GRETSKE „DE FREULE”
Een levenstragedie
Met toestemming van den Uitgever J. H. Kok, Kampen
„En hebt ge voor uzelf geen enkele begeerte Gretske ? " — vroeg dominé nog.
„Ik heb gedronken uit de fontein van levend water, en heb niets gebrek, dominé".
Al weer moest hij die vrouw bewonderen. En opnieuw klonk het daarbinnen in hem : „Als de kinderkens".
't Laat zich begrijpen, dat op weg naar huis de gedachten telkens bij dit voorval waren. „En wat wilde Gretske ? " — vroeg mevrouw, toen hij aanstonds naar de studeerkamer liep, zonder eerst, volgens gewoonte, beneden te groeten. Daarop opende hij de portefeuille en liet haar de diverse bankbiljetten zien. „Wat moet dat ? " vroeg zij verwonderd. — „Dat is het penningske van een arme." — En toen mevrouw dat zoo natuurlijk niet begreep, vertelde hij haar wat voor eene verrassing zijn deel was geweest. Was het niet beschamend voor velen ?
Denzelfden avond belde de predikant aan bij den dokter. Langzaam slofte Martha den langen gang door naar voren. Vanzelf, 't was weer avond, 't Zou wel weer een patiënt wezen die buikpijn had of een kies wou laten trekken of misschien een boodschap van buiten dat dokter nog uit moest. Men gunde haar meester toch nooit rust. Maar daar stond de dominé ! „O, heden, neemt u mij niet kwalijk, maar ik dacht dat het weer een onnoozele boodschap was zooals die gewoonlijk tegen den avond los komen", — en meteen trok zij de banden van haar boezelaar los, om deze haastig te verwijderen.
„Doe maar geen moeite Martha, maar is dokter thuis ? "
„Jawel dominé, komt u gauw verder, dokter zit in de serre. Er is toch geen onraad in de pastorie ? "
„Gelukkig niet Martha, zal ik dan maar dóór loopen ? "
„Als 't u blieft, dominé."
In de open serre zat de geneesheer. Aanstonds was het te zien, dat hier een vrijgezel huis hield. Van orde en netheid, zooals een huisvrouw die zou begeeren, was geen sprake. De tafel lag bezaaid met couranten en tijdschriften. Een gevuld aschbakje verried dat hier veel gerookt werd, evenals de verschillende pijpen, die hier lagen of hingen, daarvan voldoende blijk gaven, en waaronder er waren die geheel waren zwart gebrand. Met een grijs huisjasje makkelijk zittend in een rieten fauteuil, was hij bezig de platen eener illustratie te bekijken, en merkte schijnbaar niet eens dat de duiven al dichter bij kwamen tot zij, als iets heel gewoons, om hen heen henen of of vensterkozijn of stoelleuning plaats namen. Aan de zoldering hingen een paar bakken met boomstam omkleed, en waarin eenige planten arbeiden, maar die blijkbaar wel eens vergeten werden om op tijd te worden verzorgd. Van uit den tuin. die door een vakman elke week verzorgd werd. drongen evenwel allerlei lieflijke geuren tot hier door.
't Was de plaats waar de geleerde zoo gaarne vertoeven mocht, na afgelegde dagtaak, en waar hij dan zoo rustig kon nadenken over zyne patiënten en de beste manier van behandeling.
„Mag ik wel binnen komen ? " — vroeg de dominé, toen hij begreep dat zijne nadering niet werd opgemerkt.
Haastig sprong dokter op. „Neem mij niet kwalijk dat ik zóó nonchalant ben, " — verontschuldigde hij — „maar heusch ik had u niet hooren komen". Meteen klopte hij in haast de asch van zijn kleeren, trok de stropdas wat recht, zocht eenige orde te brengen in de hoop lektuur die in de grootst mogelijke verwarring dooreen lag, en schoof meteen een makkelijke stoel bij. „Of zullen wij naar binnen gaan ? " — vroeg hij. Maar de avond was zoó zacht, en de rust van dit plekje zóó weldadig, vooral voor heeren, dat de dominé niets liever begeerde dan hier te blijven.
„Laat ik dan eerst eens een sigaar halen; en wat zult u gebruiken ? Een glas port of sjerrie, of muskaat ? 'k Heb ook nog een heerlijk glas Rijnwijn." — , Dank u, doe geen moeite." — „Neen, maar zóó doen wij niet; ik in de pastorie altijd komen eten en drinken, en u hier niets gebruiken, excuseert u mij even."
Wég was hij, zichtbaar ingenomen met dit bezoek, om Martha te vragen vlug een paar glazen op een blaadje in de serre te brengen om zélf daarna terug te keeren met verschillende merken sigaren en een flesch. „Een heerlijk licht glas wijn zei hij, en trok de kurk af. Uwe komst is eene verrassing voor mij."
Spoedig was men in een druk gesprek over de vraagstukken van den dag en de bizonderheden uit de gemeente.
Over vele punten, betreffende het dagelijksche leven was er overeenstemming, doch zoodra het geestelijke op den voorgrond kwam, gingen de gedachten uiteen. „U moet het mij niet kwalijk nemen, dominé, maar daar is mij onder degenen die dan de waarheid heeten te zijn toegedaan veel te veel gehaspel. De één zegt: Zóó is het, en de ander legt het weer anders uit. De een roept : „In deze kerk moet ge wezen, en de ander spreekt over diezelfde kerk zijn banvloek uit, om er een ander gebouw tegenover te plaatsen. En allen beroepen zich op den Bijbel en elk voor zich meent het ware voor te hebben, 't Is een Babel van verwarring."
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1935
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's