De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

9 minuten leestijd

Lukas 18 vers 35—43. En het geschiedde als Hij nabij Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende. En deze hoorende de schare voorbijgaan, vraagde wat dat ware ! En zij boodschapten hem dat Jezus de Nazarener voorbijging. En hij riep, zeggende : Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner ! En die voorbij gingen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou, maar hij riep zooveel te meer: Zone Davids, ontferm U mijner! En Jezus stilstaande, beval dat men denzelven tot Hem brengen zou; en als hij nabij Hem gekomen was, vraagde Hij hem, zeggende : Wat wilt gij dat Ik u doen zal ? En hij zeide : Heere, dat ik ziende mag worden ! En Jezus zeide tot hem : Word ziende, uw geloof heeft u behouden ! En terstond werd Hij ziende en volgde Hem, God verheerlijkende. En al het volk dat ziende, gaf Gode lof.

Lichamelijk blind te zijn, moet wel een der ongelukkigste toestanden zijn, waarin men kan komen te verkeeren. Men ziet dan volstrekt niets van hetgeen zich om ons heen bevindt. Het blijft voor ons steeds een nachtelijk d ulster, ook al staat men te midden van de helderst schitterende lichten.
Vreeselijk denkbeeld voorwaar, nimmer het lieflijke licht der zon of van den dag te kunnen aan­ 2 schouwen, maar altoos door een dikke donkerheid omgeven te zijn !Doch is het reeds allertreurlgst voor ons kortstondige leven lichamelijk blind te zijn, nog oneindig veel treuriger is het geestelijk blind te wezen. Indien men van deze blindheid niet genezen wordt, zoo is zij niet alleen een tijdelijk ongeluk, maar baart zij ons eene eeuwige smart, zoodat men daaraan nooit een einde kan verwachten.
Welk een onuitsprekelijke liefde Gods moet het nu dan ook niet door ons worden geacht, nu wij allen van onze ontvangenis af door de zonde blind naar den geest zijn, dat de Heere Jezus heeft believen te komen om van de zoodanigen de Geneesmeester te worden !
Onder het Oude Verbond heeft Hij zich reeds als zoodanig laten profeteeren, onder meer door den mond van den grooten profeet Jesaja, als deze God den Vader sprekende invoerde, zeggende : „Ik, de Heere, heb u geroepen in gerechtigheid en Ik zal u tot een licht der heidenen geven om te openen de blinde oogen, om de gebondenen uit te voeren uit de gevangenis en uit het gevangenhuis die in duisternis zitten". Zoo was het in de dagen van 's Heeren omwandeling op aarde dat bij den Heere Jezus in boven vermelde tekstwoorden zien voorgesteld als zijnde op weg van het Noordelijker gelegen Galilea naar de meer zuidelijk gelegen stad Jeruzalem. Om deze nu te bereiken, nam de Heere Zijn weg over Jericho.
En ziet als Hij een der ingangen van de stad naderbij kwam, ontmoette Hij een blinde, die aan den weg zat om aalmoezen in te zamelen.
Naar de beschrijving die de Evangelist Marcus er van geeft, heette deze persoon Bartimeüs. Het geschiedde nu, gelijk ons tekstverhaal meldt, dat de Heere Jezus door Jericho zou gaan. En toen Hij Zich nog op eenigen afstand van dezen blinde bevond, bemerkte deze aan het groote gedruisch dat de menigte, die den Heere Jezus voorafging en volgde veroorzaakte dat er iets bijzonders stond te gebeuren.
Dadelijk vroeg hij dan ook aan degenen, die zich in zijne nabijheid bevonden, wat dat toch beteekende, stellig in de hoop verkeerende vele aalmoezen te zullen ontvangen.
Sommigen der aanwezigen, zijne vraag hoorende, toonden zich aanstonds bereid hem inlichtingen te verschaffen en zeiden dies, dat Jezus de Nazarener voorbij, kwam de Profeet uit het verachtelijke Galileesch stadje, van Wien men het geheels land door zoveel had gehoord. Ook Bartimeüs had van den Heere Jezus gehoord, doch niet alleen gehoord, haar ook had hij geloofd hetgeen men hem van dien grooten Wonderdoener Israels had verteld.
