De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

10 minuten leestijd

Thans zijn wij gekomen aan de bespreking van een der moeilijkste punten uit het stuk der rechtvaardigmaking, n.l. de verhouding van rechtvaardigmaking en geloof of misschien beter de verhouding van geloof en rechtvaardigmaking.
In den beginne hebben wij er den nadruk op gelegd, dat de rechtvaardiging van den zondaar een daad van Gods vrijmachtige genade is. Wij kunnen niet voor den rechterstoel Gods verschijnen met het onze en zeggen: rechtvaardig mij thans, o God en zeg, dat ik genoegzaam voor Uw aangezicht heb neergelegd en geef mij den ingang in het eeuwige leven. Voor Gods rechter­ stoel kunnen wij op grond van hetgeen aan onze zijde wordt gevonden nooit anders dan een vernietigend vonnis verwachten. Het oordeel waarmede God ons oordeelt, is zoo klaar, dat, als God in plaats van te veroordeelen ons rechtvaardigt, dit een onbegrijpelijk wonder is, dat alleen ontsprongen kan zijn aan de ondoorgrondelijke diepte van Zijn goddelijke ontferming.
Zoo wordt ons dan ook in de Schrift de rechtvaardiging geleerd. Gerechtvaardigd worden wij om niet, uit genade, door de verlossing, die in Jezus Christus is.
Hier ligt ook de kracht van de ontkenning niet uit de werken, want als het uit de werken was, was het niet uit genade. Als wij uit de werken gerechtvaardigd worden, zoo hebben wij roem, want dan is God onze schuldenaar. Maar zoo is het niet bij God, want wat zegt de Schrift ? En Abraham geloofde God en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend.
Nu valt het echter onmiddellijk op, dat de apostel niet telkens spreekt over de tegenstelling werken genade, maar dat hij deze tegenstelling gedurig tot uitdrukking brengt met te zeggen niet uit de werken maar uit het geloof.
Er behoeft geen twijfel aan te bestaan — en Gods Kerk heeft de eeuwen door hier ook nooit getwijfeld — of de woorden gerechtvaardigd niet uit de werken maar uit het geloof duiden op een tegenstelling, die zoo diep is, dat van een verbinding en samensmelting van deze beide nooit sprake kan zijn. De tegenstelling werken — geloof is waarlijk dezelfde als de tegenstelling werken — genade. Uit het geloof gerechtvaardigd worden kan dus nimmer beteekenen, dat het geloof in de rechtvaardigmaking in aanmerking kan komen als een werk, om der wille waarvan wij als rechtvaardigen van God worden aangemerkt. Want daarmede zou de tegenstelling, op welke Paulus zoo grooten nadruk legt, worden opgeheven en zou de rechtvaardiging toch uit de werken zijn, al 'was het dan, dat slechts een bepaald werk daarvoor in aanmerking kwam.
Van den aanvang af heeft dit de reformatoren duidelijk voor oogen gestaan bij hun strijd voor de rechtvaardigmaking uit het geloof alleen. In alle belijdenisgeschriften vindt men dit uitgedrukt. In de Ned. Geloofsbelijdenis lezen we in art. 22 : Daarom zeggen wij terecht met Paulus, dat wij door het geloof alleen of door het geloof zonder de werken gerechtvaardigd worden. Doch wij verstaan niet, dat het, om eigenlijk te spreken, het geloof zelf is, dat ons reohtvaardigt, want het is maar een instrument, waarmede wij Christus, onze rechtvaardigheid, omhelzen. Maar Jezus Christus, ons toerekenende al Zijn verdiensten en zoo vele heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan, is onze rechtvaardigheid en het geloof is een instrument, dat ons met Hem in de gemeenschap aller Zijner goederen houdt, dewelke, de onze geworden zijnde, ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking van onze zonden.
Niet minder duidelijk spreekt de Heid. Catechismus van deze zelfde waarheid als op de 61e vraag : Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt ? geantwoord wordt : Niet, dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaam ben, maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus mijn gerechtigheid voor God is en dat ik die niet anders dan alleen door het geloof aannemen en mij toeëigenen kan.
