De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE RECHTVAARDIGMAKING

10 minuten leestijd

Hoe groot de verwarring in de achttiende eeuw was geworden, willen wij thans eerst met enkele voorbeelden aantoonen. Tot onbekende grootheden wenden wij ons daarbij niet, maar we nemen de voornaamste schrijvers uit die dagen, wier werken onder ons nog niet vergeten zijn, maar door velen nog gelezen worden. Het voordeel daar van is tevens, dat meerdere van onze lezers de aangehaalde plaatsen kunnen naslaan.
Onze bedoeling daarmede is natuurlijk eenerzijds u duidelijk te maken, hoe verklaarbaar de ongerustheid van een man als Comrie Is geweest, die, niettegenstaande de betuiging van de zijde dier schrijvers, dat het geloof zelf nooit de verdienende oorzaak van onze rechtvaardiging kan zijn, toch in hun formules gedurig de Remonstrantsche dwaling den kop zag verheffen en daarom vreesde, dat men hoe langer hoe meer in het stuk der rechtvaardiging den grondslag van vrije genade ging verlaten. En dat zijn vrees gegrond is geweest, doet de geschiedenis ons duidelijk zien, want als vrucht van de verkeerde richting, die men ingeslagen is, kan men in onze dagen nog velen ontmoeten, zoowel in kerkelijke als onkerkelijke kringen, bij wie de bevinding zulk een plaats heeft ingenomen, dat er voor vrije genade geen plaats meer overblijft. De gestalten, de kenmerken, de bevindingen hebben bij hen dezelfde plaats gekregen in de rechtvaardigmaking, die het geloof bij de Remonstranten heeft en de goede werken bij de Roomschen hebben. Zij zijn de ladder, waarmede men naar de rechtvaardigmaking opklimt en in staat is de rechtvaardigmaking te grijpen.
Aan de andere zijde is het onze bedoeling, uit de toenmalige verwarring de tegenwoordige te verklaren. Want omdat de oplossing, die Comrie gaf, de meeste vragen onopgelost liet en bovendien nieuwe verwarring bracht, is het niet te verwonderen, dat in onze dagen van kerkelijke verwarring in dit stuk de grootste oneenigheid wordt aangetroffen. Reeds in de 18de eeuw heerschte er een Babylonische spraakverwarring en dat is in onze dagen eer verergerd dan verbeterd. Het toenemen van de onkunde heeft bovendien een dwazen ijver zonder verstand doen ontstaan, waarbij ieder voor zijn eigen formuleering strijdt als voor de zaligmakende waarheid en niet alleen anderer formuleering als dwaling wordt afgewezen, maar die anderen wegens hun dwaling ter helle worden verwezen. Oprechte kinderen Gods zijn van elkander vervreemd en verdenken en verdoemen elkander, omdat zij het stuk van de reahtvaardigmaiking verschillend behandelen en bespreken. Wanneer men de geschiedenis kende — en het is onze bedoeling nu eenige kennis daarvan u bij te brengen — zou men wat milder in zijn oordeel zijn en de verwarring verstaande als vrucht van de krankheid der gansche Kerk, zou men zijn eigen gezondheid minder roemen, maar meer zich voor God vernederen en om de uitstorting des Geestes bidden. Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt!
Voor het eerste doel verwijzen wij naar de Beschouwende en Practicale godgeleerdheid van Petrus van Mastricht, een werk, dat jaren lang in hoog aanzien gestaan heft.
Op pag. 321 van het derde deel van genoemd werk (uitgave van 1749) wijst Van Mastricht het gevoelen van de Remonstranten af: „niet om ons „geloof, maar door ons geloof worden wij gerechtvaardigd. „Door het geloof als een werk-„tuig", zoo zegt hij dan terecht, „wel zeker niet „van de dadelijke rechtvaardiging, maar evenwel „van de lijdelijke, voorzoover wij niet gerechtvaardigd worden noch het gevoel hebben van „onze rechtvaardiging, van God geschied zijnde, „dan door het geloof; ten ware gij het geloof , liever wilde noemen de voorwaarde, zonder welke „God ons de gerechtigheid van Zijn Zoon, om „welke wij gerechtvaardigd worden, niet schenken wil".
