alzoo gegeven zijn, alle na te gaan. Wij zouden daarmede ook niet verder komen, omdat wij met betrekking tot de tijdrekening op de cijfers van den Hebreeuwschen tekst zijn aangewezen en ons alle verdere toelichting daarop ontbreekt.
Reeds van zeer oude tijden hebben velen over vragen van tijdrekening 't zich moeilijk gemaakt, zoodat de apostel reeds aan Titus heeft geschreven, dat hij beter deed dwaze vragen te wederstaan. En onder die dwaze vragen rekende hij ook die over geslachtsrekenlngen. En daar er over de jaren, die bedoeld zijn, ons geen bijzonderheden worden vermeld, ligt het voor de hand, dat het aanbeveling verdient zich niet al te zeer in chronologische kwesties te verdiepen, die ten laatste niet met besliste zekerheid door ons kunnen worden opgelost, evenmin als de Ouden dit .blijkens het bericht van Flavius Josephus hebben gekund. En dit verdient te meer aanbeveling, omdat preciese berekeningen, zooals de wetenschap dezes tyds die nastreeft, voor ons uit gebrek aan gegevens niet meer te maken zijn. De tijdrekening, zooals die in Hoofdstuk 5 is gegeven, leidt tot de meening, dat er hier sprake is van 't 1656ste jaar, gerekend vanaf de schepping. De 17e dag der .tweede maand zou volgens onzen kalender eind April of begin Mei kunnen zijn. Volgens dezen datum, zou dan de aanvang van den vloed samenvallen met dat deel van het jaar waarin in „het lage land van Babylonië de .groote overstrooming begint, omdat alsdan de sneeuw op de bergen van Armenië wegsmelt en de groote rivieren, de Eufraat en Tigris, wassen". Zoo beschouwt het prof. Böhl in het voorheen reeds door mij aangehaalde geschrift Tekst en uitleg. Genesis I, blz. 81. En hij voegt er nog aan toe, dat de kolken van den oceaan en de sluizen van het hemelgewelf geopend schijnen te zijn, zoodat de stortvloed ongehinderd het vlakke land overstroomt. Juist op dezen dag (men lette op de nauwkeurigheid van de tijdsbepaling), zoo zegt prof. Böhl, gaat Noach met de zijnen en met alle landdieren en al het gevogelte in het groote schip.
Nu is het ongetwijfeld juist, dat het zondvloedverhaal, zooals het in de Schrift voorkomt, door Mozes, evenals zulks met andere verhalen, waarop ik voorheen reeds wees, het geval was, ook door hem niet is gemaakt als eene litteraire schepping, maar bewerkt werd als een voorhanden historische stof. De inkleeding daarvan heeft hij niet gevonden, maar gewerd hem met name uit de voorstellingswereld van Gods oude Kerk bij het licht van Gods Heiligen Geest. Daarom onderging de stof eene bepaalde historische bewerking, waardoor zij werd gezuiverd van allen mythologischen inslag. Er is tusschen de zondvloed-verhalen, zooals die In Babylonië in omloop zijn geweest, en het bijibelsche verhaal, overeenkomst. En het spreekt eigenlijk vanzelf, dat de voorstellingsvormen, waarvan de bijbel zich bedient, verwantschap vertoonen met hetgeen daar in de lage landen, waardoor Euphraat en Tigris stroomen, geregeld te zien was in het verloop der jaren. Doch hoewel er deze overeenkomst inderdaad is en de jaarlijksche overstroomingen de voorstellingsbeelden konden bijbrengen en daarvan ook in het Bijbelsche verhaal is te speuren, is er toch een groot en principieel onderscheid tusschen het verhaal, zooals het in Genesis voor ons ligt, en wat men gewoon is de zondvloed-sagen te noemen. Eigenlijk is dit onderscheid weder hetzelfde, waardoor de Mozaïsche teekening zich kenmerkt, namelijk, dat zij bet gebeurde voor ons zet In het kader van eene geweldige geologische omkeering en het dus herleidt tot een historisch proces, dat voltrokken wordt onder het licht der straffende gerechtigheid Gods over de oude wereld, doch voor de verdere ontwikkeling der aarde en de haar bewonende menschheid beslissend is gebleken. De straffende gerechtigheid en de uitverkiezende genade werken door in de menschelijke historie, doch de Schrift verzuimt niet deze geschiedenis der menschheid met de geologische en metereologische veranderingen, die zijn ingetreden, in verband te brengen. Hoewel dus de vormen, waarin het verhaal gegeven wordt, ontleend zijn aan de locale omstandigheden, is toch de zin en de strekking een geheel andere dan die van de zondvloed-sagen, die bij de andere naburige volken in omloop waren, te mldden waarvan Israël verkeerd heeft en die buiten het licht van Gods bijzondere openbaring leefden.
