De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

9 minuten leestijd

GEBED VóóR DE PREDIKATIE.
In onze Gereformeerde Liturgie hebben onze Vaderen tal van gebeden opgenomen; en wel:1. Gebed des Zondags vóór de Predicatie ; 2. Een Gebed voor allen nood der Christenheid, des Zondags na de Predicatie; 3. Een korter formulier des gebeds vóór de Predicatie ; 4. Een kort formulier des gebeds na de Predicatie ; 5. Een gebed vóór de leer van den Catechismus ; 6. Een gebed na de leer van den Catechismus.
Ook staan er dan gebeden voor het huisgezin : vóór het eten en na het eten ; het Morgengebed en het Avondgebed.
Twee gebeden voor den Kerkeraad : Gebed vóór de handeling der kerkelijke bijeenkomsten en Een gebed vóór de vergadering der Diakenen.
Ook komt er in voor: Gebed voor kranke en aangevochtene menschen. Om ten opzichte van het gebedsleven — en ook wat de beschouwing aangaande de gemeente en de godsdienstoefeningen — beter te weten wat onze Gereformeerde Vaderen dachten en hebben uitgesproken, is het wel goed deze gebeden ons voor oogen te stellen. Temeer, waar helaas! de meeste menschen — misschien ook de meeste dominees — niet eens weten hoe die gebeden luiden.
Wij willen nu hier laten afdrukken :
I.

Gebed des Zondags vóór de Predicatie.
Het luidt aldus :
»0, eeuwige God en allergeaardigste Vader, wij verootmoedigen ons uit den grond des harten voor Uwe hooge majesteit, tegen welke wij zoo menigmaal en zoo gruwelijk gezondigd hebben, en bekennen dat (zoo Gij met ons in het gericht wilt gaan) wij niet anders dan den eeuwigen dood, verdiend hebben. Want behalve, dat wij allen door de erfzonde voor U onrein en kinderen des toorns zijn, ontvangen uit zondig zaad en in ongerechtigheid geboren, waardoor allerlei booze lusten, tegen U en onzen naaste strijdende, in ons wonen — zoo hebben wij nog bovendien met de daad Uwe geboden menigmaal en zonder ophouden overtreden, nalatende wat Bij ons geboden had, en doende wat ons klaarlijk verboden was. — Wij hebben allen als schapen gedwaald, en hebben grootelijks tegen U gezondigd, hetwelk wij bekennen, en het is ons van harte leed. Ja, wij belijden, tot onze vernedering en tot prijs van Uwe ontferming te onswaarts, dat onze zonden het getal van de haren onzes hoofds te boven gaan, en dat wij tien duizend talenten schuldig zijn, waartegenover wij niets hebben om te betalen, waarom wij ook niet waardig zijn Uwe kinderen genaamd te worden, noch onze oogen op te slaan ten hemel, om onze gebeden voor U uit te spreken.
Nochtans, o Heere God en barmhartige Vader, wetende dat Gij den dood des zondaars niet begeert, maar dat hij zich bekeere en leve, en dat Uwe barmhartigheid oneindig is, die Gij bewijst aan degenen, die zich tot U bekeeren ; wij roepen U van harte aan, in het vertrouwen op onzen Middelaar Jezus Christus, die het Lam Gods is, dat de zonde der wereld wegneemt, en bidden U, dat Gij wilt medelijden hebben met onze zwakheid, ons om Christus' wille alle onze zonden vergevende.
Wasch ons in de zuivere fontein Zijn bloedis, opdat wij rein en sneeuwwit worden. Dek onze naaktheid met Zijne onschuld en gerechtigheid, om de eere Uws naams. Reinig ons verstand van alle blindheid en onze harten van allen moedwil en hardnekkigheid.
Open thans den mond Uws dienaars en vervul dien met Uwe wijsheid en kennis, opdat hij Uw woord zuiver en vrijmoedig verkondige. Bereid ook ons aller harten, opdat wij dezelve hooren, verstaan en bewaren mogen. Schrijf Uw wetten (naar Uwe belofte) in de tafelen onzer harten, en geef ons lust en kracht daarbij te wandelen, tot prijs en eere Uws Naams en tot stichting Uwer gemeente. Dit alles, o genadige Vader, bidden en begeeren wij in den Naam van Jezus Christus. Amen«.