Tegenover de eigengerechtigheid, op welke de mensch van nature rust en op welke hij zich menigmaal verhoovaardigt — denk maar aan den farizeër, die er zich op beroemt zooveel beter te zijn dan de anderen — staat dus de gerechtigheid van Christus, onzen grooten Borg en Middelaar, die, ons van God uit genade geschonken, alleen onze gerechtigheid voor God kan zijn. Wanneer nochtans in de bekende tegenstelling tegenover de gerechtigheid uit de werken niet de gerechtigheid van Christus geplaatst wordt, maar de gerechtigheid, die uit het geloof is, maakt dat volgens de reformatoren geen verschil, omdat met dit geloof bedoeld wordt het geloof, dat het oordeel Gods over den mensch aanvaardt en geen andere gerechtigheid kent dan de gerechtigheid van den Borg. Wijl deze echter alleen door een waar geloof ons personeel eigendom wordt en wij dus alleen door het geloof in de gerechtigheid van den Borg kunnen roemen, daarom spreekt de apostel van een gerechtvaardigd worden uit het geloof.
Het inzicht in deze waarheid is bij de reformatoren zoó klaar en duidelijk geweest, dat de spoedig na de reformatie opkomende dwalingen van het remonstrantisme onmiddellijk onderkend werden. Zij waren in principe in de belijdenisgeschriften reeds genoemd en weerlegd, zooals uit de zooeven gegeven aanhalingen blijken kan. Dat het geloof noodzakelijk is ter zaligheid, hebben de reformatoren nooit ontkend ; evenmin, dat zonder geloof er geen rechtvaardigmaking is, wijl zonder geloof geen eigendom aan de gerechtigheid van Christus mogelijk is, maar ten stelligste hebben zij zich gekeerd tegen de gedachte, dat het geloof zelf onze gerechtigheid voor God zou zijn, om welke wij van God rechtvaardig gesproken worden.
Om het onderscheid tusschen de plaats, die de gerechtigheid van Christus en het geloof in de rechtvaardigmaking innemen. Maar tot uitdrukking te brengen, hebben zij de eerste, die materieele oorzaak, en het geloof de instrumenteele oorzaak genoemd. Deze benaming is zeer duidelijk en kan bij de bespreking van dit stuk onmiddellijk zeer verhelderend werken.
De geschiedenis heeft echter spoedig doen zien, dat dit vraagstuk nog andere kanten heeft dan in deze benaming worden aangesneden. In de uitdrukking instrumenteele oorzaak, wordt de plaats van het geloof in die rechtvaardigmaking feitelijk slechts van de negatieve zijde benaderd. Het geloof wordt met deze uitdrukking als werk voor goed op zij geschoven. Het is niet zoo, dat de gerechtigheid van Christus en het geloof naast elkander komen te staan en samen de gerechtigheid uitmaken, die voor God geldt. Het geloof is nimmer een materieele oorzaak; het doet aan de beteekenis van Christus' gerechtigheid niet iets af, maar brengt die juist tot volle geldigheid. Maar als het niet dit en niet dat is, wat is het dan wel ? Waarom kent de Schrift zulk een overwegende plaats toe aan het geloof en zegt immer weer opnieuw, dat wij uit het geloof gerechtvaardigd worden ? Waarom is het geloof de instrumenteele oorzaak en op welke wijze is het dat ?
Hoe meer de strijd naar buiten luwde, d.i. de strijd ter verdediging van de waarheid, en hoe meer thans de innerlijke opbouw der Kerk onder de oogen moest worden gezien, des te meer kwam men hier voor vragen te staan, voor welke naar een oplossing moest worden gezocht. De herderlijke zorg, het leiding geven aan zielen, die vroegen naar den weg des levens, bracht ook ten opzichte van de rechtvaardigmaking in aanraking met moeilij'khed3n en vragen, die met een enkele verwijzing naar de belijdenisschriften niet zoo maar op te lossen waren.
Langzamerhand blijkt ook hier de eensgezindheid zoek. Een groote verwarring ontstaat, totdat in de 18de eeuw Holtius en Comrie meenen te moeten waarschuwen tegen de wijze, waarop men de vragen tracht op te lossen. Zij zijn van oordeel, dat men opnieuw in het remonstrantisme is verzeild en roepen dus tot wederkeer op. Met dit laatste kunnen zij echter niet volstaan. Men kan de klok der geschiedenis niet terug draaien op de wijze, waarop wij bij het ingaan van de zomertijd onze klokken terugzetten. De vragen, die in den loop der tijden zijn opgekomen, kan men niet negeeren. Dat hebben deze mannen ook goed beseft. Daarom hebben zij gepoogd een nieuwe constructie te geven van het stuk der rechtvaardigmaking, waardoor aan deze vragen recht werd gedaan. Zij hebben zich daarvoor wel aangesloten aan de belijdenisgeschriften, maar hebben getracht op dit fundament tot een nieuwen opbouw te komen. Deze nieuwe constructie is het meest bekend onder den naam van rechtvaardigmaking van eeuwigheid.