Men wist allang, dat de Babyloniërs overleveringen bezeten hebben. Lang voordat er van opgravingen sprake was, wist men daarvan reeds uit Berosus. Deze Babylonische historie-schrijver en astroloog was een tijdgenoot van Alexander de Groote en is niet alleen bekend om zijne uitvindingen, maar schreef ongeveer 280 voor Christus eene geschiedenis van de oudste tijden van zijn vaderland. Een en ander is daarvan bewaard, doordat Mavius Josephus, Clemens van Alexandrië, Euseblus, die het geschrift onder de oogen hadden, er uit geciteerd hebben. En zoo wist men er al van ouds iets van. Berosus heeft namelijk meegedeeld, dat 432000 jaren nadat de eerste Babylonische koning Aloros aan de regeering was gekomen, aan Xisuthros, den 10en koning na hem, de god Bel in den slaap verschenen was om hem te openbaren, dat op den 15en der maand Daeslos door zware regens eene overstrooming komen zou. Daarom begroef hij alle geschriften in de zonnestad Sippara en bouwde voor zich en de zijnen, verwanten en vrienden, een schip, dat 9000 voet lang en 1200 voet breed was, waarin hij viervoetige dieren en vogels moest opnemen. Zoo werden zij, toen de vloed kwam, veilig geborgen. Toen de wateren zakten, liet Xisuthros twee malen vogels uitvliegen, die, toen zij ten tweeden male terugkeerden, slijk aan de pooten hadden en de derde keer niet terugkeerden. Het vaartuig was op een berg vastgeraakt en Xisuthros ging met vrouw, dochter en bouwmeester uit het schip, bracht offers aan de goden en verdween met de zijnen. Zijne metgezellen hoorden slechts zijne stem, die hun toeriep, dat hij tot belooning met de zijnen en den bouwmeester onder de goden opgenomen was. Zij moesten uit Armenië terugkeeren naar Babylon en de begraven geschriften ophalen. Dit deden zij, bouwden vele steden en tempels, inzonderheid de stad Babel, weder op. En, zoo werd er nog bijgevoegd, de overblijfsels van het schip waren nog lang daarna in de bergen te zien.
Uit de Kellinscripties werd men echter uitvoeriger ingelicht, toen het uit 12 deelen bestaande Gilgames-epos bekend werd. Deze twaalf deelen hangen waarschijnlijk wel samen met de twaalf teekenen van den dierenriem. En in het elfde stuk, waarschijnlijk onder het teeken van den Waterman, wordt de geschiedenis van den grooten vloed verhaald door de hoofdfiguur, die de plaats van den Bijbelschen Noach inneemt, door Sitnapistim of Adrahasis of Hasisadra, dat dan dezelfde zou zijn als Xisuthros van Berosus. Vroeger wees ik in ander verband er reeds op, dat in dit verhaal meer het godsdienstig element op den voorgrond treedt, want de vloed wordt hier in verband gebracht met den toorn van den god Bel over de goddelooze menschen, zoodat de goden den vloed laten komen. Doch de menschlievende god Ea waarschuwt Sitnapistim en laat hem het schip bouwen. De goden woeden dan op geweldige wijze, sommigen zelfs vluchtten voor den storm en Istar schreeuwde als eene barende: Dit volk is weder tot leem geworden, waar is wat ik voortbracht ? " En de goden weenden, terwijl hunne lippen op elkander gedrukt waren van smart. De watergodheden der diepte en die der lucht wedijveren en doen den vloed komen als een springvloed uit de zee en geweldige regen stroomt neer. Dit herinnert aan Genesis 7 : 11. Alleen de duur van den vloed is korter dan in Genesis. Zeven dagen komt de vloed op, zeven dagen zit het vaartuig vast op den berg; dan worden duif, zwaluw en raaf uitgezonden. En dan verlaten dieren en menschen het schip. Sitnapistim bouwt dan een altaar op den bergtop, brengt zijn welriekend offer, zoó begeerlijk, dat de goden zich als vliegen verzamelden boven den offeraar. De godin Istar houdt eene rede, waarin zij Bel weder zijne onbezonnenheid verwijt. En dan komt Del, die, zoodra hij het schip aanschouwt, van toorn tegen de goden vervuld wordt. Doch de god Ra treedt tegen hem op en vraagt, waarom hij den vloed zoo onbezonnen verwekt heeft. Op den zondaar, zoo zegt hij, moet zijne zonde vallen, en Be! moet zich laten verbidden dat hij niet verdelgd worde. Daarom noemt hij een reeks andere straffen op, want leeuwen kunnen de menschen In aantal verminderen, ook hongersnood en pest. Zoo wordt Bel tot rede gebracht, gaat hij in het schip en heft Sitnapistim en zijne vrouw omhoog, zegent dit menschenpaar en zegt: tot nu toe was Sitnapistim een mensch, maar hij zal met zijne vrouw als de goden verheien zijn ; Sitnapistim zal wonen in de verte aan de monding der stroomen, dus: van Buphraat en Tigris.
Wij deelden dit Babylonisch verhaal beknopt mede, opdat duidelijk zal zijn, dat het Bijbelsch verhaal een geheel ander karakter draagt en uit deze gegevens, door Babyloniërs versierd met mythologische heelden, niet kan worden afgeleid. Ook uit het zondvloed-verhaal der Schrift blijkt, hoe Gods Woord een geheel andere beschouwing geeft dan de heidenen voortgebracht hebben, ook al treedt duidelijk aan den dag, dat de historische achtergrond bij beide dezelfde is geweest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's