[Het slot is officieel: Dit alles, o genadige Vader, bidden en begeeren wij in den Naam van Jezus Christus, die ons alzoo heeft leeren bidden: Onze Vader, die in de hemelen zijt, enz. Naar onze meening echter moet het Onze Vader niet als slotstuk en aanhangsel gebruikt worden na een ander gebed. Men moet óf het Onze Vader alleen bidden, óf men moet een ander gebed bidden — 't zij formuliergebed of vrij gebed — maar dan niet achteraan laten komen het Onze Vader. Onlangs schreven we daarover een artikeltje, waarbij wij, met anderen, de veronderstelling uitspraken, dat het telkens noemen in de formuliergebeden van het Onze Vader misschien wel verband houdt met 't geen men van ouds gewoon was in de Roomsche Kerk om altijd het „Onze Vader" (het „Pater noster") te bidden].

De nieuwe Professor met een heidensch-Christendom.
Een geruchtmakende benoeming was dat, toen eenigen tijd geleden prof. dr. G. A. van den Berg-h van Eysinga, met de stemmen van Socialisten en Communisten, door den Amsterdamschen Gemeenteraad werd aangewezen om op te treden als buitengewoon hoogleeraar in de algemeene godsdienstgeschiedenis en de geschiedenis van den Israëlietischen godsdienst aan de Gemeente-Universiteit in de hoofdstad, 't Ging min of meer tusschen prof. Obblnk van Utrecht en prof. Van den Berg van Eysinga en om de wille van de radicale beginselen van de laatste, is prof. Obbink gevallen en hij gekozen. Daar heeft de Gemeenteraad (! !) voor gezorgd. En de op zoodanige wijze benoemde hoogleeraar heeft nu gezorgd voor een geruchtmakende inaugureele rede.
Het lust ons niet hier het verslag, dat we lazen, geheel over te nemen. Maar we willen deze zaak toch niet onopgemerkt laten passeeren.
Hoewel de stellingen van prof. Van den Bergh van Eysinga al dikwijls zijn weersproken en zijn beweringen jaren geleden (want wat nu beweerd wordt is niets nieuws bij genoemden hoogleeraar) al telkens zijn weerlegd als onwetenschappelijk en onjuist, zijn ze nu, maar weer plechtig voorgedragen (daar is het ook juist om te doen) en ze zijn zóó radicaal, zóó hyper-modern, dat het de spuigaten uitloopt.
't Gaat over de verhouding en samenhang van het oudste Christendom en andere godsdiensten. Wat is het Christendom eigenlijk en wie is Christus' geweest ? Wat is de oude godsdienst der Joden geweest ?
En de antwoorden op die belangrijke vragen zijn zóó radicaal en zóó vernietigend, dat er van de eigenlijke religie van Israël, ook van het oudste Chrlstendom, ja, van Christus Zelf niets, m.aar dan ook niets overblijft! Alles, alles wordt wèggeredeneerd. En de onder ons vaststaande overtuiging wordt radicaal als dwaas en verwerpelijk voorgesteld, met de bewering, dat Israels godsdienst heelemaal niet op een afzonderlijke plaats moet worden gezet tusschen en naast de andere godsdiensten. Israels godsdienst en de andere godsdiensten zijn van gelijke rechten en de godsdienstgeschiedenis moet ze op gelijken voet stellen en behandelen ; de eene godsdienst is net zoo goed een godsdienst als de andere godsdiensten en Israël heeft niets bijzonders vóór boven de andere religies. En het Christendom houdt op het nauwst verband met de heidensche religies.
»Wij voor ons — aldus prof. Van den Bergh van Eysinga — »hebben Oud-en N. Testament beide historisch-kritisch te verstaan en in beiden waarachtige religie te herkennen, die daar gekleed is in de vergankelijke vormen van bepaalde tijden. Dibelius en Buitmann staan aan sprekers zijde wanneer hij het Christendom iets beters noemt dan een kennen van Chrlstus-naar-het-vleesch.