De naam rechtvaardigmaking van eeuwigheid brengt wel een van de voornaamste deelen naar voren, waaruit de nieuwe constructie van dit leerstuk bestaat. Toch is er een ander punt, dat m.i. van grooter beteekenis is en dat tevens het wankele van dezen nieuwbouw aan den dag brengt. De bespreking daarvan stellen wij echter nog even uit, omdat het er ons hier slechts om te doen was te laten zien, hoe de behoefte om op nieuwe vragen een antwoord te geven, Comrie gedreven heeft een nieuwe uiteenzetting van het leerstuk van de rechtvaardigmaking te geven.
Comrie's voorstelling van dit leerstuk heeft veel tegenspraak en weinig ingang gevonden. Ofschoon hij de fout zijner dagen klaar heeft gezien, is het hem niet gelukt de vragen, over welke het ging, op een aannemelijke wijze te beantwoorden. Thans behoeft dat niet te verwonderen, omdat ook Comrie — ik laat Holtius nu maar rusten, omdat zijn werken niet voor een ieder toegankelijk zijn en niet algemeen gelezen worden — een kind van zijn tijd was en zijn scholastische vorming hem verhinderde de juiste richting in te slaan. Hier ligt ook de verklaring van het groote onderscheid tusschen Calvijn en Comrie, dat een ieder treft, die beider werken naast elkander leest. Calvijn en al de hervormers hebben zich ontworsteld aan de greep der scholastiek, onder welke de Roomsche leer gevangen lag en nog gevangen ligt. Zij leven weer dicht bij de Schrift en Schriftuurlijk zijn zij in al hun uiteenzettingen, maar spoedig na de reformatie komt de theologie opnieuw onder den invloed der Aristotelische wijsbegeerte en al is Comrie niet alleen een kenner der reformatorische geschriften, maar ook een man, die het geestelijk leven bij uitnemendheid kent, zoodra hij de vragen wetenschappelijk uiteen gaat zetten, kan hij zich van de methode zijner dagen niet bevrijden.
Wanneer ik nu in den aanvang de behandeling van dit leerstuk op dit punt het moeilijkst noemde, dan is dat, wijl het vraagstuk, dat Comrie aansneed, tot nu nimmer tot een oplossing gebracht is. Dr. Kuyper heeft de groote beteekenis van de vragen, die hier liggen, gezien en daarom bewust zich by Comrie aangesloten, maar hij sloot zich juist aan bij het punt, dat het meest voor bestrijding vatbaar is en daarom kan de oplossing, die hij gaf, door ons niet aanvaard worden. Wij zijn er ons van bewust, dat wij hier een ongebaand spoor betreden en daarom zal ik mijn gedachten hierover niet voor de absolute waarheid uitgeven. Voor samenspreklng en onderlinge voorlichting behoort plaats over te blijven en wie ware wijsheid vinden zal, moet voor onderwijs immer open staan. Daarom zal ik er mij over verblijden, als deze bespreking tot een verdere gedachtenwisseling leiden mag.
Het niet opgelost zijn van de vragen, die in dit stuk rijzen, mogen wij nimmer vergeten. Daaruit toch moeten voorstellingen als van ds. v. Schuppen en anderen verklaard worden. Wij mogen niet volstaan met zonder meer hun gedachten af te wijzen. Naar den juisten weg moet gezocht worden en getracht moet worden dezen weg nader uit te stippelen. Ook moet recht worden gedaan aan het element van waarheid, dat in de bovengenoemde beschouwingen tot eenzijdige ontwikkeling is gebracht.
Laat ons bovenal niet vergeten, dat de droeve toestand der Kerk in onze dagen mede oorzaak is der verwarring. Wijl de Kerk in banden geslagen is en zich niet kan uitspreken, heerschen de theologen als harde heerschappers over haar en vechten hun onderlinge geschilpunten op haar rug uit.

O. a/d IJ.

Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's