Deze laatste uitdrukking kan niet door den beugel. Dat het geloof voorwaarde wordt genoemd, behoeft geen bezwaar op te leveren, 't Is slechts de vraag, hoe die voorwaarde nader wordt gekwalificeerd. En waar Van Masitricht hier niet handelt over de dadelijke rechtvaardiging, onder welke men de vrijmachtige daad Gods verstond, waardoor Hij uit genade een zondaar rechtvaardig verklaarde, maar over de lijdelijke rechtvaardiging, d.i. het aanhooren en aannemen van deze uitspraak Gods, of gelijk de schrijver het zelf definieert, het overreed en verzekerd worden, dat wij van God gerechtvaardigd zijn, kan gevoegelijk gezegd worden, dat het geloof onmisbaar Is en dus noodzakelijke voorwaarde van de rechtvaardiging. Maar als men gaat zeggen, dat het geloof de voorwaarde is, zander welke God ons de gerechtigheid van Zijn Zoon niet schenken wil, houdt deze schenking op een gave van Gods vrije genade te zijn en wordt de grond van de rechtvaardiging weer in den mensch gelegd.
Een dergelijk dubbelzinnig en verwarringwekkend spraakgebruik komen wij telkens tegen bij dezen schrijver. Zoo leest men op pag. 353 b.v.: „De meesten der Gereformeerden stellen, dat het „geloof in de rechtvaardiging invloeie voorzoover „het een werktuig is, waardoor wij de gerechtigheid van Christus, door welke wij gerechtvaardigd worden, aangrijpen of onder de betrekking „en het aanzien van werktuigelijkheid ; dit Is „waarachtig voor zooverre de rechtvaardiging zegt onze lijdelijke rechtvaardiging, in zooverre een geloovige uit zijn geloof alleen afneemt en besluit, dat hij gerechtvaardigd is.; en zoo gij ook verstaat Gods dadelijke rechtvaardiging, voor zoover het dan is een zedelijk werktuig, omdat God hetzelve voorvereischt om ons te „schenken en toe te rekenen de gerechtigheid „Zijns Zoons, opdat wij door die alleen van Hem gerechtvaardigd worden ; en dus zal het zedelijk werktuig niet anders zijn dan eene voorwaarde, zonder welke God niet wil de gerechtigheid Zijns Zoons ons toepassen. En zoo sterk gaat hij in deze omschrijving, dat hij tot de Antinominianen rekent allen, die ontkennen, dat het geloof een voorwaarde is, voorvereischt tot de dadelijike rechtvaardiging.
Het zal de lezers duidelijk zijn, dat, al verklaart Van Mastricht daarna, dat het geloof niet afhangt van de krachten van onzen vrijen wil, maar van Christus' verdiensten en dat het den uitverkorenen volgens Gods onveranderlijk besluit zeker wordt toegebracht, Comrie zich over een dergelijke wijze van uitdrukking zeer bezorgd heeft gemaakt en daarin het opduiken van de oude Remonstrantsche dwalingen heeft gezien. Waarom Comrie zich beijvert om aan te toonen, dat de rechtvaardiging aan het geloof vooraf gaat, wijl zij anders op het geloof gegrond wordt en ook al verklaart men dit geloof tot een gewrocht van den Heiligen Geest, de grondslag van vrije genade hiermede wordt verlaten.
Naast Van Mastricht willen wij nog Gravemeijer noemen, wiens Geloofsleer in de vorige eeuw door velen geroemd en gelezen Is geworden en die in dit stuk niet gelet heeft op de critiek van Comrie, maar de traditioneele weg, in de 18de eeuw door de moeste theologen gebaand, heeft gevolgd en de rechtvaardlgmaklng op het geloof laat volgen. Daardoor komt hij tot een uitspraak als deze : „God rekent dengene, die bij „zichzelf veroordeeld is en alleen in Christus zijn „heil stelt, de gerechtigheid van Christus toe". Er moet dus eerst verbrijzeling en geloof zijn, voordat God geeft. Zoo wordt feitelijk deze verbrijzellng en dit geloof de grond, waarop wij Gods genade deelachtig worden. En nu weet ik wel, dat Gravemeijer, evenals Van Mastricht, onmiddellijk tegen deze conclusie bezwaar zullen aanteekenen en het verdlensteiijk karakter van de verbrijzeling en het geloof zullen ontkennen, maar hun wijze van spreken brengt toch mede, dat aan het inwendige werk van genade in het hart in het stuk van de rechtvaardigmaking een plaats wordt toegekend, die het daar niet mag innemen, zal waarlijk die rechtvaardiging geheel en al een daad van vrije genade zijn.