Den beoefenaar der vergelijkende godsdienstgeschiedenis past groote voorzichtigheid. Dikwijls was men te voorbarig met het aannemen van vreemde invloeden. Toch zijn wij sedert Albrecht Ritschl heel wat verder gekomen in erkenning daarvan. Grinkel, Bousset, Reitzenstein e.a. hebben in dit opzicht belangrijk werk verricht.
Aan eenige voorbeelden maakt spreker het Synkretisme van de eeuwen omtrent het begin onzer jaartelling duidelijk aan het grafschrift van Aberkios, aan verschillende catacombenvoorstellingen, aan Philo. Het Paulinisme vertoont duidelijk de sporen der Gnosis. De voorstellingswereld van de Mandaeërs werpt licht over ons N. Testament, al kan' spreker niet medegaan met het gevoelen, dat het Mandaeïsme in Palestina zou zijn ontstaan en iets met de Johannesleerlingen zou hebben uit te staan.
Naar aanleiding van Hans Jonas' jongste werk komt spreker op het thema van de katholiseering van het oudste Christendom, waar toe de aanvaarding van het Oude Testament zoo goede diensten kon bewijzen. Tegenover het tijdelooze, ahistorische karakter van de Gnosis heeft de kerk niet zonder reden traditie en geschiedenis gesteld*.
»Onder de bijdragen van de Romeinsche wereld tot de uitbeelding van het Evangelieverhaal, noemt spreker de Herculesfiguur. De parallel strekt zich zelfs tot de moeders der belde heroën uit. Zonder eenigen historischen achtergrond heeft 't beeld van den lijdenden, ter helle varenden en ten hemel verhoogden Godszoon der evangeliën in de jongste Stoa werkelijkheid gehad. De aardsche, onder haar leed gebukte Moeder, de hemelsche Vader en de uit een aardsche Moeder geboren goddelijken Zoon, die door lijden den hemel verwerft, blijken een voorchristelijke combinatie te zijn«.
Dat komt dus ongeveer hierop neer, dat het Christendom en de Christusfiguur ontleend zijn aan het heidendom. Hercules en Christus zijn zoo wat dezelfde figuren en dus. is er eigenlijk niets eigens en niets oorspronkelijks in het Christendom en in de geschiedenis van den Christus.
De Hercules-legende en de Christus-legende zijn twee evenwijdig loopende dingen.
De nieuwe professor heeft met zijn (oude) radicale stellingen wel gevoeld, dat hij crltlek zal uitlokken. Daarom lezen we aan het slot van het verslag :
»In de daarop volgende gebruikelijke toespraken zeide spreker, zich richtende tot de bestuurderen van de stad, dat hun keuze voor de bezetting van dezen leerstoel van zekere zijde in strijd genoemd is met de gematigdrechtsche traditie der Amsterdamsche school. Om dit te ontzenuwen, wijst hij op de groote radicalen : Allard Pierson, A. D. Loman, S. A. Naber, J. C Naber, J. C. Matthes en den uiterst links staanden W. Brandt, terwijl ook Hackmann niet gaarne tot de gematigd rechtschen had willen gerekend worden. Volgens prof. Brugmans is het karakter van de Amsterdamsche school van den aanvang af anti-dogmatisch, ja, kettersch geweest*.
Wat hij daar zegt, is waar. De Amsterdamsche Gemeente-Universiteit is de laatste vijftig jaar bekend door de radicale beginselen die daar verkondigd zijn geworden. De hoogleeraren Loman, Brandt, Matthes en anderen hebben wij zelf nog meegemaakt, toen we jong student waren. De ziekelijk-magere Brandt en de guitige, gemoedelijke Matthes zien we nog in den katheder en achter de groene tafel met de studenten rondom ! Ook Völter en (de Doopsgezinde) Cramer.
Radicaal en hyper-modern.
Maar op deze traditie behoeft men waarlijk zoo trotsch niet te zijn.
En althans nu is het een stap achteruit. We waren er zoowat overheen. Maar dit brengt ons weer midden in de narigheid. Want Christendom is dit niet meer.
Jammer — Ook al is het dan „maar" een Gemeente-Universitelt, die met de Hervormde Kerk niets heeft uit te staan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's