Hierom riep hij zoo aanstonds na het hooren van eene zoo heerlijke tijding : „Jezus, Gij Zone Davids, ontferm U mijner !"
Voorzeker moet Bartimeüs reeds meer dan een geloof aan den Heere Jezus zijn deelachtig geweest, namelijk ook nog een geloof in Hem, als zijnde de Heere Jezus meer dan een gewoon menschenkind, te weten ook nog God Zelf, boven allen te prijzen in der eeuwigheid.
Duidelijk bewijst ons dit zijn van eigene onwaardigheid getuigende bede : Ontferm U mijner !, alsook nog dat hij volhardde in zijn gebed, toen velen uit de menigte hem het zwijgen wilden opleggen. Had Bartimeüs in den Heere Jezus niet meer dan een gewoon menschenkind gezien, hij zou gewis niets anders begeerd hebben dan een milde gift, of zoo hij al genezing van zijne blindheid had begeerd, hij zou niet, gelijk wij nu aan het einde van ons tekstverhaal lezen, den Heere Jezus gevolgd zijn en God verheerlijkt en grootgemaakt hebben.
„Integendeel, hij zou dan aan .die negen van die tien melaatschen, die allen door den Heere Jezus waren genezen geworden, zijn gelijk geweest en den Heere daarvoor niet den dank hebben toegebracht, welke Hem; daarvoor toekwam, gelijk bij die genezing der tien melaatschen alleen die ééne Samaritaan deed, door schuldbesef getroffen en verslagen.
Wij kunnen het dan ook wel eenigermate levendig voorstellen, hoezeer hij te voren verlangend moet zijn geweest den Heere Jezus eens te mogen ontmoeten op zijn weg, waarlangs hij dagelijks neerzat om te bedelen.
En ziet, daar gewerd hem waarlijk ongedacht die heugelijke ontmoeting. Doch wat nu deze Bartimeüs zich nimmer zal hebben kunnen voorstellen, ook dit geschiedde, dat men hem het zwijgen weldra trachtte op te leggen. Bartimeüs evenwel besefte het volkomen, dat niemand hem wijs kon maken tot morgen of tot een andere gelegenheid te wachten. Hierom stoorde hij zich nu ook aan hoegenaamd niets van al wat anderen tot hem zeiden. Hoe meer zij hem verboden, hoe luider zijn bede oor het luchtruim klonk : „Gij Zone Davids, ontferm U mijner !”
Des Geestes genade had hem het Godsbevel eeren verstaan : „Roep Mij aan in den dag der benauwdheid !" en hem tevens ook leeren gelooen die kostelijke daaraan toegevoegde belofte: „en Ik zal er u uithelpen en gij zult Mij eeren !”
En wat deed nu de Heere Jezus, de groote Ontfermer Israels ?
Hij stond tot ieders verbazing stil op Zijnen tocht en beval dat men den blinde tot Hem zou brengen.
Nu was niemand meer tegen den geroepene ! Nauwelijks had deze de liefdevolle roepstem des Heeren vernomen of hij wierp den mantel van zich af en ijlde den Heere tegemoet. En bij den Heere gekomen zijnde, bleef hij voor Hem staan zonder één woord te spreken, 't Was dus of hij als bij intuïtie gevoelde dat hij stond tegenover een Koning, hetwelk inderdaad ook zoo was.
De Heere Jezus antwoordde hem niet aanstonds met een daad, maar met een wedervraag, welke luidde : „Wat wilt gij, dat Ik u doen zal ? "
De Heere wist wel wat Hij hem doen moest, doch om der schare wil deed Hij hem deze vraag. „Rabbouni, dat ik ziende mag worden. Klonk zijn antwoord op eene gansch ootmoedige wijze den Heere tegen. „En de Heere Jezus" — lezen wij — „innerlijk bewogen zijnde, raakte zijn oogen aan en zeide tot hem : „Word ziende, en ga heen ! Uw geloof heeft u behouden !”