Als Gravemeijer dan ook schrijft: „Wie als een „schuldige en verlorene zich aan Jeizus toebetrouwt, kan en mag zich de goddelijke vrijspraak „toeëigenen", acht hij het zelf noodzakelijk hier de verontschuldiging aan toe te voegen, dat het niet een waardigmakende voorwaarde is. Maar geheel afgezien van de vraag, of het een waardigmakende voorwaarde is, moet het afgekeurd worden, dat men op die wijze de menschen naar zich zelf verwijst om als zij eerst in zich zelf de verbrijzeling en het geloof hebben gevonden, hen daarna te verwijzen naar de vrijspraak Gods, en hen in datgene, wat zij in zich zelf vinden, de vrijmoedigheid te schenken zich de goddelijke vrijspraak toe te eigenen.
Behalve de Remonstrantsche wijze van uitdrukking, die Comrie opwekte tot nader verweer, treft echter eveneens de grenzelooze verwarring, waaraan dit leerstuk is prijsgegeven. Men verstaat onder de rechtvaardiging niet meer het zelfde als wat de reformatoren en onze beli|denisgeschriften daaronder verstaan, n, l. dat God, zonder eenige verdienste mijnerzijds, uit louter genade, mij de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus schenkt en toerekent, evenals had ik nooit zonde gehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, welke schenking dan door 't geloof wordt aangenomen. De rechtvaardigmaking is van een daad Gods verworden tot een bewustzijns-acte van den mensch. Zij wordt bij deze schrijvers verward met het bewustzijn, de zekerheid, dat men gerechtvaardigd is, wijl men eigendom heeft aan de gerechtigheid van Christus. En deze zekerheid — men vergete niet, dat de 18de eeuw de tijd van het siubjectivisme zoowel als van het rationalisme is — is niet aan het geloof eigen, maar is veel meer vrucht van een conclusie, die men op rationalistische wijze bouwt op inwendige kenmerken.
Als een staaltje daarvan leze men deze zin uit Van Mastricht: „Dus kan men alleszins en volstrekt zeggen, dat wij gerechtvaardigd worden „door het geloof als een werktuig, voor zoover in „de oefenende sluitrede, door middel waarvan wij opmaken en besluiten, dat wij onfeilbaar gerechtvaardigd zijn, het geloof zich heeft betoond als de „middelstelling op deze wijze die gelooft, is gerechtvaardigd". (pag. 333). Zelfs wordt op pag. 368 gezegd, dat alle verzekering afhangt van een nauwkeurige onderzoeking en beproeving van zichzelf, zoodat ten opzichte van de rechtvaardiging wordt gevraagd : Door wat kenteeken „zullen wij dat zeker weten ? (n.i. dat wij gerechtvaardigd zijn). , Het antwoord luidt: „Het „eerste en voornaamste kenteeken is een levendig „en werkzaam geloof, want dat alleen vereischt „God tot het opmaken van de rechtvaardiging. „Dit derhalve wel gesteld en onderzocht zijnde, „zoo is de rechtvaardiging op een vasten grond". Zoo wordt dit op het Innerlijk onderzoek de zekerheid des geloofs en de zekerheid ten opzichte van de rechtvaardiging gebouwd. Het is geen wonder, dat deze rationalistische wind een storm van twijfel verwekt heeft, waaronder het godsdienstig leven in onze gemeenten nog gebuikt gaat.
De geschiedenis leert ons dus, dat theologen van naam, die van ganscher harte de belijdenis onderschreven hebben, in de theologische uiteenzetting van de leerstukken, inzonderheid in de uiteenzetting van de rechtvaardigmaklng, allerlei Remonstrantsche en rationalistische motieven hebben ingeweven. De geest des tijds is. hun te machtig geweest. Want deze Remonstrantsche en rationalistische motieven zijn beide te danken aan het subjectivisme, aan de omkeering van de verhouding van object en subject, waardoor niet alleen op het subject de nadruk viel, maar men van het subject uit het object benaderde. Tengevolge hiervan moest bij de (behandeling van de waarde en de zekerheid des geloofs de klemtoon van het object des geloofs, het Woord Gods, waaraan het geloof enkel zijn waarde en zekerheid ontleent, verlegd worden naar het subject des geloofs, de geloovende mensch, en ging men de waarde en de zekerheid des geloofs in het geloof zelf .zoeken en in de kenmerken en vruchten des geloofs, of wil men in al datgene, wat een mensch in de bekeering doormaakt.

O. a/d IJ.

Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE RECHTVAARDIGMAKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1935

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's