Geen wonder was het toen, dat deze in dubbelen zin ziende geworden Bartimeüs den Heere ging grootmaken ! Met zalig genot baadden nu zijn oogen in het liefelijke licht van de zon uit het rijk der natuur, doch bovenal in het licht van de Zonne der Gerechtigheid, welke nu ook over hem was opgegaan. Op gevaar af van ongehoorzaam te worden aan des Meesters „ga heen !", kon hij thans van zijn Redder niet scheiden. Neen, hij deed niet als die negen gereinigde melaatschen, die in eigenbatige vreugde huiswaarts keerden, maar als die eene Samaritaan, die wederkeerde om den Heere Jezus dankende de verschuldigde eer der aanbidding en dankzegging te bewijzen.
Zoo ging hij dus niet van den Heere Jezus weg, maar volgde hij Hem, God verheerlijkende. De vraag blijft voor ons allen overig, of ook wij onszelven reeds hebben leeren kennen zoo ongelukkig als die roepende blinde, en den Heere Jezus Christus als, zulk een ontfermenden Heiland en of wij dies reeds Godverheerlijkende zienden zijn geworden.
Van nature zijn wij menschen niet anders Op geestelijk gebied, hetgeen Bartimeüs' op lichamelijk gebied was, namelijk blind.
En dat dit zoo is, is enkel een gevolg van de zonde, 't Moderne heidendom redeneert dit alles wel weg, doch wat het al moge bazelen over het Kerstfeest, het Paaschfeest en over het Pinksterfeest, Gods Woord leert het ons, menschen, geheel anders en dit moet blijven het geheel eenige richtsnoer in ons leven.
Wilt u dan ook niet door de schoonklinkende phrasen van vele nieuwlichters laten meevoeren, maar houden wij enkel in gedachten, dat 's Heeren Geestesgave op het Pinksterfeest weleer in een ruimte mate is uitgestort geworden en dat deze gave nog heden is te verkrijgen om niet, enkel en alleen ter wille van Christus' kruis-en zoenverdiensten.
Op het gebed doet de Heere groote wonderen. Ook de blinde Bartimeüs hield aan in het gebed en niet tevergeefs.
Gelukkig wie in deze benarde tijdsomstandigheden er iets van heeft leeren kennen met Bartimeüs in den gebede te worstelen voor 's Heeren troon ! Vele kunnen de bestrijdingen vaak zijn ! Nu eens wordt het der begenadigde ziel ingefluisterd, dat men nog te jong is om de schoone, verleidelijke wereld geheel vaarwel te zeggen. Dan weer, dat men een te groot zondaar of zondares is om bekeerd te kunnen worden. Dan weer, dat men zoo en zoo nauwgezet en heilig moet leven, zou er aan onze ziel genade bewezen kunnen zijn. Dan weer, dat men te oud Is om nog bekeerd te worden, en dan weer dat men al zoo lang gebeden heeft en er nog geen uitkomst is gekomen en het dies maar beter is met bidden op te houden.
En zoo komen er zoovele meer, te veel om op te noemen bestrijdingen
Op allerlei wijzen legt de vorst der duisternis der ziel zijne lagen, teneinde, zoo het mogelijk ware, de ziel tot wanhoop te doen komen.
Al deze bestrijdingen drijven de werkelijk 'begenadigde zielen tot den Heere Jezus uit, evenals zij dit Bartimeüs deden. Steeds te luider doen deze de zielen om ontferming roepen, zoodat ook de uitredding des te naderbij komt.
Gansch hulpeloos tot den Heere gevloden — dit ondervindt iedere gekende des Heeren — zal de Heere ten Redder zijn.
Waar alles in onze dagen zoo wankel is, dat wij ons daar toch veel aan den Heere Jezus mogen vastklemmen. Het geloof doet ons behouden zijn, dit wil zeggen, de inhoud onzes geloofs, de Heere Jezus Christus alleen.
De staat der bevestiging is een heerlijke staat,
niemand kan dit ontkennen. Zijn wij dan niet bevredigd vooraleer wij het met hart en mond den Psalmist van weleer kunnen najubelen :
't Is de Heer, Wiens mededoogen Blinden schenkt het lieflijk licht. Wie in 't stof lag neergebogen Wordt door Hem weer opgericht. God, (Die lust in waarheid heeft. Mint hem, die rechtvaardig leeft.

Schalkwijk, D. van Luttervelt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's